RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11867706 \ CV EXPL 25-2625
Verstekvonnis van 7 juli 2026
in de zaak van
STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,
te Rijswijk,
eisende partij,
hierna te noemen: het Waarborgfonds,
gemachtigde: PVU Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
zonder bekende woon en/of verblijfplaats,
niet verschenen,
gedaagde partij,
hierna samen te noemen: [gedaagde].
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Het Waarborgfonds heeft naast [gedaagde] ook [naam 1] en [naam 2]. Zij zijn wel verschenen en hebben tijdens de mondelinge behandeling een schikking getroffen met het Waarborgfonds ter beëindiging van hun geschil.
Ten slotte is vonnis bepaald tegen [gedaagde].
2 De beoordeling
Het Waarborgfonds heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Kort gezegd vordert het Waarborgfonds betaling van € 2.538,86. [gedaagde] heeft volgens het Waarborgfonds een aanrijding veroorzaakt met een onverzekerde brommer. De schade aan het andere bij de aanrijding betrokken voertuig, heeft het Waarborgfonds vergoed. Het Waarborgfonds heeft gedaagden in deze procedure hoofdelijk aangesproken tot vergoeding van de schade.
De kantonrechter zal een verstekvonnis wijzen tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde]. Als in een zaak sprake is van meerdere gedaagden, van wie tenminste één in het geding is verschenen, geldt dat tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Rv.). Artikel 140 lid 3 Rv. is niet van toepassing in een geval waarin de verschenen gedaagden, voordat het eindvonnis wordt gewezen, niet langer aan de procedure deelnemen. Bijvoorbeeld doordat ten aanzien van hen een schikking is bereikt. In dat geval zal tegen de niet verschenen gedaagde een verstekvonnis worden gewezen.1
Zoals hiervoor is vermeld heeft het Waarborgfonds met de wel verschenen gedaagden een overeenkomst ter beëindiging van hun geschil gesloten. Dit betekent dat tussen het Waarborgfonds en de niet verschenen gedaagde [gedaagde] geen vonnis op tegenspraak wordt gewezen, maar een verstekvonnis.
Bij een verstekvonnis wordt het gevorderde toegewezen tenzij de vordering de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
De gevorderde wettelijke rente is op grond van de wet niet toewijsbaar over al berekende rente voor zover deze niet over een geheel jaar verschuldigd is.
De hoofdsom komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, Dat betekent dat in beginsel het bedrag van € 2.538,86 kan worden toegewezen. Het Waarborgfonds heeft gesteld dat sprake is van hoofdelijke verbondenheid voor de schadevergoeding tussen de gedaagde partijen in deze procedure. Deze gestelde hoofdelijke verbondenheid (in plaats van aansprakelijkheid voor gelijke delen) komt ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit zal in de beslissing tot uitdrukking worden gebracht door [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de gehele openstaande hoofdsom met rente, tenzij en voor zover [gedaagde] voor die betalingsverplichting reeds is bevrijd wegens (gedeeltelijke) nakoming door een hoofdelijk medeschuldenaar.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Waarborgfonds worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
169,96 |
|
|
- griffierecht |
€ |
514,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
253,00 |
(1 punt × € 253,00) |
|
- nakosten |
€ |
126,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.063,46 |
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Waarborgfonds te betalen een bedrag van € 2.538,86, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.517,94, met ingang van 23 juli 2024, tot de dag van volledige betaling, tenzij en voor zover gedaagde partij [gedaagde] voor deze betalingsverplichting reeds is bevrijd wegens (gedeeltelijke) nakoming door een hoofdelijk medeschuldenaar,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.063,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.