RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/952
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], wonende te [woonplaats], (hierna: [eiseres]),
gemachtigde: mr. R. Kaya,
en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede, (hierna: het college),
gemachtigde: [gemachtigde].
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de verplichting die het college aan [eiseres] heeft opgelegd om haar deel van het vermogen uit de woning voor zichzelf op te eisen. [eiseres] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de verplichting mocht opleggen. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
1. [eiseres] ontvangt sinds 2 februari 2022 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (PW). Zij bezit samen met haar ex-partner een woning aan de [adres] waar haar ex-partner woont. De woning heeft in 2024 een
WOZ-waarde van € 313.000,- en er rust een hypotheek op van € 205.000,- zodat de totale overwaarde voor [eiseres] en haar ex-man samen € 108.000,- bedraagt. De helft van dit bedrag is hoger dan de in 2024 geldende vrij te laten vermogensgrens van € 6.505,-.1
Met een besluit van 22 april 2024 heeft het college op grond van artikel 55 van de PW aan [eiseres] de verplichting opgelegd om haar deel van het vermogen uit de woning voor zichzelf op te eisen. Zij dient de gemeente op de hoogte te houden van alle ontwikkelingen en stappen die zij onderneemt om haar deel van het vermogen te krijgen.
Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van [eiseres] is het college bij dat besluit gebleven.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Standpunten van [eiseres]
2. [eiseres] heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij de verplichting die aan haar is opgelegd op zichzelf begrijpt, maar dat de vermogensgrens niet wordt overschreden, omdat de schuld aan haar ex-partner hoger is dan haar deel van de overwaarde van de woning (€ 54.000,-). Daarom heeft zij na de hoorzitting een brief van 30 oktober 2024 van de advocaat van haar ex-partner overgelegd, waarin een schuld staat vermeld van in totaal € 86.157,05. [eiseres] stelt verder dat zij haar deel uit de woning niet te gelde kan maken, omdat haar ex-partner nog in de woning woont. Zij beschikt dan ook niet over haar deel van het vermogen en kan daar in redelijkheid ook niet over beschikken.
[eiseres] heeft verder toegelicht dat zij sinds 2012 niet heeft meebetaald aan de hypotheekkosten en de onderhoudskosten van de woning, omdat haar ex-partner die kosten betaalde sinds het jaar dat zij uit elkaar zijn gegaan. Zij waren niet getrouwd en haar ex-partner heeft meerdere keren aangegeven dat zij hem geld verschuldigd is. Als de woning zou worden verkocht dan eist hij dat zij hem eerst afbetaalt, waardoor zij geen overwaarde zal overhouden.
Standpunt van het college
3. Volgens het college gaat het om de verplichting om al het mogelijke te doen om haar deel van het vermogen te krijgen en het college daarvan op hoogte te houden. Hoewel [eiseres] stelt dat haar schuld bij haar ex-partner hoger is dan haar deel van het vermogen uit de woning, is dit (nog) niet aangetoond. De brief van 30 oktober 2024 is daartoe onvoldoende. Of de schulden bij haar ex-partner daadwerkelijk hoger zijn dan haar deel uit de overwaarde zal nog moeten blijken.
Dat haar ex-partner in de woning woont, betekent volgens het college niet dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op de overwaarde van de woning, omdat zij mede-eigenaar is en in beginsel recht heeft op de helft van de overwaarde. Zij heeft als mede-eigenaar ook de beschikkingsmacht over de woning.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat het college de verplichting aan [eiseres] heeft kunnen opleggen en licht dit als volgt toe.
Het gaat in dit geschil om de vraag of het college [eiseres] mocht verplichten om haar deel van de overwaarde van de woning op te eisen en het college daarover te informeren. Op grond van artikel 55 van de PW kan deze verplichting alleen worden opgelegd als dit:
- strekt tot arbeidsinschakeling,
- verband houdt met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand, of
- strekt tot zijn vermindering of beëindiging.
De rechtbank heeft tijdens de zitting aan partijen gevraagd wat de wettelijke grondslag van het besluit is en wat de actuele stand van zaken is.
[eiseres] heeft toegelicht dat haar ex-partner ná de beslissing op bezwaar een civiele procedure tegen haar is gestart. Haar gemachtigde, die haar ook in die civiele procedure bijstaat, heeft de dagvaarding inmiddels van [eiseres] ontvangen. Daarin wordt zelfs een hoger bedrag gevorderd van in totaal € 94.687,-. Hiertegen moet nog verweer worden gevoerd; de termijn daarvoor loopt nog. De gemachtigde heeft desgevraagd aangegeven dat een aantal opgevoerde schuldposten onduidelijk is.
Namens het college is toegelicht dat de verplichting is opgelegd met het oog op vermindering of beëindiging van bijstand. [eiseres] heeft tot dusver aan de verplichting voldaan door het college op de hoogte te houden van de stappen die worden genomen. Het college gaat niet zomaar uit van de schuld van € 86.157,05 die tijdens de bezwaarprocedure voor het eerst naar voren werd gebracht. Een brief van een advocaat is daarvoor onvoldoende. Niet duidelijk is immers waaruit deze vordering precies bestaat en of alle genoemde bedragen daadwerkelijk moeten worden terugbetaald. Daarom is de opgelegde verplichting bij de beslissing op bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank is van oordeel dat het college de verplichting aan [eiseres] heeft kunnen opleggen en die verplichting ook in bezwaar terecht heeft gehandhaafd. Vanuit het oogpunt van vermindering of beëindiging van de bijstand is het begrijpelijk dat het college wil dat [eiseres] haar deel van het vermogen uit de woning opeist. Ten tijde van de heroverweging in bezwaar was niet onderbouwd dat de door [eiseres] gestelde schuld daadwerkelijk bestond, opeisbaar was en de betalingsverplichting door de crediteur daadwerkelijk werd afgedwongen. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de enkele brief van 30 oktober 2024 van de advocaat van de ex-partner van [eiseres] daarvoor onvoldoende was. In beroep is door [eiseres] gesteld dat zij de indruk heeft dat haar ex-partner méér kosten bij haar in rekening brengt dan redelijk is. Ter zitting is aangegeven dat verweer zal worden gevoerd op de dagvaarding die volgens [eiseres] inmiddels is uitgebracht. De rechtbank leidt hieruit af dat sprake is van een betwiste vordering. Onder die omstandigheden heeft het college geen rekening hoeven houden met deze gestelde schuld en is de verplichting terecht aan [eiseres] opgelegd.
Ter zitting is besproken of deze zaak zou moeten worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de civiele procedure. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding nu het college heeft aangegeven dat [eiseres] op dit moment voldoet aan de opgelegde verplichting doordat zij het college op de hoogte houdt van de ontwikkelingen. Verder heeft het college aangegeven dat de verplichting zal worden opgeheven op het moment dat uit de civiele procedure volgt dat sprake is van een daadwerkelijke schuld die - als deze in mindering wordt gebracht op het aan [eiseres] toekomende deel van de overwaarde van de woning - ertoe leidt dat de vermogensgrens niet wordt overschreden.
Met betrekking tot de beroepsgronden dat [eiseres] niet over haar vermogen kan beschikken en zij niet heeft meebetaald aan de woning, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 3 juni 2025 van de Centrale Raad van Beroep2. Daarin is geoordeeld dat een betrokkene als mede-eigenaar van een woning ook mede de beschikkingsmacht heeft over de woning. Dat een betrokkene niet financieel heeft bijgedragen aan de hypotheeklasten en de kosten van de woning, maakt dat niet anders. Daarom slagen ook deze beroepsgronden niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
De rechter is verhinderd te ondertekenen. |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.