ECLI:NL:RBOVE:2026:4340

Datum uitspraak
08-07-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/08/348463 / HA ZA 26-188
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering betaling geldsom wegens onverschuldigde betaling (primair). Gedaagde heeft werkzaamheden verricht en stuurt daarvoor facturen zonder dat is overeengekomen dat voor die werkzaamheden zou worden betaald. BIK en rente toewijsbaar.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/348463 / HA ZA 26-188

Vonnis van 8 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. J.J. Bakker,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

niet verschenen.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- het tegen [gedaagde] verleende verstek.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1

[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

2.2

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De rechtbank acht de gevorderde vergoeding redelijk. Daarom zal een bedrag van € 1.095,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.

2.3

[eiser] maakt aanspraak op de wettelijke rente. De wettelijke rente is echter niet toewijsbaar vanaf de door [eiser] gevorderde data van de afzonderlijke transacties. [eiser] heeft verder niets gesteld of onderbouwd ten aanzien van het verzuim van [gedaagde] tot betaling van deze bedragen. De rechtbank stelt vast dat [eiser] [gedaagde] eerst per brief van 11 november 2025 tot terugbetaling heeft aangemaand binnen een termijn van veertien dagen. De rechtbank zal de wettelijke rente over dit bedrag daarom toewijzen vanaf 26 november 2025, aangezien [gedaagde] op die datum in verzuim is geraakt door niet binnen de hem gestelde termijn te betalen.

2.4

[eiser] vordert een vergoeding voor de werkelijke proceskosten. Alleen in bijzondere omstandigheden, in het geval van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure door een van de partijen, kan een dergelijke vergoeding worden toegekend. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid. [eiser] heeft geen omstandigheden gesteld die daarop zien. De primaire vordering ten aanzien van de proceskosten wordt daarom afgewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de proceskosten (inclusief nakosten) in overeenstemming met het liquidatietarief.

2.5

De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.

De proceskosten

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

157,50

- griffierecht

€

1.414,00

- salaris advocaat

€

836,00

(1 punt × € 836,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.596,50

2.6

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 32.136,54 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 26 november 2025 tot de dag van volledige betaling,

3.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.095,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis,

3.4

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.596,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.5

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis,

3.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »