RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/349214 / HA ZA 26-231
Vonnis in incident van 23 september 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats] (Libanon),
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. D.E.M.P.J. Reijnart,
tegen
PAARDENKLINIEK DE WATERMOLEN B.V.,
te Enschede,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: De Watermolen,
advocaat: mr. S.A. Wensing.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van eis in het incident ex artikel 224 Rv, tevens houdende aankondiging van het verweer in de hoofdzaak;
- de conclusie van antwoord in het incident.
Hierna is vonnis bepaald in het incident.
2 De beoordeling
in het incident
[partij A] is een procedure gestart tegen De Watermolen, omdat hij meent dat De Watermolen aansprakelijk is voor schade die [partij A] stelt door haar toedoen te hebben gelden. Volgens [partij A] heeft hij De Watermolen opdracht gegeven tot het uitvoeren van een operatie aan zijn paard en heeft De Watermolen daarbij fouten gemaakt, die het overlijden van het paard tot gevolg hebben gehad. [partij A] vordert in de hoofdzaak kort gezegd dan ook een verklaring voor recht dat De Watermolen op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade die hij stelt te hebben geleden en veroordeling van De Watermolen tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat.
De Watermolen vordert in dit incident – samengevat – [partij A] te bevelen zekerheid te stellen voor de proceskosten in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 224 lid 1 Rv, ten bedrage van ten minste € 3.536,00, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag door het stellen van een bankgarantie die aan een aantal voorwaarden voldoet. Ook vordert De Watermolen te bepalen dat de procedure in de hoofdzaak wordt aangehouden totdat de zekerheid daadwerkelijk is gesteld, alsmede dat indien [partij A] niet tijdig aan voornoemd bevel voldoet, hij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen, althans hem het recht daarop komt te vervallen, met veroordeling van [partij A] in de kosten van het incident.
De Watermolen legt aan deze vorderingen ten grondslag dat [partij A] woonachtig is in Libanon, zonder bekende woon- of vestigingsplaats in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie. Volgens De Watermolen zijn Nederland en Libanon geen partij bij een verdrag dat een uitzondering op de hoofdregel van artikel 224 lid 1 Rv met zich meebrengt en heeft zij een gerechtvaardigd belang bij de zekerheidsstelling die op grond van die hoofdregel gevorderd kan worden. De Watermolen voert daartoe aan dat zij het risico loopt dat zij, indien zij in het gelijk wordt gesteld en [partij A] in de proceskosten wordt veroordeeld, deze kosten feitelijk niet zal kunnen verhalen. Nederland en Libanon kennen geen verdrag op grond waarvan een Nederlandse rechterlijke uitspraak zonder meer in Libanon kan worden erkend en ten uitvoer worden gelegd en verhaal zou dan ook een afzonderlijke exequaturprocedure in Libanon vergen, met alle tijd, kosten en onzekerheid van dien, aldus De Watermolen.
[partij A] voert verweer tegen de incidentele vordering van De Watermolen en meent primair dat deze moet worden afgewezen. Volgens haar bestaat er op grond van artikel 224 lid 2 onder a Rv namelijk geen verplichting tot zekerheidsstelling aan zijn zijde. Hij voert daartoe aan dat zowel Nederland als Libanon partij zijn bij het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering uit 1954 (Trb. 1954, 40; hierna te noemen: het Haags Rechtsvorderingsverdrag) en meent dat op grond van artikel 17 van dat verdrag aan hem geen zekerheidsstelling kan worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering van De Watermolen moet worden afgewezen en overweegt daartoe het volgende.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [partij A] geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft maar woonachtig is in Libanon. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. In lid 2 van dat artikel staat een aantal uitzonderingen vermeld op die verplichting, waaronder de situatie dat uit een verdrag voortvloeit dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat. Deze situatie is in het onderhavige geval aan de orde. Zowel Nederland als Libanon is namelijk partij bij de het Haags Rechtsvorderingsverdrag en in artikel 17 van dat verdrag is onder meer het volgende bepaald:
“Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een andere dier Staten optreden.”
[partij A] heeft door middel van het overleggen van een kopie van zijn paspoort voldoende onderbouwd dat hij een onderdaan is van Libanon. Omdat hij bovendien zijn domicilie in dat land heeft en als eiser optreedt in de hoofdzaak, kan aan hem op grond van artikel 17 van het Haags Rechtsvorderingsverdrag geen zekerheidsstelling worden opgelegd op de grond dat hij geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. De incidentele vordering van De Watermolen moet dus worden afgewezen.
De Watermolen wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
van het verzoek tot verwijzing in de hoofdzaak
De Watermolen verzoekt de rechtbank ook de behandeling van de hoofdzaak te doen plaatsvinden op de locatie Almelo in plaats van Zwolle. Zij voert daartoe aan dat blijkens het Zaakverdelingsreglement rechtbank Overijssel (hierna te noemen: het Zaakverdelingsreglement) handelszaken die relatief vallen onder kanton Enschede dienen te worden aangebracht bij de handelsrechter van de rechtbanklocatie Almelo en niet bij die van de locatie Zwolle.
[partij A] refereert zich wat deze verwijzing betreft aan het oordeel van de rechtbank.
Ingevolge het Zaaksverdelingsreglement en het daarop gebaseerde Besluit interne relatieve bevoegdheid rechtbank Overijssel, beide gepubliceerd op
www.rechtspraak.nl (onder Rechtbank Overijssel > Regels en procedures), is voor de behandeling van de hoofdzaak de handelsrechter te Almelo de aangewezen rechter.
De zaak zal daarom, in de stand waarin deze zich bevindt, naar die rechter worden verwezen.
De zaak zal op de handelsrol van de locatie Almelo worden ingeschreven. Het dossier wordt tijdig aan die locatie overgedragen.
3 De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de incidentele vorderingen af;
veroordeelt De Watermolen in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na heden, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als De Watermolen niet binnen die termijn betaalt en het vonnis daarna wordt betekend en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van
€ 842,00 vanaf de vijftiende dag na heden en over het bedrag van € 98,00 plus de kosten van betekening vanaf de vijftiende dag na de betekening;
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, ter verdere behandeling naar de kamer voor handelszaken te Almelo;
bepaalt dat de zaak wordt ingeschreven op de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van De Watermolen;
beveelt de griffier het dossier met bekwame spoed over te dragen aan de handelsgriffie van de locatie Almelo;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.