RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/349882 KG ZA 26-174
Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij, hierna te noemen: [eiser],
advocaten: mrs. J.F. van Nouhuys en A.F. de Jong,
tegen
ROVA ACTIVA BEHEER B.V.,
te Zwolle,
gedaagde partij, hierna te noemen: Rova,
advocaat: mr. E.E. Zeelenberg.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,
- de akte overlegging nadere producties van de zijde van [eiser],
- de mondelinge behandeling van 23 september 2026, waar partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij van de zijde van [eiser] ook gebruik is gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
2 Samenvatting
In 2026 heeft Rova een aanbestedingsprocedure georganiseerd. [eiser] heeft de opdracht ter zake het perceel waarop zij had ingeschreven niet gegund gekregen en is daarom dit kort geding gestart. [eiser] heeft diverse bezwaren geuit tegen (de uitkomst van) de beoordeling van de (twee) kwalitatieve subgunningscriteria die zien op (kort gezegd) de praktijkbeoordeling. Het verweer van Rova dat [eiser] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen slaagt niet. Na inhoudelijke beoordeling komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de beoordelingscommissie van Rova niet in redelijkheid tot haar beoordeling heeft kunnen komen en de beoordeling zodanig aperte onjuistheden of onduidelijkheden bevat dat de daarop gebaseerde gunningsbeslissing niet zou deugen. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De voorzieningenrechter licht hierna zijn oordeel toe.
3 De feiten
In 2026 heeft Rova een Europese openbare aanbestedingsprocedure “Levering ondergrondse containers en toegangscontrolesystemen” via Tenderned georganiseerd. De aanbesteding heeft tot doel overeenkomsten af te sluiten voor de levering van ondergrondse containers en toegangscontrolesystemen (hierna ook: de opdracht). De opdracht is verdeeld in twee percelen: (1) Levering en plaatsing van ondergrondse containers, en (2) Levering van toegangscontrolesystemen. In deze procedure gaat het alleen om perceel 1.
[Afbeelding]3.2. In de aanbestedingsleidraad is voor zover van belang het volgende opgenomen.
[Afbeelding] [Afbeelding] (…)
(…)
[Afbeelding]
(…)
(…)
[Afbeelding] (…)
[Afbeelding]
(…)
[Afbeelding]
(…)
[Afbeelding]
[Afbeelding]
(…)
[Afbeelding] (…)
[Afbeelding] (…)
[Afbeelding]
(…)”
De kwalitatieve gunningscriteria luiden, voor zover van belang, als volgt:
“(…)
[Afbeelding]
[Afbeelding]
(…)”
[eiser] heeft ingeschreven op perceel 1. Op 24 april 2026 kreeg zij via Tenderned een uitnodiging om deel te nemen aan de praktijkbeoordeling. In deze uitnodiging staat onder meer vermeld:
“(…)
Te demonstreren producten
In de aanbestedingsdocumenten staat beschreven welke producten u dient te demonstreren. Het risico van eventuele afwijkingen in het getoonde product (tijdens de praktijkbeoordeling) ten opzichte van het aangeboden product (in de inschrijving), is volledig voor rekening van inschrijver. Indien een onderdeel niet te beoordelen is tijdens de praktijkbeoordeling (omdat het gedemonstreerde op dat punt te veel afwijkt van het aangeboden in de inschrijving), zal de score op het desbetreffende onderdeel nul punten bedragen.
(…)
Indeling van de praktijkbeoordeling
Van inschrijver wordt een proactieve houding verwacht en het is verantwoordelijkheid van de inschrijver om voldoende aandacht aan alle beoordelingsonderdelen te besteden tijdens de praktijkbeoordeling. De praktijkbeoordeling is hiertoe als volgt ingedeeld:
-
1e 10 minuten: introductie van de inschrijver van de ondergrondse containersystemen en inwerpzuilen waarmee de praktijkbeoordeling zal worden uitgevoerd, waarbij de verschillen ten opzichte van de inschrijving door inschrijver worden toegelicht
-
Toelichting van de ondergrondse containersystemen en inwerpzuilen.
Mogelijkheid voor beoordelingsteam om de ondergrondse containersystemen en inwerpzuilen zelf te bekijken en uit te proberen.
-
Rondvraag in aanwezigheid van de inschrijver
-
Einde praktijkbeoordeling.
(…)
Overige
In het aanbestedingsdocument zijn de aspecten benoemd waarop tijdens de praktijkbeoordeling beoordeeld zal worden. Tijdens de praktijkbeoordeling zal ook geverifieerd worden of de getoonde producten voldoen aan het programma van eisen en, voor zover relevant, kwalitatieve criteria. Deze verificatie staat los van de bovenstaande beschreven beoordeling.
(…)”
Bij bericht van 28 april 2026 heeft [eiser] Rova meegedeeld dat zij deelneemt aan de praktijkbeoordeling.
Bij bericht van 8 mei 2026 heeft Rova aan [eiser] de tussenstand qua punten meegedeeld. De puntenafstand van de inschrijving van [eiser] tot de hoogst scorende inschrijving bedraagt minder dan 5 punten. In dit bericht wordt ook vermeld dat opmerkingen over de praktijkbeoordeling uiterlijk in week 20 moeten worden gemeld.
Bij bericht van 27 mei 2026 heeft [eiser] de afwijkingen van de demonstratie-modellen ten opzichte van hetgeen is aangeboden doorgegeven, namelijk:
[Afbeelding]
Bij bericht van 3 juni 2026 heeft [eiser] laten weten dat zij een extra vloer en glaszuil wenst te demonstreren om Rova een zo volledig mogelijk beeld te geven.
[Afbeelding]3.9. Op 25 juni 2026 heeft Rova het volgende bericht in Tenderned geplaatst:
De bijlage bevat de gunningsbeslissing. Deze is gedateerd op 26 juni 2026.
In de gunningsbeslissing is, voor zover van belang het volgende vermeld:
“(…)
[Afbeelding]
(…)
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
(…)”
[eiser] kan zich niet verenigen met de gunningsbeslissing en heeft Rova daarom gedagvaard. Deze dagvaarding is op 16 juli 2026 aan Rova betekend.
4 Het geschil
De vordering van [eiser] strekt ertoe dat Rova wordt verboden om de opdracht (voor perceel 1) op basis van de gunningsbeslissing aan VConsyst te gunnen, dat Rova wordt geboden om deze gunningsbeslissing in te trekken en dat Rova wordt geboden om alle inschrijvingen, althans de inschrijving van [eiser], opnieuw te beoordelen, door primair een geheel nieuwe beoordelingscommissie, althans subsidiair door de bestaande beoordelingscommissie, althans meer subsidiair dat Rova wordt geboden om tot heraanbesteding over te gaan, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Rova in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
Rova heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5 De beoordeling
Vooraf
Van de zijde van Rova is bezwaar gemaakt tegen de bij akte ingediende nadere producties 13 tot en met 16 van de zijde van [eiser], omdat deze niet binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling zijn ingediend, zoals het procesreglement voorschrijft. De voorzieningenrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling beslist dat deze producties wel worden meegenomen bij de beoordeling, omdat Rova deze producties wel heeft gezien en daarop heeft kunnen reageren, zodat zij niet in haar belangen is geschaad.
Ontvankelijkheid
Als meest verstrekkende verweer voert Rova aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, omdat zij de dagvaarding één dag te laat heeft laten betekenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter faalt dit verweer in dit geval. Uitgaande van het contractueel overeengekomen vervalbeding is de dagvaarding inderdaad één dag te laat betekend, want de gunningsbeslissing is als bijlage bij het bericht van Rova van 25 juni 2026 verzonden aan [eiser]. Echter, de gunningsbeslissing zelf is gedateerd op 26 juni 2026. Het verschil zorgt begrijpelijkerwijs voor onduidelijkheid en deze is door Rova geschapen. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat een advocaat van een inschrijver zelf niet, althans niet zonder meer, toegang heeft tot de omgeving van Tenderned. Bovendien heeft Rova verklaard dat het niet gebruikelijk is om verschillende data te hanteren bij het verzendbericht en de gunningsbeslissing en dat zij er geen verklaring voor heeft waarom er een verkeerde datum op de gunningsbeslissing is vermeld. Het komt er dus op neer dat Rova een vergissing heeft gemaakt die zij zelf ook niet heeft opgemerkt. Een dergelijke vergissing ligt in de risicosfeer van Rova. Rova kan dan ook niet [eiser] verwijten dat zij is uitgegaan van de datum die is vermeld op de gunningsbeslissing en niet heeft gezien dat deze beslissing een dag eerder is verzonden. Dit betekent dat Rova in dit geval geen beroep toekomt op het contractuele vervalbeding en dat [eiser] kan worden ontvangen in haar vorderingen.
Inhoudelijke beoordeling
Uitgangspunten
Bij de beoordeling staat voorop dat bij een Europese openbare aanbesteding, zoals de onderhavige, de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht van toepassing zijn. Dat betekent dat het gelijkheidsbeginsel en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel moeten worden nageleefd. Het gelijkheidsbeginsel beoogt de ontwikkeling van een gezonde mededinging tussen de deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers dezelfde kansen krijgen. Het betekent derhalve dat voor de inschrijvers dezelfde voorwaarden moeten gelden. Het doel van het transparantiebeginsel is het waarborgen dat elke vorm van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden, modaliteiten en aanbestedingsstukken van de procedure op duidelijke en ondubbelzinnige wijze zijn geformuleerd en normaal oplettende inschrijvers, de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en daarnaast de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de inschrijvingen beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Deze eisen betreffen mede de door de aanbestedende dienst te hanteren beoordelingssystematiek.1
Bij de beoordeling van de bezwaren van [eiser], die enkel betrekking hebben op de beoordeling van de kwalitatieve (sub)gunningscriteria KG-1.06 en KG-1.07 (samen de praktijkbeoordeling), geldt voorts als uitgangspunt dat alleen als sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel van procedurele of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden, die meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, plaats is voor ingrijpen door de rechter. Het gaat dus om een vrij marginale toetsing. Daarbij is het uitgangspunt dat aan enige mate van subjectiviteit bij de beoordeling van de hier gehanteerde kwalitatieve subgunningscriteria niet te ontkomen valt. Dat levert weliswaar enige spanning op met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht en/of die beginselen. Van belang is dat (i) het voor een potentiële inschrijver duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor een afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt aan de voorzieningen-rechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwalitatieve criteria. Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet de nodige beoordelingsruimte worden gegund, mede omdat de rechter geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht.
Onjuiste toepassing van het vooraf bekendgemaakte beoordelingskader?
[eiser] stelt dat Rova het vooraf bekendgemaakte beoordelingskader onjuist heeft toegepast. Aan haar is voor zowel subgunningscriterium KG-1.06 als KG-1.07 een score 3 (“voldoende; geen meerwaarde”) toegekend. Opvallend vindt [eiser] dat de beoordelingscommissie gelet op de motivering in de gunningsbeslissing meerdere aspecten van haar inschrijving positief heeft beoordeeld of heeft benoemd. Deze aspecten zijn bij uitstek zaken die “meerwaarde” weerspiegelen, aldus [eiser]. Dit betekent volgens [eiser] dat de conclusie dat er geen sprake zou zijn van meerwaarde onjuist is, althans dat het beoordelingskader onjuist is toegepast. Rova heeft dit door [eiser] ingenomen standpunt gemotiveerd weersproken.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet de conclusie worden getrokken dat Rova bij de beoordeling van de subgunningscriteria KG-1.06 en KG-1.07 het beoordelingskader onjuist heeft toegepast. Uit de aanbestedingsstukken volgt duidelijk dat er één beoordelingscijfer in consensus wordt gegeven voor het totale subgunningscriterium en dat de beoordeling plaatsvindt op basis van het geheel en niet per elk afzonderlijk genoemd aspect. Verder blijkt uit de aanbestedingsstukken duidelijk dat de meerwaarde niet alleen wordt beoordeeld ten opzichte van de uitvraag, maar ook ten opzichte van de andere inschrijvers. Deze wijze van beoordelen van de meerwaarde betekent dus niet dat de enkele omstandigheid dat de beoordelingscommissie een of meerdere aspecten van een inschrijving positief vindt of als (heel) goed aanmerkt automatisch tot meerwaarde (en dus een hogere score dan “3”) zou moeten leiden. [eiser] mag vinden dat de door de beoordelingscommissie positief benoemde aspecten bij uitstek meerwaarde vertegenwoordigen, maar het is aan de beoordelingscommissie om te beoordelen of er al dan niet sprake is van meerwaarde en zij beoordeelt dat dus niet alleen aan de hand van de positieve aspecten, maar op basis van het geheel (waaronder dus ook negatieve punten kunnen vallen) en kan bij deze beoordeling ook andere inschrijvingen betrekken.
Voor zover er bij [eiser] onduidelijkheid bestond over de beoordelings-systematiek van de meerwaarde of zij zich hierin niet kon vinden, had het op haar weg gelegen om, zoals Rova ook heeft gesteld, daar vragen over te stellen. Van een inschrijver mag immers worden verwacht dat hij zich proactief opstelt en eventuele bezwaren tegen, bijvoorbeeld, de gunningscriteria en beoordelingssystematiek van de aanbesteding in een zo vroeg mogelijk stadium naar voren brengt. Dat heeft [eiser] niet gedaan.
Inhoudelijke beoordeling van subgunningscriteria KG 1.06 en KG 1.07
[eiser] is het niet eens met de inhoudelijke beoordeling van de beoordelingscommissie. Zij vindt dat de motivering die aan de puntentoekenning is gebaseerd op evidente feitelijke onjuistheden. Per bulletpoint bij de subgunningscriteria KG-1.06 en KG-1.07 is door [eiser] uiteengezet waarom de daar gegeven motivering in haar ogen onjuist is. Rova meent dat er geen sprake is van aperte inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden.
Gelet op de hiervoor vermelde uitgangspunten is het in beginsel aan Rova om de inschrijvingen te beoordelen en te waarderen, en komt haar daarbij een ruime vrijheid toe. De voorzieningenrechter dient zich in dat verband terughoudend op te stellen. Hij mag niet op de stoel van Rova gaan zitten, maar kan slechts marginaal toetsen of de door de beoordelaars uitgevoerde beoordeling – score en motivering daarvan – voldoende grondslag vindt in de aanbestedingsstukken. Het is dus niet aan de voorzieningenrechter om zelf kwalificaties als “goed; geringe meerwaarde” “voldoende; geen meerwaarde” of “onvoldoende” aan onderdelen van een inschrijving te hechten. Slechts wanneer de beoordeling onbegrijpelijk is gemotiveerd of wanneer er sprake is van procedurele of inhoudelijke onvolkomenheden van wezenlijke aard die meebrengen dat de beoordeling gebrekkig is, is plaats voor ingrijpen door de voorzieningenrechter.
Het is dus ook niet zo dat iedere onvolkomenheid in de motivering van de beoordeling van een kwaliteitscriterium moet leiden tot consequenties (zoals bijvoorbeeld een herbeoordeling). De enkele omstandigheid dat een onderdeel van de motivering – in de visie van [eiser] – voor discussie vatbaar is, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat de gehele beoordeling onzorgvuldig is. Zoals hiervoor al is overwogen moet het gaan om een tekortkoming van wezenlijke aard die meebrengt dat de beoordeling zodanig gebrekkig is dat herbeoordeling is aangewezen. Daarbij moet eveneens in aanmerking worden genomen dat uit de aanbestedingsstukken duidelijk volgt dat er een beoordelingscijfer in consensus wordt gegeven voor het totale gunningscriterium en niet voor afzonderlijk benoemde aspecten.
Uit de gunningsbeslissing blijkt dat de (beoordelingscommissie van) Rova bij de van belang zijnde gunningscriteria een aantal positieve elementen van de inschrijving van [eiser] heeft benoemd, maar ook een aantal (negatieve) kanttekeningen heeft geplaatst bij het door [eiser] aangeboden product. Het is inherent aan een kwalitatieve beoordeling dat zowel sterke als zwakke punten worden meegewogen om tot een totaalscore te komen. Dat de beoordelingscommissie bepaalde punten zwaarder of juist minder zwaar laat wegen, valt binnen haar beoordelingsvrijheid. [eiser] maakt er een punt van dat de beoordelingscommissie de beoordeling op onderdelen heeft gebaseerd op haar mening en dat zij die mening als motivering van de gunningsbeslissing gebruikt zonder dat er (nader) onderzoek is verricht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt een (praktijk)beoordeling van de aangeboden producten door een beoordelingscommissie mee dat deze (mede) wordt gevormd door de mening van de leden van de beoordelingscommissie aan de hand van hun (jarenlange) ervaring met dergelijke producten in de praktijk en hun persoonlijke waarneming. Dat [eiser] op diverse onderdelen, bijvoorbeeld ten aanzien van de robuustheid, het gebruikte materiaal (compriband en (zachte) schuimdemping), het verklemmingsrisico bij de constructie en het openzetten van de kleppen, een andere visie heeft dan de beoordelingscommissie is, vanuit haar rol als aanbieder van het product, niet onbegrijpelijk, maar het is aan de beoordelingscommissie om de meerwaarde van de inschrijvingen op deze subgunningscriteria voor Rova te beoordelen en daar een score aan toe te kennen. Dat de beoordelingscommissie bij de motivering van de toegekende score aandachtspunten heeft benoemd die in de ogen van [eiser] (irrelevante en minuscule) details zijn, doet er niet aan af dat ook dergelijke aspecten door de beoordelingscommissie kunnen worden meegewogen bij de vraag of een inschrijving al dan niet meerwaarde heeft. Dat de beoordelingscommissie bij voornoemde aspecten kanttekeningen heeft geplaatst, komt de voorzieningenrechter niet op voorhand onbegrijpelijk voor en daarmee is de beoordelingscommissie ook niet buiten haar beoordelingsvrijheid getreden. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat het gaat om een praktijkbeoordeling en niet om een zogenoemde (verdergaande) praktijktest.
Het betoog van [eiser] dat de constatering van (de beoordelingscommissie van) Rova dat de modulaire opbouw op sommige plekken grote kieren vertoonde feitelijk onjuist is en dat de terugkoppeling geen weerslag vormt van een eerlijke beoordeling volgt de voorzieningenrechter niet. Het is de keuze van [eiser] geweest om meerdere demonstratiezuilen mee te nemen naar de praktijkbeoordeling, waarbij volgens haar iedere zuil representatief was voor een bepaald onderwerp/onderdeel. Deze keuze ligt echter wel in de risicosfeer van [eiser], nu uit de aanbestedingsstukken duidelijk volgt dat het de verantwoordelijkheid van de inschrijver is om ervoor te zorgen dat het gedemonstreerde product zoveel mogelijk overeenkomt met het product dat geoffreerd wordt. Er mochten eventueel wel afwijkingen zijn, maar die waren wel voor rekening van de inschrijver en konden tot een lager aantal punten of zelfs nul punten leiden. In dat licht bezien kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet de conclusie worden getrokken dat de hiervoor genoemde constatering niet mocht worden meegewogen bij de te geven score bij subgunningscriterium KG-1.06. [eiser] heeft immers erkend dat meerdere zuilen kieren vertoonden. Dat de weersomstandigheden zodanig waren dat de van de zijde van [eiser] gegeven toelichtingen betreffende de representativiteit van de zuilen niet door iedereen (van de beoordelingscommissie) zijn gehoord maakt dit niet anders, nu dat ook in de risicosfeer van [eiser] ligt.
In het verlengde van het voorgaande treft het bezwaar van [eiser] over hetgeen (de beoordelingscommissie van) Rova in de gunningsbeslissing heeft vermeld bij subgunningscriterium KG-1.07 over de maatvoering ook geen doel. [eiser] heeft erkend dat bij het gedemonstreerde model de restvalcontainer en de openingen van de papiercontainer niet voldeden aan de gevraagde maatvoering. Dat deze afwijkingen van invloed kunnen zijn op de te behalen score blijkt voldoende uit de aanbestedingsstukken. In die zin kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de beoordelingscommissie dit aspect ten onrechte bij haar beoordeling heeft betrokken.
Rova heeft erkend dat de verplichte afscherming bij trek- en duwstangen in het programma van eisen is komen te vervallen en dat op dat punt de motivering in de gunningsbeslissing anders had moeten worden geformuleerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze onvolkomenheid echter niet van dien aard dat deze zou moeten leiden tot een herbeoordeling. De omstandigheid dat Rova het aspect “afscherming”, ondanks dat het geen verplichting meer was, heeft betrokken bij de vraag of het aangeboden product meerwaarde heeft, komt de voorzieningenrechter op zichzelf niet onjuist voor. Ook als daar anders over zou worden gedacht kan er niet aan voorbij worden gegaan dat Rova er op heeft gewezen dat als er al over één aspect anders zou moeten worden geoordeeld, dat niet automatisch betekent dat de score op dat gunningscriterium ook verandert.
Het door [eiser] tijdens de mondelinge behandeling ingenomen standpunt dat Rova in haar conclusie van antwoord heeft geprobeerd om de gunningsbeslissing aan te vullen door ter onderbouwing van de uitkomst nieuwe redenen aan te voeren, volgt de voorzieningenrechter niet. Rova heeft in haar conclusie van antwoord uitgebreid gereageerd op de in de dagvaarding geuite bezwaren tegen de beoordeling van de gunningscriteria KG-1.06 en KG-1.07. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een toelaatbare onderbouwing van de reeds gegeven motivering en is geen sprake van een ontoelaatbare aanvulling van de gunningsbeslissing met betrekking van voornoemde (sub)gunningscriteria. Aan [eiser] kan wel worden toegegeven dat de in de conclusie van antwoord vermelde kwalificatie “minder mooi” ten aanzien van het gebruik van compriband een subjectief oordeel is, maar die kwalificatie moet wel in de context van het geheel worden gezien. Het is immers niet de enige reden waarom de beoordelingscommissie het gebruik van compriband minder positief vindt. Naar het oordeel van de voorzieningen-rechter heeft Rova, gelet op het hetgeen [eiser] op dit punt naar voren heeft gebracht op een voldoende wijze toegelicht waarom zij het gebruik van dit materiaal op (inhoudelijke) gronden als minder positief heeft beoordeeld. [eiser] wordt dan ook niet gevolgd in zijn stellingname dat Rova door de kwalificatie “minder mooi” buiten het beoordelingskader is getreden.
Met inachtneming van dat wat hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat de beoordelingscommissie niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de gegeven score “3-voldoende; geen meerwaarde” bij de subgunningscriteria KG-1.06 en KG-1.07.
Slotsom en proceskosten
Gelet op al het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat [eiser] niet aannemelijk heeft weten te maken dat bij de door haar genoemde onderdelen sprake is van een onbegrijpelijke of evident onjuiste beoordeling, dan wel dat er procedurele of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden kleven aan de beoordeling, die ertoe zouden moeten leiden dat de voorzieningenrechter – ondanks de beperkte toetsingsruimte – moet concluderen dat de beoordeling van de inschrijving van [eiser] door de beoordelingscommissie niet deugt.
De slotsom is dat geen van de vorderingen van [eiser] toewijsbaar is. Die vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rova worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.101,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de dictumonderdelen 6.2. en 6.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.