RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1464
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: mevrouw [eiseres]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
gemachtigde: [gemachtigde].
Procesverloop
Mevrouw [eiseres] is het niet eens met het besluit van het UWV van 22 december 2025. Bij dat besluit heeft het UWV uitvoering gegeven aan het beslag dat door Invoned is gelegd op haar uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met betrekking tot achterstallige belasting die zij is verschuldigd aan de gemeente Hardenberg. Het UWV betaalt het bedrag van de uitkering van mevrouw [eiseres] voor zover hoger dan de beslagvrije voet van € 1.149,- uit aan Invoned. Daarnaast heeft het UWV vermeld dat een bedrag van € 172,70 per maand wordt uitbetaald aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK).
Mevrouw [eiseres] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het besluit van 9 april 2026 heeft het UWV het bezwaar van mevrouw [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit laatste besluit heeft mevrouw [eiseres] beroep ingesteld bij de rechtbank en daarvoor een griffierecht van € 54,- betaald.
Bij een verweerschrift van 18 juni 2026 heeft het UWV het genomen besluit nog toegelicht en vermeld dat het bezwaar ongegrond had moeten worden verklaard in plaats van niet-ontvankelijk.
Het beroep is behandeld op een zitting van 15 september 2026, waar mevrouw [eiseres] is verschenen en namens het UWV de heer [gemachtigde].
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van het beslag
Het beroep van mevrouw [eiseres] heeft in de eerste plaats betrekking op het door Invoned gelegde beslag op haar WAO-uitkering en de hoogte van de daarbij gehanteerde beslagvrije voet.
De rechtbank stelt vast dat het UWV bij de beslissing over de hoogte van de betaling van de WAO-uitkering aan mevrouw [eiseres] is gebleven binnen het kader van het bij de brief van 9 december 2025 gemelde door Invoned gelegde beslag op haar WAO-uitkering.
De hoogste rechter in sociale zekerheidszaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), heeft in haar uitspraken beslist dat niet het UWV en ook niet de bestuursrechter de geldigheid van het gelegde beslag kunnen beoordelen. Het UWV moet uitvoering geven aan een gelegd beslag. Ook de hoogte van de beslagvrije voet kan daarbij niet worden beoordeeld. Bezwaren hiertegen moeten worden voorgelegd aan de beslaglegger en eventueel aan de burgerlijke rechter.1
Het beroep van mevrouw [eiseres] slaagt daarom niet.
Ten aanzien van de inhouding van de eigen bijdrage
In de tweede plaats heeft het beroep van mevrouw [eiseres] betrekking op de beslissing van het UWV om een bedrag van € 172,70 in te houden, dat mevrouw [eiseres] is verschuldigd aan het CAK.
In artikel 54 van de WAO is bepaald dat het UWV bevoegd is deze eigen bijdrage op de WAO-uitkering in te houden. De CRVB heeft haar uitspraken beslist dat het UWV van deze bevoegdheid gebruik kan maken en dat het UWV bij het gebruik maken van deze bevoegdheid alleen moet onderzoeken of de inhouding mogelijk is, gelet op het bedrag dat daarna voor de betrokkene overblijft. Het UWV mag gevolg geven aan een verzoek tot inhouding tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. Het is aan de betrokkene om dergelijk omstandigheden naar voren te brengen.2
Het UWV heeft het bedrag ingehouden en afgetrokken van de beslagvrije voet omdat het gaat om een vaste last, niet om een schuld. Het UWV meent dat mevrouw [eiseres] geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat anders zou moeten worden beslist.
De rechtbank is het eens met het UWV. De bedragen ten behoeve van de eigen bijdrage zijn terecht in mindering gebracht op de WAO-uitkering van mevrouw [eiseres]. Het in mindering brengen op de beslagvrije voet is ook in lijn met het bepaalde in artikel 475da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat gaat over de vaststelling van de beslagvrije voet.
Ook dit beroep van mevrouw [eiseres] slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het voorgaande betekent dat het bezwaar van mevrouw [eiseres] tegen het besluit van
22 december 2025 ongegrond is.
5. Omdat het UWV het bezwaar bij het bestreden besluit van 9 april 2026 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit van 9 april 2026 vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen het besluit van
22 december 2025 alsnog ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit van 9 april 2026.
6. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan mevrouw [eiseres] vergoeden en krijgt mevrouw [eiseres] ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze proceskosten stelt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 25,- voor de reiskosten van mevrouw [eiseres] in verband met het bijwonen van de zitting.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 april 2026;
- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 22 december 2025 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit van 9 april 2026;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan mevrouw [eiseres] moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 25,- aan proceskosten aan mevrouw [eiseres].
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.