ECLI:NL:RBOVE:2026:6025

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
ZWO 26/825
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan de (ex-werknemer). Werkgever beroep. In geschil is of de eerste ziektedag juist is vastgesteld en of er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Werkgever betoogt dat ex-werknemer nooit geschikt is geweest voor de maatgevende arbeid. Rechtbank volgt dit niet. Langdurig dit werk verricht. Geen verslagen van ARBO of anderszins die duiden op ongeschiktheid.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/825

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Buurtdiensten Nederland B.V., uit Almelo, (Buurtdiensten)

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. L.A.P. ter Laak).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan (ex-werknemer) [betrokkene] ([betrokkene]). In geschil is of de eerste ziektedag juist is vastgesteld en of er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Buurtdiensten is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de eerste ziektedag juist is vastgesteld en dat [betrokkene] weliswaar volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Buurtdiensten krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [betrokkene] heeft op 14 april 2025 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 28 mei 2025 toegekend en haar met ingang van 11 augustus 2025 in aanmerking gebracht voor een uitkering. Zij is daarbij volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht. Buurtdiensten heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 21 januari 2026 op het bezwaar van Buurtdiensten is het UWV bij de toekenning van de uitkering gebleven, zij het dat de ingangsdatum is gewijzigd naar 21 juli 2025.

2.1.

Buurtdiensten heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens Buurtdiensten en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [betrokkene] was eerder werkzaam bij PostNL als voorbereider post voor 19 uur per week. Voor deze werkzaamheden is zij vanwege ziekte uitgevallen op 6 april 2021. Aan haar is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) verstrekt.In het kader van de eerstejaarsziektewetbeoordeling (EZWB) heeft het UWV overwogen dat [betrokkene] niet geschikt is voor haar eigen werk, maar wel voor de geduide functies. Met deze functies kan zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen verdienen. Hierop is de ZW-uitkering beëindigd.[betrokkene] heeft vanaf 26 juli 2021 gewerkt bij Buurtdiensten voor 12,16 uur per week als huishoudelijke hulp. Voor dit werk is zij vanwege ziekte uitgevallen in juli 2023. Per einde wachttijd heeft zij een WIA-aanvraag gedaan. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft besluitvorming van het UWV plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje procesverloop.In het bestreden besluit van 21 januari 2026 heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat Buurtdiensten in bezwaar terecht heeft aangevoerd dat de eerste ziektedag op een eerder moment ligt. De eerste ziektedag wordt daarom gewijzigd vastgesteld op 24 juli 2023. Het UWV volgt Buurtdiensten niet in het betoog dat [betrokkene] al ongeschikt was voor haar eigen werk van huishoudelijke hulp bij aanvang van het dienstverband bij Buurtdiensten op 26 juli 2021. Verder is [betrokkene] weliswaar volledig arbeidsongeschikt, maar is van duurzaamheid (nog) geen sprake. Er kan geen functionele mogelijkhedenlijst met alleen duurzame arbeidsbeperkingen worden opgesteld. [betrokkene] is nog onder behandeling, waardoor niet vaststaat of en zo ja, welke beperkingen duurzaam zijn. De bezwaren tegen de toerekening van de WIA-uitkering vallen buiten de omvang van dit geding, omdat over de toerekening van de WIA-uitkering een aparte beslissing is genomen.

Beroepsgronden

4.1

Buurtdiensten voert, samengevat weergegeven, aan dat [betrokkene] al bij aanvang van het dienstverband bij Buurtdiensten op 26 juli 2021 niet geschikt was voor het werk als huishoudelijke hulp. Zij verwijst daarbij naar de informatie van de arbeidsdeskundige van het UWV uit de EZWB, die aangeeft dat [betrokkene] niet geschikt is voor dit werk. Het werk bij Buurtdiensten is dan ook te beschouwen als een mislukte re-integratiepoging. Het werk was niet passend en is ook nooit het eigen werk geworden. Dat volgt ook uit het feit dat [betrokkene] door het werk meer beperkingen heeft gekregen. Het werk bij PostNL is daarom nog steeds de maatgevende arbeid.Buurtdiensten stelt verder dat bij het vaststellen van de eerste ziektedag ten onrechte geen arbeidsdeskundige is betrokken, omdat ook arbeidskundige componenten zijn gekoppeld aan het vaststellen van de eerste ziektedag, waaronder de vaststelling van de maatmanfunctie, de maatmanomvang en het maatmanloon, maar ook de eerdere UWV-oordelen over bijvoorbeeld de EZWB en de werkloosheidswet. Hieronder valt ook het beoordelen van de vraag of [betrokkene] als medische afzakker kan worden beschouwd.

4.2

Verder heeft het UWV volgens Buurtdiensten onvoldoende beoordeeld of de beperkingen van [betrokkene] duurzaam zijn. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de verzekeringsarts een inschatting dient te maken van de kans op herstel, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde, en dat deze inschatting dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, waarbij de door de verzekeringsarts verwachte resultaten van behandeling benoemd moeten worden. Hieraan is onvoldoende voldaan. Er heeft in bezwaar ten onrechte geen volledige heroverweging plaatsgevonden.

Beoordeling door de rechtbank

5.1.

De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van Buurtdiensten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het UWV de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist heeft vastgesteld en of de medische beoordeling dat de beperkingen van [betrokkene] niet duurzaam zijn, juist en voldoende gemotiveerd is.

De eerste arbeidsongeschiktheidsdag5.2.De rechtbank is van oordeel dat het UWV de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht op 24 juli 2023 heeft vastgesteld.Zij geeft daarvoor de volgende redenen.

5.2.1.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van geschiktheid voor het eigen werk moet volgens vaste rechtspraak worden uitgegaan van de functie zoals de ex-werknemer die laatstelijk voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid vervulde, dat wil in dit geval zeggen het werk als huishoudelijke hulp.1

5.2.2.

Uitgangspunt is volgens vaste rechtspraak van de CRvB dat in het geval een belanghebbende werkgever in geschillen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheids-wetten de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een (ex)werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het UWV het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert.2

5.2.3

In zijn uitspraken van 12 juli 20173 heeft de CRvB het wettelijk stelsel en het beoordelingskader weergegeven voor zaken waarin een eigenrisicodrager het recht van een voormalig werknemer op een ZW-uitkering of een uitkering op grond van de Wet WIA betwist met een beroep op een door het UWV gehanteerde en door de eigenrisicodrager onjuist gevonden eerste ongeschiktheidsdag.

Gelet op dat stelsel mag het UWV bij de beoordeling van de aanspraken op een ZW- of een Wet WIA-uitkering in beginsel uitgaan van de door de werkgever opgegeven dag waarop de werknemer het werk niet heeft aangevangen of gestaakt.

Wanneer de eigenrisicodrager aan de juistheid van de door het UWV vastgestelde eerste ongeschiktheidsdag twijfelt, kan hij op grond van artikel 52c van de ZW aan het UWV vragen om daarover een besluit te nemen. De eigenrisicodrager zal op grond van gegevens van zijn arbodienst, zo nodig in samenhang met andere voor hem beschikbare (medische) gegevens, zijn opvatting over de aanvang van de ongeschiktheid moeten onderbouwen en aannemelijk moeten maken dat de werknemer op de datum van indiensttreding al ongeschikt was.

5.3.1

Gelet op hetgeen is overwogen in 5.2.3 ligt de vraag voor of Buurtdiensten aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene] bij aanvang van haar dienstverband op 26 juli 2021 al ongeschikt was voor haar werk als huishoudelijke hulp.

De rechtbank is van oordeel dat Buurtdiensten dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Buurtdiensten heeft in dit kader enkel verwezen naar het oordeel van de arbeidsdeskundige ten tijde van de EZWB per 5 april 2022. Vanaf datum indiensttreding heeft [betrokkene] echter twee jaar het werk van huishoudelijke hulp gedaan, waarbij zij het werk in de volledige omvang heeft verricht. Zij is in die periode tweemaal ziek geweest, waarvan de langste periode, in het voorjaar van 2022, ongeveer zes weken bedroeg. Over die periode zijn geen verslagen van een bedrijfsarts in het geding gebracht, wat de veronderstelling rechtvaardigt dat [betrokkene] na die zes weken hersteld is verklaard en opnieuw langdurig het werk als huishoudelijke hulp heeft verricht. Ook zijn geen verslagen van functioneringsgesprekken overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat [betrokkene] haar eigen werk niet of niet volledig verrichtte als gevolg van beperkingen.

Dat de arbeidsdeskundige ten tijde van de EZWB oordeelde dat de functie van huishoudelijke hulp gelet op de vastgestelde beperkingen niet geschikt was, heeft [betrokkene] er niet van weerhouden om dit werk langdurig en kennelijk naar tevredenheid te verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gelet op het toetsingskader in 5.2.3 in de rapportage van deze arbeidsdeskundige dan ook geen reden hoeven zien om tot een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag te komen.

Er is gelet op het voorgaande geen reden om van een andere eerste ziektedag uit te gaan dan door het UWV aangenomen.

5.3.2

Buurtdiensten wordt ook niet gevolgd in haar betoog dat een arbeidsdeskundige had moeten worden ingeschakeld bij het bepalen van de eerste ziektedag. Het UWV heeft in dat kader terecht gewezen op artikel 23, tweede lid, van de Wet WIA. Hierin is opgenomen dat als eerste dag van de wachttijd geldt: “ (…) de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.” Of een werknemer ziek is, wordt enkel beoordeeld door een verzekeringsarts en niet door een arbeidsdeskundige. Hetgeen overigens in dat kader door Buurtdiensten naar voren is gebracht, behoeft daarom geen bespreking.

Duurzaamheid van de beperkingen. 5.4. Om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering moet vast komen te staan dat [betrokkene] volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt, wanneer diegene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

5.5.

Volgens vaste rechtspraak moet de verzekeringsarts zich een oordeel vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op een WIA-uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Indien van een stabiele of verslechterende situatie wordt uitgegaan voor het eerste jaar moet de vaststelling dat in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel concreet en toereikend worden onderbouwd.

5.6.

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk en concreet heeft gemotiveerd dat er op lange termijn een redelijk tot goede kans is op verbetering van de functionele mogelijkheden van [betrokkene].

5.6.1.

In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 november 2025 is daartoe het volgende opgenomen.

Met betrekking tot de hoofdpijnklachten van [betrokkene] wordt opgemerkt dat zij op de datum in geding sinds kort werd behandeld met botox- injecties. Deze ontving zij ook nog ten tijde van de verzekeringsgeneeskundige rapportage en daarbij heeft [betrokkene] verklaard dat is aangegeven dat bij onvoldoende resultaat nog injecties of tabletten zullen worden geprobeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij betrokken dat ook nog niet getest was wat het effect van CRGP-remmers is.

Ten aanzien van haar psychische klachten is opgemerkt dat [betrokkene] ten tijde van de datum in geding aangemeld was bij Mondriaan en ten tijde van de verzekeringsgenees-kundige rapportage zich in de intakefase bevond. Op de datum in geding was dus sprake van een behandelmogelijkheid, maar was nog niet duidelijk welke therapie [betrokkene] zou gaan krijgen en met welk doel.

[betrokkene] is tevens bekend met pijnklachten. Zij heeft in dit kader aangegeven dat bij haar fibromyalgie is vastgesteld en dat ze enkele jaren geleden een traject bij RAP heeft doorlopen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage vermeld dat bekend is dat een mentale onrust een negatief effect op ervaren pijnklachten heeft, omdat hierdoor onder andere spierspanning toeneemt. Ook de vrijwel dagelijks aanwezige hoofdpijn kan een negatief effect hebben op de klachten van fibromyalgie. Omdat op datum in geding nog behandelmogelijkheden bij de neuroloog/pijnpoli en in de psychiatrie mogelijk waren, is het nog niet helder wat de duurzame beperkingen zijn die het

gevolg zijn van fibromyalgie, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

5.6.2.

In de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2026 is het volgende opgenomen.

“ (…) ik (heb) aangegeven dat door de ingezette behandeling en de behandelmogelijkheden alle beperkingen nog kunnen verbeteren.

Er is immers geen sprake van beperkingen die louter kunnen worden toegeschreven aan een diagnose die niet behandelbaar is. Het is daarom op datum in geding nog niet mogelijk om een FML met duurzame beperkingen op te stellen.”

5.6.3.

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op navolgbare wijze per aandoening van [betrokkene] heeft aangegeven wat de huidige behandelmogelijkheden zijn en in welke fase van deze behandeling [betrokkene] zich bevindt. Omdat de verschillende klachten elkaar beïnvloeden heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op navolgbare wijze gemotiveerd dat nu nog niet aangegeven kan worden wat de duurzame beperkingen van [betrokkene] zijn.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Buurtdiensten krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »