RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/2567
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de invorderingsambtenaar van de gemeente Eindhoven.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het dwangbevel van 5 mei 2026.
Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat eiser is opgekomen tegen (de hoogte van) het dwangbevel van 5 mei 2026.
3. De rechtbank overweegt als volgt. De invordering van een naheffingsaanslag parkeerbelastingen kan plaatsvinden door middel van een dwangbevel dat wordt uitgevaardigd door de ontvanger, in dit geval de invorderingsambtenaar van de gemeente Eindhoven.1 Tegen besluiten genomen op grond van de IW staat bij de fiscale bestuursrechter geen bezwaar of beroep open, met uitzondering van de besluiten bedoeld in de artikelen 30, 49 en 62a van die wet.2 Een dwangbevel valt niet onder deze uitzonderingen. Tegen een dwangbevel staat daarom geen bezwaar en beroep open. Voor zover het gaat om de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, kan eiser de civiele rechter inschakelen op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.3
4. De (fiscale) bestuursrechter van de rechtbank is kennelijk onbevoegd kennis te nemen van het beroep van eiser. De rechtbank zal het beroep daarom niet inhoudelijk behandelen. Dit is aan eiser ook bij brief van 8 september 2026 meegedeeld.
5. Aangezien de rechtbank onbevoegd is, zal aan de griffier worden opgedragen het griffierecht terug te betalen aan eiser.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.