RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12107697 \ CV EXPL 26-583
Vonnis in kort geding van 14 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in [vestigingsplaats],
eisende partij, hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. J.L.F. [naam],
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [gedaagde],
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2 De feiten
[gedaagde] exploiteert een snackbar. Zij heeft food en non-food producten bij [eiseres] gekocht en [eiseres] heeft deze geleverd.
[gedaagde] heeft een achterstand in de betalingen aan [eiseres] laten ontstaan.
3 Het geschil
[eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen om een bedrag van € 9.956,52 inclusief btw aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en met de buitengerechtelijke incassokosten van € 872,83 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente.
[gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt voorop dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid is geboden. Om een geldvordering in kort geding te kunnen toewijzen is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiser het geldbedrag niet kan terugbetalen voor het geval dat hij in een eventuele bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
[gedaagde] heeft erkend dat zij een betalingsachterstand heeft. Dat blijkt ook uit de door [eiseres] overgelegde Whatsappberichten. [gedaagde] heeft een aanvraag voor schuldhulpverlening gedaan. Wel heeft [gedaagde] aangevoerd dat de betalingsachterstand € 7.755,38 bedraagt in plaats van € 9.956,52. De heer [naam], directeur van [eiseres], heeft dat ter zitting echter voldoende bestreden door toe te lichten dat hij in het kader van onderhandelingen met [gedaagde] heeft aangegeven dat hij met een lager bedrag genoegen wilde nemen om deze procedure te voorkomen. Nu de achterstand niet is betaald en [eiseres] deze procedure heeft moeten starten, geldt dat aanbod niet meer, aldus [eiseres]. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast komen te staan dat [gedaagde] een bedrag van € 9.956,52 aan [eiseres] verschuldigd is.
[eiseres] heeft het spoedeisend belang bij de vorderingen voldoende onderbouwd. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] financiële problemen heeft en wanneer [eiseres] de uitkomst van een bodemprocedure moet afwachten, wordt de kans op voldoening van de vordering steeds kleiner. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit spoedeisend belang, in combinatie met het voldoende vast staan van de vordering op [gedaagde] en het – onweersproken – ontbreken van een restitutierisico aan de zijde van [eiseres] voldoende om de vordering van [eiseres] toe te wijzen. [gedaagde] zal worden veroordeeld om een bedrag van € 9.956,52 aan [eiseres] te betalen.
Omdat [gedaagde] niet (tijdig) heeft betaald, moet zij over dit bedrag rente betalen. [gedaagde] handelt in de uitoefening van haar bedrijf, dus de wettelijke handelsrente is van toepassing. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag van volledige betaling van de facturen.
Ook de buitengerechtelijke incassokosten komen voor toewijzing in aanmerking, nu [eiseres] voldoende heeft onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en de gevorderde kosten van € 872,83 exclusief btw overeenkomen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat de handelsrente niet van toepassing is op betaling van buitengerechtelijke incassokosten (een vorm van schadevergoeding). De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal wel worden toegewezen, zoals gevorderd vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
[gedaagde] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiseres] betalen. Deze worden begroot op:
kosten dagvaarding € 126,46
griffierecht € 559,00
salaris gemachtigde € 577,00
nakosten € 144,00
totaal € 1.406,46
De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten zal worden afgewezen, omdat de handelsrente niet van toepassing is op de betaling van proceskosten. De wettelijke rente over de proceskosten zal wel worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 9.956,52 inclusief btw aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de datum van de respectievelijke vervaldata van de facturen tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 872,83 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.406,46, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door mr. D.N.R. Wegerif op 14 april 2026.(SB)