RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12267252 \ CV EXPL 26-1938
Vonnis in incidenten van 29 september 2026
in de zaak van
1 [eiser] ,
te [woonplaats 1] ,2. [eiseres],
te [woonplaats 2] ,
hierna samen te noemen: [eisers] ,3. A.Y. TE KIEFTE, in hoedanigheid van curator van [bedrijf] B.V.
te Leiden,
hierna te noemen: de curator,
eisende partijen in de hoofdzaak en in de incidenten,
gemachtigde: mr. S.R. Kieffer,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 3] ,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 4] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak en verwerende partijen in de incidenten,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. H.J. ter Meulen en mr. L. Kunst-van Leeuwen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 10 juni 2026.
Per e-mail van 15 juni 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagden] de rechtbank meegedeeld dat [bedrijf] B.V. op 4 mei 2026 in staat van faillissement is verklaard en mr. A.Y. te Kiefte als curator is aangesteld. Daarbij is de kantonrechter verzocht de procedure op grond van 27 Fw voor vier weken te schorsen.
In de akte uitlaten (overname curator) van [eisers] hebben zij meegedeeld dat de curator het geding zal overnemen en mr. Kieffer eisers als gemachtigde zal (blijven) vertegenwoordigen. Daarbij hebben zij de kantonrechter verzocht de schorsing te beëindigen en de procedure te hervatten.
Hierna heeft de kantonrechter vonnis in de incidenten bepaald.
2 De beoordeling in de incidenten
De kantonrechter stelt allereerst vast dat de curator het geding heeft overgenomen. Daarmee is [bedrijf] B.V. van rechtswege buiten het geding gesteld en geen partij meer in deze procedure.
Schorsing van de executie
Als verweer tegen de door [eisers] ingestelde provisionele vordering ex artikel 223 Rv tot schorsing van de executie van het vonnis van 13 november 2025 van de kantonrechter in Gouda, hebben [gedaagden] een bevoegdheidsincident opgeworpen. Daarin hebben [gedaagden] geconcludeerd dat de kantonrechter gelet op artikel 438 lid 1 Rv zich onbevoegd dient te verklaren om kennis te nemen van de provisionele vordering met veroordeling van [eisers] in de proceskosten van dit incident.
[eisers] hebben daarop geantwoord dat hun belang bij de provisionele vordering is komen te vervallen. Zij hebben toegelicht dat de door hen bij de rechtbank Den Haag ingestelde voorlopige voorziening tot schorsing van het vonnis van 13 november 2025 is afgewezen en de ontruiming op 18 februari 2026 heeft plaatsgevonden. Vervolgens hebben [eisers] deze vordering ingetrokken bij de akte vermindering van eis, door de griffie ontvangen op 20 augustus 2026.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de provisionele vordering. In het verlengde daarvan behoeft ook het bevoegdheidsverweer van [gedaagden] niet te worden beoordeeld.
De incidentele vordering tot openlegging gegevens
Ten aanzien van de incidentele vordering van [eisers] tot openlegging van gegevens, stelt de kantonrechter het volgende voorop. Een partij kan op grond van artikel 194 lid 1 Rv van een andere partij (inzage, afschrift of uittreksel van) informatie verlangen als (i) zij partij is bij een rechtsbetrekking, (ii) de verlangde informatie voldoende bepaald is, (iii) zij voldoende belang heeft bij het informatieverzoek en (iv) de partij van wie de informatie wordt verlangd, ook over de informatie beschikt. Indien aan deze vereisten is voldaan, bepaalt artikel 195 Rv dat de rechter de partij kan bevelen tot het verstrekken van (inzage, afschrift of uittreksel van) de informatie.
Aan hun vorderingen in de hoofdzaak leggen [eisers] – samengevat – ten grondslag dat partijen, [eisers] als exploitant van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) en huurder van het gebouw waarin [bedrijf] was gevestigd en [gedaagden] als eigenaar en verhuurder van het gebouw, in 2011 een samenwerking zijn aangegaan. Op grond daarvan zouden de lasten en baten gelijk worden verdeeld. Volgens [eisers] werkten partijen met de gezamenlijke rekening met nummer [rekeningnummer] (hierna: de bankrekening) die op naam van [naam] stond. Op de bankrekening werden volgens [eisers] de huur en de hotelinkomsten ontvangen en door [gedaagden] de kosten (zoals hypotheeklasten, rentes, onderhoud, persoonlijke uitkeringen/lonen) betaald. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben [eisers] een Excel-sheet overgelegd (productie 18 bij dagvaarding). [eisers] stellen dat [gedaagden] de samenwerkingsafspraken eind 2019 eenzijdig hebben stopgezet en gewijzigd en [eisers] sindsdien geen toegang meer hebben tot de bankrekening. [eisers] voeren aan dat zij aan hun verplichtingen voldoen door de exploitatieopbrengsten via de huur te betalen, maar dat de revenuen niet meer gelijk gedeeld worden. Dit leidt er volgens [eisers] toe dat zij (schade)vorderingen hebben op [gedaagden]
Tegen deze achtergrond vorderen [eisers] op grond van artikel 194 Rv– kort gezegd – op straffe van een dwangsom, [gedaagden] hoofdelijk te gebieden inzage te geven in de bankafschriften van de bankrekening, primair per 1 november 2011 en subsidiair per 1 december 2019. Zij baseren dit incident op de stelling dat de bankafschriften inzage kunnen geven in de opbrengsten waarvan zij op grond samenwerkingsafspraken 50% recht op hebben.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van het incident. Volgens [gedaagden] is niet voldaan aan de stelplicht dan wel aan alle vereisten van artikel 194 lid 1 Rv. Verder stellen [gedaagden] dat gewichtige redenen in de zin van lid 2 van artikel 194 Rv zich tegen toewijzing verzetten. Mocht inzage worden toegewezen, dan moeten daaraan voorwaarden worden verbonden, aldus [gedaagden]
De kantonrechter komt met inachtneming van de vereisten van artikel 194 lid 1 Rv en het gemotiveerde verweer van [gedaagden] tot het volgende oordeel.
De primaire incidentele vordering zal worden afgewezen. Aan het argument van [eisers] dat de inzage de bedragen uiteengezet in de Excel-sheet overgelegd als productie 18 bij dagvaarding kan bewijzen, gaat de kantonrechter voorbij. Zoals [gedaagden] terecht hebben aangevoerd, kunnen [eisers] dit aantonen door middel van de eigen bankafschriften. Er is dan ook geen sprake van voldoende belang.
Ten aanzien van de subsidiaire incidentele vordering, acht de kantonrechter een voldoende belang wel aanwezig. Anders dan [gedaagden] menen, is niet vereist dat [eisers] eerst voldoende aannemelijk maken dat zij een vorderingsrecht hebben. De kantonrechter volgt [gedaagden] wel in hun standpunt dat er gewichtige redenen bestaan die zich tegen de volledige inzage verzetten. Omdat de bankrekening een privérekening van [gedaagden] betreft, zal de kantonrechter de voorwaarden zoals door [gedaagden] geformuleerd aan de inzage verbinden.
Wat hiervoor is overwogen, leidt ertoe dat [eisers] uitsluitend recht hebben op inzage in de inkomsten en uitgaven die direct samenhangen met het gebouw waarin [bedrijf] gevestigd was aan de [adres] . In plaats van de gevorderde termijn van tien dagen, zal de kantonrechter aan de inzage een termijn van twee maanden verbinden zodat de bankafschriften kunnen worden opgevraagd en ontvangsten en uitgaven waarin geen inzage hoeft te worden verleend, zwart gelakt kunnen worden. Dat een dwangsom nodig is om [gedaagden] ertoe te brengen aan de inzage te voldoen, heeft [eisers] onvoldoende onderbouwd gesteld en zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten in de incidenten
[eisers] hebben het schorsingsincident ingetrokken, maar pas nadat [gedaagden] verweer ertegen hebben moeten voeren. Ten aanzien van het 194 Rv incident heeft het verweer van [gedaagden] ertoe geleid dat het incident maar gedeeltelijk wordt toegewezen. Daarom zullen [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagden] , begroot op € 271 aan salaris en € 108,50 aan nakosten plus de kosten van betekening zoals hierna in de beslissing vermeld. De door [gedaagden] gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen.
De hoofdzaak
In de hoofdzaak zal de zaak naar de rol worden verwezen voor conclusie van antwoord van [gedaagden] Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3 De beslissing
De kantonrechter
in de incidenten
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis inzage te verstrekken in de afschriften van de bankrekening per 1 december 2019 tot aan vandaag waaruit de inkomsten en uitgaven blijken die direct samenhangen met het gebouw waarin [bedrijf] gevestigd was aan de [adres] ;
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 379,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna is betekend en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de betekening;
verklaart 3.2. en 3.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 27 oktober 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagden] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op29 september 2026.