RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2587
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats],
hierna: [eiser],
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,
hierna: het CBR,
(gemachtigde: mr. S.J.M van der Ark).
1 Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiser] gericht tegen het besluit van het CBR van 15 september 2026.
Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het CBR. [eiser] is zonder opgave van reden niet verschenen.
2 Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het verzoek is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek niet-ontvankelijk is.
Toetsingskader
Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen.1 In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
De griffier heeft bij brief van 25 september 2026 [eiser] in de gelegenheid gesteld om het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief, of als de zitting eerder is, uiterlijk voorafgaande aan de zitting. Deze brief is aangetekend verzonden. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief sinds 1 oktober 2026 bij een PostNL-punt gereed lag om afgehaald te worden. Door de voorzieningenrechter is op 6 oktober 2026 door middel van een controle met het track en trace nummer vastgesteld dat [eiser] de brief op dat moment nog niet had afgehaald bij het PostNL-punt. De voorzieningenrechter heeft [eiser] op de zitting op 6 oktober 2026 in de gelegenheid willen stellen om het griffierecht alsnog te voldoen. [eiser] is echter niet verschenen. De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat het griffierecht niet op tijd is betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
[eiser] heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
3 Conclusie en gevolgen
Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.