RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1203
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hellendoorn.
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 425.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Hellendoorn voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag).
Belanghebbende heeft bij brief van 31 december 2024 de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens een niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 april 2025 het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd tot € 374.000,-.
Belanghebbende heeft op 13 april 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank vanwege een niet tijdig vaststellen van een dwangsombeschikking.
De heffingsambtenaar heeft bij brief van 15 april 2025 de dwangsombeschikking genomen en geconcludeerd dat geen dwangsom verschuldigd is.
Belanghebbende heeft zijn beroep meermalen aangevuld met stukken. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, die ter zitting heeft toegezegd zijn pleitnota alsnog te uploaden, en [naam] als gemachtigde van de heffingsambtenaar en die als WOZ-taxateur uitsluitend heeft verwezen naar de processtukken van de heffingsambtenaar.
Beoordeling door de rechtbank
2. Belanghebbende heeft op 13 april 2025 beroep ingesteld vanwege een zijns inziens niet respectievelijk niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking door de heffingsambtenaar. Hij stelt in beroep - uitdrukkelijk als enig punt van geschil - dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend en dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding.
3. Op 15 april 2025 heeft de heffingsambtenaar alsnog een dwangsombeschikking genomen.
4. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en overweegt daartoe als volgt.
5. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen een niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het nadien alsnog genomen besluit, tenzij dit besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. Omdat belanghebbende heeft verzocht om toekenning van de maximale dwangsom van € 1.442,- en de heffingsambtenaar de dwangsom heeft vastgesteld op nihil, komt het besluit niet tegemoet aan het beroep van belanghebbende. Om proceseconomische redenen - de zitting is reeds geappointeerd - zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb het beroep niet doorzenden naar de heffingsambtenaar om dit als bezwaar te behandelen. Belanghebbende heeft afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit van 15 april 2025 en heeft de rechtbank verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb zal de rechtbank de dwangsombeschikking inhoudelijk toetsen.
6. De heffingsambtenaar stelt in de dwangsombeschikking van 15 april 2025 dat geen recht bestaat op een dwangsom, omdat (i) tijdig is beslist en (ii) de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Er is volgens de heffingsambtenaar tijdig beslist, omdat de beslistermijn met toepassing van artikel 7:10, derde lid, van de Awb met zes weken is verdaagd tot 11 februari 2025 en vervolgens is opgeschort wegens het plannen van een hoorzitting die uiteindelijk op 20 maart 2025 heeft plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft op de hoorzitting van 20 maart 2025 medegedeeld dat binnen twee weken een beslissing op bezwaar zou volgen. Omdat de beslissing op bezwaar binnen de twee weken (op 2 april 2025) is genomen, is dit tijdig. Belanghebbende heeft de ingebrekestelling prematuur ingediend op 31 december 2024. De beslistermijn was op die datum nog niet verstreken en dus was de heffingsambtenaar geen dwangsom verschuldigd.
7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar de maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- is verschuldigd, omdat uiterlijk op 31 december 2024 een beslissing op zijn bezwaar genomen had moeten worden, hij de heffingsambtenaar in gebreke heeft gesteld en de dwangsom, beginnend op 15 januari 2025, vervolgens is ‘volgelopen’.
8. De rechtbank oordeelt dat, zoals uit het bovenstaande reeds blijkt, geen recht bestaat op een dwangsom, nu belanghebbende de ingebrekestelling prematuur heeft ingediend. Zij overweegt daartoe als volgt.
9. Belanghebbende heeft op 2 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024. Volgens artikel 30, negende lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) doet de heffingsambtenaar uitspraak op het bezwaar binnen het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.
10. De heffingsambtenaar heeft op 23 december 2024 met toepassing van artikel 7:10, derde lid, van de Awb de beslistermijn met zes weken verdaagd. Het standpunt van belanghebbende dat de brief van 23 december 2024 onvoldoende concreet is, omdat in de brief het eigen kenmerk van belanghebbende respectievelijk de NAW-gegevens niet genoemd worden, en dat daarom geen rechtsgeldige verlenging heeft plaatsgevonden, volgt de rechtbank niet.
11. Uit de door belanghebbende aangehaalde rechtspraak1 kan deze conclusie van belanghebbende evenmin worden afgeleid. In de uitspraak van de rechtbank Limburg (bevestigd door het gerechtshof ’s Hertogenbosch) is immers overwogen dat voor een schriftelijke mededeling van een bestuursorgaan om de beslistermijn te verdagen volgens artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb vereist is dat deze mededeling zodanig concreet is dat de belanghebbende weet/begrijpt op welke zaak zij betrekking heeft. De brief van 23 december 2024 voldoet daaraan, nu de heffingsambtenaar het kenmerk van de zaak heeft vermeld in de brief. Dat de heffingsambtenaar daarbij niet het door de gemachtigde van belanghebbende gehanteerde kenmerk voor zijn eigen administratie heeft vermeld of de NAW-gegevens van belanghebbende, doet niet af aan het gegeven dat met het vermelden van het door de heffingsambtenaar gehanteerde kenmerk voldoende kenbaar is op welke zaak de verdaging betrekking heeft. De heffingsambtenaar moest daarom uiterlijk op 11 februari 2025 beslissen op het bezwaar, nog daargelaten de discussie tussen partijen of de termijn niet nog verder is opgeschort wegens het plannen en verplaatsen van een hoorzitting.
12. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar echter reeds bij brief van 31 december 2024 (ontvangen op dezelfde dag) in gebreke gesteld wegens een niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Omdat de ingebrekestelling voor het aflopen van de beslistermijn is ingediend, is de ingebrekestelling prematuur. Een premature ingebrekestelling is geen (geldige) ingebrekestelling in de zin van de Awb. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Nu belanghebbende geen (geldige) ingebrekestelling heeft verstuurd, is geen dwangsom verschuldigd.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar terecht heeft geconcludeerd dat geen recht bestaat op een dwangsom.
14. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor proceskosten. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat het beroep, inhoudende een niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking, te vroeg is ingesteld. Belanghebbende heeft op 13 april 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank wegens een niet tijdig vaststellen van een dwangsombeschikking. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift wegens niet tijdig beslissen pas ingediend worden als een bestuursorgaan in gebreke is gesteld tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Belanghebbende heeft nagelaten de heffingsambtenaar schriftelijk in gebreke te stellen wegens het niet nemen van een dwangsombeschikking. Omdat dit een vereiste is in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, is het beroep te vroeg ingediend en heeft hij geen recht op een proceskostenvergoeding noch op vergoeding van griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken op
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.