RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/345851 / FA RK 26-604
Beschikking van 30 september 2026
in de zaak van
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. H.A. From uit Zwolle,
en
[verweerster] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
verweerster,
advocaat mr. T.R. Oude Veldhuis uit Hengelo.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van mr. From, ontvangen op 11 maart 2026;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van mr. Oude Veldhuis, ontvangen op 4 augustus 2026;
- een op 6 augustus 2026 ontvangen bericht met bijlage van mr. From;
- een op 17 augustus 2026 ontvangen bericht met bijlagen van mr. From.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de raad.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover op 12 augustus 2026 een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn gehuwd geweest. Tijdens het huwelijk is het nu nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
De vader en de moeder zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] woont bij haar vader.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 december 2024 onder punt 4.1 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] vastgesteld:
Wekelijkse definitieve omgangsregeling:
[minderjarige 1] heeft een omgangsregeling bij haar moeder op donderdagmiddag uit school.
Moeder haalt [minderjarige 1] op bij school en brengt [minderjarige 1] terug naar haar school.
[minderjarige 1] fietst zelf terug naar het huis van haar vader.
Vader draagt zorg voor een goede fiets én goede fietsverlichting voor [minderjarige 1] , wanneer zij in het donker terug naar huis fietst na de omgang met moeder.
De omgang duurt van 14:45 uur (einde schooldag) tot 19:00 uur.
Uitzondering op de vaste wekelijkse omgangsregeling:
In de voorjaarsvakantie, meivakantie, zomervakantie, herfstvakantie en kerstvakantie (schoolvakanties) zijn de tijden van de omgangsregeling tussen moeder en [minderjarige 1] :
Op donderdag van 09:00 uur tot 19:00 uur.
De afspraken over halen en brengen van [minderjarige 1] blijven hetzelfde:
* Moeder haalt [minderjarige 1] op bij school en brengt [minderjarige 1] terug naar haar school.
* [minderjarige 1] fietst zelf terug naar het huis van haar vader.
* Vader draagt zorg voor een goede fiets én goede fietsverlichting voor [minderjarige 1] , wanneer zij in het donker terug naar huis fietst na de omgang met moeder.
Bij vonnis van 1 september 2025 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank is de vader veroordeeld:
- tot nakoming van de zorg- en contactregeling zoals is vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 3 december 2024;
- om aan de moeder een dwangsom te betalen van € 500,- per keer dat hij niet aan de uitgesproken veroordeling (het nakomen van de zorg- en contactregeling) voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt.
De vader is van voornoemd vonnis van 1 september 2025 in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 2 december 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voornoemde vonnis bekrachtigd.
Bij beschikking van 15 april 2026 (zaaksnummer C/08/345917 FARK 26-629) heeft de rechtbank het verzoek van de vader om bij wijze van voorlopige voorziening de zorgregeling zoals deze is vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 3 december 2024 op te schorten, afgewezen.
3 Het verzoek
De vader verzoekt in deze procedure de rechtbank bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een bijzondere curator te benoemen;
- te bepalen, met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 3 december 2024, dat [minderjarige 1] naar eigen inzicht bij de moeder verblijft, dan wel een regeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- subsidiair te bepalen dat de raad onderzoek doet naar hoe de zorgregeling eruit moet zien en in dat kader naar de mogelijkheden van al dan niet herstel van de zorgregeling, dan wel een beschermingsonderzoek, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- voor recht te verklaren dat de vader geen dwangsommen zal verbeuren op grond van het vonnis in kort geding van 1 september 2025 van deze rechtbank en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 december 2025.
De vader heeft het laatste deel van zijn verzoek (de verklaring voor recht) ter zitting van 18 augustus 2026 ingetrokken. Dit betekent dat de rechtbank op dit deel van het verzoek niet meer hoeft te beslissen.
De vader licht zijn standpunt als volgt toe. De vader heeft het afgelopen jaar bij voortduring van alles geprobeerd om [minderjarige 1] te motiveren om de geldende zorgregeling te hervatten, maar [minderjarige 1] weigert naar haar moeder te gaan. De vader weet niet meer hoe hij zijn dochter ertoe kan brengen om weer contact met haar moeder te krijgen. Binnenkort heeft de vader het maximale bedrag aan dwangsommen verbeurd en dat is een financiële strop voor het gezin van de vader. Nog een dwangsom in de huidige omstandigheden is niet effectief en niet proportioneel.
De vader stelt dat er een wijziging van omstandigheden is sinds de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2025. Die wijziging bestaat eruit dat:
- [minderjarige 1] op 18 november 2025 in het gesprek met het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) besloot geen contact meer met haar moeder te willen hebben. Daarvóór dacht zij nog na over op welke wijze het contact kon plaatsvinden;
- op 6 januari 2026 [minderjarige 1] bij het CJG heeft verteld dat het beter met haar gaat sinds haar besluit om niet meer naar haar moeder te gaan;
- de school bevestigt aan het CJG (januari 2026) dat het beter gaat met [minderjarige 1] . Zo ziet de school geen gedragsverandering meer rond de donderdag;
- het CJG op 3 februari 2026 aan de ouders teruggekoppeld heeft dat [minderjarige 1] tevreden is met hoe het nu gaat, rust ervaart en minder behoefte heeft om te praten. Het CJG heeft besloten het traject af te sluiten.
De vader stelt dat door deze wijziging van omstandigheden van hem niet langer verlangd kan worden dat hij de eerder vastgestelde zorgregeling nakomt. Die zorgregeling moet worden aangepast zoals de vader verzoekt. Voor contactherstel is nodig dat er een gesprek tussen [minderjarige 1] en een derde, zoals een bijzondere curator plaatsvindt.
4 Het verweer tevens zelfstandig verzoek
De moeder refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over de verzoeken van de vader tot de benoeming van een bijzondere curator voor [minderjarige 1] en tot een raadsonderzoek. De moeder vraagt de overige verzoeken van de vader af te wijzen. Daarnaast verzoekt de moeder de rechtbank:
- Primair:
te bepalen dat de vader aan de moeder met ingang van 3 september 2026 een dwangsom dient te betalen van € 500,- per keer, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, voor iedere keer dat hij de zorg- en contactregeling zoals vastgelegd in de beschikking d.d. 3 december 2024 niet nakomt, met een maximum van € 50.000,-;
- Subsidiair:
te bepalen dat de vader aan de moeder een dwangsom dient te betalen van € 500,- per keer, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, voor iedere keer dat hij de zorg- en contactregeling zoals wordt vastgelegd c.q. bepaald in de nader te wijzen beschikking niet nakomt, met een maximum van € 50.000,-.
De moeder licht haar verzoek als volgt toe. De vader heeft in de afgelopen jaren, ondanks de verschillende rechterlijke uitspraken, [minderjarige 1] zo beïnvloed dat zij geen keuze meer mag maken om naar haar moeder te gaan. [minderjarige 1] zit klem tussen haar ouders en is niet in staat zelf te bepalen wanneer zij naar haar moeder gaat. De moeder vermoedt dat de vader bewust niet meewerkt aan de eerdere veroordelingen. Volgens de moeder waren de door de vader genoemde omstandigheden bij de eerdere rechterlijke beslissingen al bekend. Deze zijn toen al meegewogen in de beoordeling. De moeder vraagt zich af in hoeverre de vader zich aan een eventueel advies van een bijzondere curator of de raad zal houden. De eerdere dwangsom is onvoldoende prikkel geweest om de vader ertoe te brengen [minderjarige 1] naar de moeder te sturen. Daarom verzoekt de moeder opnieuw een dwangsom op te leggen.
De moeder weet niet hoe het op dit moment met [minderjarige 1] gaat. Van de vader ontvangt zij heel summier informatie over [minderjarige 1] . De moeder herkent in de wijze van informatievoorziening de bedoeling van de vader. Ook [minderjarige 1] ’s 15-jarige broer [minderjarige 2] heeft eerder aangegeven geen contact meer met de moeder te willen hebben waarna de moeder steeds minder informatie van de vader over [minderjarige 2] ontving. De moeder heeft geen contact meer met [minderjarige 2] en de andere twee, nu meerderjarige, kinderen. Haar oudste zoon heeft ze inmiddels zes jaar niet meer gezien.
5 Het gesprek met [minderjarige 1]
De rechter heeft met [minderjarige 1] over de verzoeken in deze procedure gesproken. Ze heeft verteld dat er niet naar haar geluisterd wordt en dat ze niet meer naar de moeder wil in verband met wat er in het verleden is gebeurd. [minderjarige 1] heeft daarbij het voorbeeld gegeven van een dreigende houding van de moeder met een mes en wapen. [minderjarige 1] heeft verteld dat ze met haar vader niet specifiek gesprekken heeft over haar moeder. Haar vader vraagt op donderdagen wel of ze niet eens naar haar moeder moet. [minderjarige 1] heeft verteld dat ze dan niet gaat en dat haar vader dan ‘doordrukt’. Ze zegt dat ze er als een berg tegen opziet om naar haar moeder toe te gaan en dat daar niets aan te doen is. Ze zegt het niet te zien zitten om bijvoorbeeld eerst een keer een half uur te wandelen met haar moeder of ergens wat te gaan drinken. [minderjarige 1] kan zich niet herinneren dat zij een tijdje geleden een brief van de rechter heeft gekregen. [minderjarige 1] zegt dat haar mening los staat van de mening van haar broers.
6 De raad
De raad heeft [minderjarige 1] in deze procedure niet gesproken, zodat de raad niet kan inschatten in hoeverre de houding van [minderjarige 1] dat zij geen contact met de moeder wil, voortkomt uit haar eigen ervaring(en) met de moeder of voortkomt uit het klem zitten tussen haar ouders. Voor de raad is het duidelijk dat doorgaan op de oude weg niets zal veranderen. Een dwangsom is iets tussen de ouders. Bij [minderjarige 1] zal daardoor niet de wil ontstaan om naar haar moeder te gaan. De raad schat in dat de inzet van een onafhankelijke derde goed zal zijn als het jongerengesprek de rechter onvoldoende inzicht heeft gegeven in de mening van [minderjarige 1] . De raad adviseert in dat geval een bijzondere curator te benoemen die meerdere gesprekken met [minderjarige 1] kan voeren en een afweging kan maken in hoeverre haar mening authentiek is en wat het beste voor [minderjarige 1] is.
7 De beoordeling
Ontvankelijkheid
De rechtbank kan de geldende zorgregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank oordeelt dat er wel sprake is van een wijziging van omstandigheden zodat de vader kan worden ontvangen in zijn verzoek. Na vaststelling van de zorgregeling op 3 december 2024, ziet [minderjarige 1] sinds 10 juli 2025 de moeder niet meer en heeft [minderjarige 1] op 18 november 2025 tegen het CJG gezegd dat zij geen contact meer met de moeder wil.
Benoeming bijzondere curator
Artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt -voor zover hier van belang- het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
De rechter zag in het jongerengesprek een gesloten houding bij [minderjarige 1] . De rechtbank houdt er daarom rekening mee dat het mogelijk is dat [minderjarige 1] zich niet volledig vrij heeft gevoeld haar werkelijke en/of volledige mening aan de rechter te geven, wat mogelijk voortkomt uit een loyaliteitsconflict. Gebleken is dat zich in deze procedure met betrekking tot [minderjarige 1] een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet, welke strijd zich toespitst op de zorg- en contactregeling van [minderjarige 1] met de moeder. Ook is gebleken dat er in het verleden een periode is geweest waarin [minderjarige 1] tegenstrijdige signalen liet zien als het gaat om haar wens en behoefte om al dan niet contact te hebben met de moeder. Daarom heeft de rechtbank behoefte aan nadere informatie over de authenticiteit van de verklaring van [minderjarige 1] dat zij geen contact wil met de moeder. Een bijzondere curator kan door meerdere gesprekken te voeren met [minderjarige 1] , en zo nodig met andere personen indien de bijzondere curator inschat dat dit belangrijke informatie oplevert, daar nader onderzoek naar doen. Ook kan een bijzondere curator onderzoek doen naar de vraag of contactherstel tussen [minderjarige 1] en de moeder in het belang is van [minderjarige 1] (bijvoorbeeld voor haar identiteitsontwikkeling), en zo ja, wat daarvoor nodig is.
De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige 1] dat er een bijzondere curator wordt benoemd en dat deze:
- de belangen van [minderjarige 1] behartigt;
- tracht inzicht te krijgen in de oorzaak van de weerstand die [minderjarige 1] laat zien ten opzichte van (het contact met) de moeder;
- onderzoekt wat de werkelijke wensen en behoeften zijn van [minderjarige 1] ten aanzien van het contact met de moeder;
- kan adviseren of contactherstel tussen [minderjarige 1] en de moeder in het belang is van [minderjarige 1] , en zo ja, wat daarvoor nodig is;
- kan bezien in hoeverre een wijziging van de zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] moet worden geacht en hoe de zorgregeling er bij een wijziging zou moeten uitzien.
Mr. J.E. Bruning te Zwolle ( [adres] ) is bereid gevonden om in deze procedure op te treden als bijzondere curator en zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd.
De bijzondere curator vertegenwoordigt de minderjarige en zal daarom uitsluitend haar belangen behartigen. De rechtbank zal de bijzondere curator vragen een verslag van bevindingen te maken, daarin een standpunt in te nemen ten aanzien van de verzoeken over de zorgregeling en daarbij in te gaan op de hiervoor genoemde punten.
In het verslag dient te worden aangegeven met welke personen contact is opgenomen en op welke wijze de bijzondere curator contact heeft gehad met de minderjarige.
Voorts verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen.
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator het verslag binnen acht weken in vijfvoud in te dienen bij de rechtbank.
De rechtbank zal de behandeling van de verzoeken voor het overige aanhouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator.
De rechtbank wijst de ouders er op dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven.
Tegen de beslissing tot benoeming van een bijzondere curator kan geen hoger beroep worden ingesteld, nu er sprake is van een tussenbeslissing als bedoeld in artikel 258, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.
8 De beslissing
De rechtbank:
- benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , mr. J.E. Bruning, kantoorhoudende te Zwolle aan de [adres] .
- bepaalt dat de kosten van de bijzondere curator ten laste komen van ’s Rijks kas;
- verzoekt de bijzondere curator binnen acht weken na heden, te weten uiterlijk woensdag 25 november 2026, aan de rechtbank schriftelijk verslag te doen zoals is overwogen in rechtsoverwegingen 7.4. en verder, onder vermelding van bovengenoemd zaaknummer, met afschrift aan de vader en de moeder;
- bepaalt dat de bijzondere curator haar declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van bovengenoemd zaaknummer;
- bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken inclusief de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW toestuurt aan de bijzondere curator;
- houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van voornoemd verslag.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026, in aanwezigheid van mr. E.R. van Schaik als griffier. |
||