ECLI:NL:RBOBR:2026:7225

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
26/1156
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Te laat bezwaar. Dienst Toeslagen heeft niet volgens zijn eigen Beleid procesrecht herstel toeslagen gehandeld. Op grond van dat beleid had Dienst Toeslagen eiseres de termijnoverschrijding niet mogen tegenwerpen. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dienst Toeslagen moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/1156 PV

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),

en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: M. Omari en E.G. Angela).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve beschikking over de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag van eiseres. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dienst Toeslagen heeft haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 30 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking van 15 juli 2024 over de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag.

2.1.

Met het bestreden besluit van 13 maart 2026 heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.1 Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.2 Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden of uitgereikt. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.3

3.1.

Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.4

3.2.

Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende bevoegdheid.5 Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor en of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.6

De standpunten van partijen

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres te laat bezwaar heeft gemaakt. Eiseres heeft voor het te laat indienen van haar bezwaarschrift als reden gegeven dat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot het maken van bezwaar. Ze stelt ook niet te hebben geweten dat ze hiervoor een advocaat kon inschakelen. Eiseres betoogt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat de toeslagenaffaire als zodanig een bijzondere omstandigheid vormt.

4.1.

Eiseres voert aan dat Dienst Toeslagen ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Volgens eiseres hanteert Dienst Toeslagen in diverse andere bezwaarschriftprocedures binnen de toeslagenaffaire het beleid dat de toeslagenaffaire als zodanig een bijzondere omstandigheid vormt die een termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Eiseres stelt dat het niet zo kan zijn dat deze omstandigheid in het ene geval wel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en in het andere geval niet. Een dergelijke handelwijze is volgens haar in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Volgens eiseres wordt met het formulier van Dienst Toeslagen het standaardbeleid inzake de verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaarschriften nog eens bevestigd.

4.2.

Dienst Toeslagen verwijst in het verweerschrift naar het gewijzigd beleid dat op 10 juli 2024 is ingevoerd.7 Daarmee wordt in alle Wht8-procedures een ruimere bezwaartermijn gehanteerd, maar strikter gehandhaafd. Dienst Toeslagen stelt dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel of het verbod op willekeur, omdat het in de gevallen waar eiseres naar verwijst besluiten betreft die onder het oude beleid zijn genomen.

De beslissing van de rechtbank

5. De rechtbank toetst of Dienst Toeslagen volgens zijn eigen beleid heeft gehandeld. Het Beleid procesrecht herstel toeslagen (Bpht) is op 10 juli 2024 in werking getreden. In deze beleidsregels is onder andere neergelegd op welke wijze termijnen voor het indienen van bezwaarschriften worden gehandhaafd. Uit het beleid volgt dat er in de bezwaarclausule uitdrukkelijk op moet worden gewezen dat overschrijding van de bezwaartermijn in ieder geval niet wordt tegengeworpen als het bezwaarschrift binnen tien weken na het verstrijken van de bezwaartermijn is ingediend.9 Daarnaast moet een belanghebbende gewezen worden op de mogelijkheid om pro forma bezwaar te maken en op de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring bij te late indiening van het bezwaar.10 Het UHT11 werpt een termijnoverschrijding niet tegen als een belanghebbende niet gewezen is op de termijn van tien weken, tenzij het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend.12 Uit het beleid volgt dat een bezwaarschrift niet als onredelijk laat ingediend wordt beschouwd als de beschikking na 31 december 2023 is afgegeven en binnen een jaar volgend op de dagtekening van de beschikking bezwaar is gemaakt.13

5.1.

De rechtbank stelt vast dat in de bezwaarclausule van het besluit van 15 juli 2024 slechts is opgenomen dat eiseres bezwaar kan maken tot 27 augustus 2024. Dienst Toeslagen heeft eiseres er niet op gewezen dat een termijnoverschrijding van tien weken haar niet zou worden tegengeworpen. Ook is ze niet gewezen op de mogelijkheid om pro forma bezwaar te maken. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten van artikel 3.4., eerste lid, van het Bpht. De beschikking waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt, is afgegeven op 15 juli 2024. Dat is na 31 december 2023. Eiseres heeft binnen een jaar na dagtekening van de beschikking, te weten op 30 maart 2025, bezwaar gemaakt. De rechtbank concludeert daarom dat Dienst Toeslagen eiseres de termijnoverschrijding op grond van zijn eigen beleid niet had mogen tegenwerpen. Haar bezwaar is dan ook onterecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.2.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Aan de overige beroepsgronden komt de rechtbank daarom niet toe.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiseres onterecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat Dienst Toeslagen een nieuw besluit moet nemen en inhoudelijk op het bezwaar van eiseres moet beslissen.14

6.1.

Omdat het beroep gegrond is, moet Dienst Toeslagen het griffierecht van € 54,- aan eiseres vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

6.2.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt Dienst Toeslagen op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;

  • veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Maas, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Beleid procesrecht herstel toeslagen

Artikel 3.4

1. UHT hanteert in bezwaarclausules de volgende uitgangspunten:

  1. De overschrijding van de in artikel 6:7 bedoelde bezwaartermijn van zes weken wordt in ieder geval niet tegengeworpen als het bezwaarschrift binnen tien weken na het verstrijken van de bezwaartermijn is ingediend, belanghebbende wordt uitdrukkelijk op die termijn gewezen;

  2. UHT wijst belanghebbende tevens op de mogelijkheid om pro forma bezwaar te maken en pas later de gronden aan te vullen, alsmede dat te late indiening van het bezwaar kan leiden tot niet-ontvankelijk verklaring.

2. Als belanghebbende niet is gewezen op de in het eerste lid bedoelde termijn, dan werpt UHT een termijnoverschrijding niet tegen, tenzij het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend.

3. De UHT beschouwt een bezwaar niet als onredelijk laat ingediend als het bezwaarschrift uiterlijk 31 december 2024 is ingediend, dan wel, indien de beschikking is afgeven na 31 december 2023, binnen een jaar volgend op de dagtekening van de beschikking;

4. UHT beschouwt een bezwaar als onredelijk laat ingediend als de indiening pas plaatsvindt nadat de besluitvorming op een aanvraag om het vergoeden van aanvullende werkelijke schade en een eventueel daarop volgend bezwaar is afgerond of als anderszins vergoeding van de werkelijke schade heeft plaatsgevonden. De in het derde lid bedoelde termijn is in dat geval niet van toepassing.

5. Als UHT niet reeds op grond van voorgaande leden niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar achterwege laat, beoordeelt UHT steeds of er sprake is van verschoonbare redenen om een termijnoverschrijding achterwege te laten. UHT stelt de indiener van het bezwaar in de gelegenheid om bijzondere omstandigheden aan te voeren omtrent de verschoonbaarheid, overeenkomstig de in artikel 3.3, eerste lid, onder a bedoelde termijn.

6. UHT betrekt bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in ieder geval de situatie dat er door UHT niet reeds tijdens de integrale beoordeling desgevraagd een ouderdossier is verstrekt en er binnen zes weken bezwaar wordt gemaakt na het alsnog verstrekken van dat dossier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »