ECLI:NL:RBOBR:2026:6010

Datum uitspraak
12-05-2026
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12172667 CV EXPL 26-2852
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het betreft een executiegeschil tegen de aangezegde ontruiming van een coffeeshop in Eindhoven.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 12172667 \ CV EXPL 26-2852

Vonnis in kort geding van 12 mei 2026

in de zaak van

1 [eiseres 1] V.O.F.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,2. [eiser 2], vennoot van [eiseres 1] v.o.f.,

wonend in [woonplaats] , [land] ,3. [eiser 3], vennoot van [eiseres 1] v.o.f.,

wonend in [woonplaats] ,

eisers,

hierna samen te noemen: [eiseres 1] ,

gemachtigde: mr. B. Coskun,

tegen

1 [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2],

beiden wonend in [woonplaats] , [land] ,

gedaagden,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

gemachtigde: mr. R.G.M. Michels.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de dagvaarding van 8 april 2026 met 8 bijlagen.

1.2.

Op 16 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Daarbij was namens [eiseres 1] de heer [eiser 2] aanwezig, bijgestaan door mr. Coskun voornoemd. Namens [gedaagden] is de heer [gedaagde 1] verschenen, bijgestaan door mr. Michels voornoemd. Ook de heer [A] , zijnde de zoon van [gedaagden] en de broer van de heer [eiser 2] , was bij de mondelinge behandeling aanwezig. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [gedaagden] spreekaantekeningen overgelegd en voorgelezen.

1.3.

Aan het einde van de mondelinge behandeling is aan partijen meegedeeld dat en wanneer het vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

[eiseres 1] huurt van [gedaagden] zowel een bedrijfsruimte als een daarboven gelegen (niet als zodanig in gebruik zijnde) woonruimte, gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] (hierna: het gehuurde). Daartoe zijn partijen op 1 juni 2008 twee huurovereenkomsten met elkaar aangegaan.

2.2.

Bij vonnis van 4 december 2025 (zaaknummer 11540149 CV EXPL 25-1119) (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter van deze rechtbank de huurovereenkomsten aangaande het gehuurde ontbonden en [eiseres 1] veroordeeld om het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Ook is [eiseres 1] veroordeeld tot betaling van een aantal bedragen aan [gedaagden]

2.3.

Voornoemd vonnis is op 16 maart 2026 aan [eiseres 1] betekend.

2.4.

[eiseres 1] heeft van voornoemd vonnis hoger beroep aangetekend bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiseres 1] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

  • [gedaagden] veroordeelt om te gehengen en te gedogen dat [eiseres 1] het gehuurde blijft huren, gebruiken en exploiteren, in ieder geval hangende het hoger beroep tussen [eiseres 1] en [gedaagden] , onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per dag dat [gedaagden] hiermee in strijd zal handelen;

  • [gedaagden] verbiedt een ontruiming doorgang te laten vinden hangende het hoger beroep, onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per dag dat [gedaagden] hiermee in strijd zal handelen;

  • vonnis wijst ex artikel 3:300 BW waarin [eiseres 1] toestemming wordt verleend door [gedaagden] om de rechten en verplichtingen onder de huurovereenkomst onder dezelfde voorwaarden voort te zetten hangende het hoger beroep, waarbij dit vonnis ex artikel 3:300 BW de toestemming en instructie namens [gedaagden] zal behelzen om de huurrelatie tussen [eiseres 1] en [gedaagden] aan te tonen richting diverse instanties;

  • [gedaagden] veroordeelt in de proceskosten, onder de bepaling dat indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente is verschuldigd;

  • [gedaagden] veroordeelt in de nakosten van € 199,-, voor het geval [gedaagden] niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen na betekening aan het te dezen te wijzen vonnis heeft voldaan.

3.2.

[eiseres 1] legt aan de vordering, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

[eiseres 1] huurt de bedrijfsruimte en de woonruimte sinds 1 januari 1998 van [gedaagden] In de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 december 2024 heeft zij geen enkele achterstand gehad in de betaling van de huur. Aan de procedure die eerder bij de kantonrechter is gevoerd, ligt een familieruzie ten grondslag. De kantonrechter heeft de huurovereenkomsten ontbonden wegens tekortkomingen, zonder acht te slaan op de lange voorgeschiedenis en de aard van de achterstand (zijnde een discussie rondom het wel of niet van toepassing zijn van indexeringen en de vraag of [eiseres 1] de herstelkosten van lekkages mocht verrekenen met de door haar uitgevoerde herstelwerkzaamheden; de kantonrechter begrijpt dat [eiseres 1] doelt op verrekening van de kosten van door haar uitgevoerde lekkageherstelwerkzaamheden met de huurpenningen). [eiseres 1] heeft in die procedure per abuis geen beroep gedaan op de mogelijkheid van de wettelijke ‘terme de grâce’. Ook heeft geen belangenafweging plaatsgevonden.

De belangen van [gedaagden] bij een spoedige ontruiming wegen minder zwaar dan de belangen van [eiseres 1] bij behoud van het gehuurde. Zo heeft [gedaagden] na het vonnis aan [eiseres 1] aangeboden om de huurrelatie voort te zetten, maar enkel als daar een vergoeding van € 10.000,- netto per maand tegenover zou staan, bovenop de huurprijs. Daaruit blijkt dat [gedaagden] de huurrelatie niet wilde beëindigen, maar juist wilde voortzetten tegen een fikse financiële vergoeding. Als de coffeeshop wordt ontruimd, verliest [eiseres 1] haar exploitatievergunning, nu deze vergunning persoons- en locatiegebonden is. Dat betekent dat [eiseres 1] na een ontruiming niet meer zal kunnen terugkeren op de locatie van het gehuurde en zij haar bedrijfsvoering zal verliezen. Nu [eiseres 1] van voornoemd vonnis in hoger beroep is gegaan, wenst zij de executie van het vonnis te schorsen totdat uitspraak is gedaan in dit hoger beroep. Dit vanwege de onomkeerbare gevolgen van een ontruiming.

3.3.

[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres 1] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Deze zaak kent een internationaal karakter nu [gedaagden] in [land] woonachtig is en [eiseres 1] gevestigd is Nederland. In de wet is bepaald dat geschillen die in verband met een executie van een door de kantonrechter afgegeven executoriale titel rijzen, moeten worden gebracht voor de kantonrechter die de executoriale titel heeft afgegeven.1 Het gaat in dit geval om een vordering tot schorsing van de executie van het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 4 december 2025. De kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant is daarom bevoegd om van dit executiegeschil kennis te nemen. Voor wat betreft de rechtsmacht en het toepasselijke recht verwijst de kantonrechter voor het overige naar hetgeen door de kantonrechter is overwogen in r.o. 4.1. en 4.2. van voornoemd vonnis.

De inhoudelijke beoordeling

4.2.

In een executiegeschil als het onderhavige is het uitgangspunt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als tegen die veroordeling een rechtsmiddel is of nog kan worden ingesteld. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde of nog in te stellen rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij tenuitvoerlegging daarvan.

4.3.

Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen de beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter wel in zijn oordeelsvorming kan betrekken de vraag of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag. Als de rechter zijn beslissing over de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad heeft gemotiveerd naar aanleiding van ter zake daartegen gevoerd verweer moet de eiser in een executiegeschil omtrent de voorgenomen tenuitvoerlegging, afgezien van het geval dat de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere (gemotiveerde) beslissing wordt afgeweken.2

4.4.

Het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 4 december 2025 is op vordering van [gedaagden] uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad is in de procedure bij de kantonrechter geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat de kantonrechter dit deel van de vordering ook zonder motivering kon en mocht toewijzen zonder daaraan specifieke overwegingen te wijden.

4.5.

Als een vonnis zonder motivering uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en tegen dat vonnis nog een rechtsmiddel open staat, zoals hier aan de orde, moet de rechter beoordelen of de omstandigheden van het geval meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand (hier: [eiseres 1] ) zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de tenuitvoerlegging van het vonnis (hier: [gedaagden] ). Bij die belangenafweging moet echter nog steeds worden uitgegaan van de inhoud van het vonnis en moet de kans van slagen van het rechtsmiddel buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan de rechter bij het oordeel betrekken of het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke misslag. Dat sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis van de kantonrechter is gesteld noch gebleken zodat dit hier verder niet aan de orde is.

4.6.

Ter onderbouwing van haar belang bij behoud van de bestaande toestand stelt [eiseres 1] dat zij bij een ontruiming haar exploitatievergunning voor het mogen exploiteren van een coffeeshop zal verliezen. Onweersproken heeft zij gesteld dat de exploitatievergunning van een coffeeshop persoons- en locatiegebonden is, zodat [gedaagden] de coffeeshop niet zelf kan exploiteren of de ruimte aan een andere coffeeshop kan verhuren en [eiseres 1] haar onderneming (de coffeeshop) ook niet (al dan niet tijdelijk) op een andere locatie kan voortzetten. Verder heeft zij tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat de gemeente [plaats] , binnen welke gemeente de coffeeshop zich bevindt, de locatie van de coffeeshop (midden in een woonwijk) niet geschikt vindt voor een dergelijke bedrijfsvoering, zodat te verwachten is dat de exploitatievergunning – als de coffeeshop na ontruiming niet kan worden voortgezet – niet opnieuw zal worden verleend. Ook heeft [eiseres 1] gesteld dat zij het gehuurde al 30 jaar van [gedaagden] huurt en zij zich altijd als goed huurder heeft gedragen.

4.7.

[gedaagden] heeft daartegenover gesteld dat zij belang heeft bij de tenuitvoerlegging van het vonnis. Zij stelt dat [eiseres 1] de huur nog steeds niet tijdig voldoet en dat [eiseres 1] pas ná betekening van het vonnis heeft voldaan aan hetgeen zij op grond daarvan al vanaf datum vonnis aan [gedaagden] moest betalen. [gedaagden] betwist dat sprake is van een ‘vlekkeloze’ huurgeschiedenis tot en met 2024; ook vóór 2024 heeft [eiseres 1] achterstanden laten ontstaan, maar voor de huurachterstand van voor 2020 is in de procedure bij de kantonrechter geen vordering ingediend omdat die vordering was verjaard. [gedaagden] wenst nog steeds tot ontruiming van het gehuurde over te gaan, ondanks de door haar gedane voorstellen die zij na het vonnis heeft gedaan om te komen tot een minnelijke oplossing. [eiseres 1] gedraagt zich als een slechte huurder; niet alleen door de structurele wanbetaling, maar ook de bedrijfsvoering van de coffeeshop laat ernstig te wensen over. Eind 2024 is een aan de gevel bevestigd explosief afgegaan bij het gehuurde en vennoot [eiser 2] raakt steeds vaker in hoogoplopende conflicten met relaties in de coffeeshopbranche. In de coffeeshop is het tot gewelddadige botsingen gekomen. Er is veel politie binnen geweest. Voorts is [eiser 2] doodsbedreigingen richting [gedaagden] gaan uiten, waarvan door [gedaagden] aangifte is gedaan. [gedaagden] wil niet opgezadeld blijven met een pandgebruiker, met wie de (familie)verhoudingen zijn verstoord en die zijn afspraken en verplichtingen niet nakomt en niet schroomt om [gedaagden] te bedreigen met de dood en met ernstige zaaksbeschadiging. [gedaagden] concludeert dat zijn belang om van [eiseres 1] als structureel wanpresterende huurder te worden verlost zwaarder weegt dan de positie waarin [eiseres 1] zich thans door eigen toedoen bevindt.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [eiseres 1] bij behoud van de bestaande toestand in dit geval zwaarder weegt dan het belang van [gedaagden] om tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan. Zoals hiervoor is overwogen is onweersproken door [eiseres 1] gesteld dat zij bij de tenuitvoerlegging van het vonnis, waarbij tot ontruiming van het gehuurde zal worden overgegaan, de exploitatievergunning voor haar coffeeshop zal verliezen. Dat heeft ermee te maken dat de exploitatievergunning persoons- en locatiegebonden is. De gemeente heeft inmiddels kennisgenomen van het vonnis, zoals ter zitting is verklaard, en is thans in afwachting van deze uitspraak in kort geding. Op het moment dat [eiseres 1] moet ontruimen en haar exploitatievergunning verliest, is – zo is onweersproken door [eiseres 1] gesteld – niet te verwachten dat de gemeente haar, bij een voor haar op het punt van ontbinding en ontruiming gunstige afloop van de huidige hoger beroep-procedure, voor dit adres opnieuw een exploitatievergunning zal verstrekken, nu de coffeeshop zich in een woonwijk bevindt en de gemeente heeft aangegeven die locatie niet geschikt te vinden voor een coffeeshop. Ook is het, gelet op de benodigde vergunningen, voor [eiseres 1] niet mogelijk om haar coffeeshop (tijdelijk) elders te huisvesten. De gevolgen voor [eiseres 1] bij een ontruiming zijn derhalve groot. Daar komt bij dat [gedaagden] enkel heeft gesteld dat zij belang heeft bij een spoedige ontruiming omdat [eiseres 1] zich als slecht huurder gedraagt. Vast staat echter dat [eiseres 1] de (geïndexeerde) huurprijs steeds aan [gedaagden] voldoet. Weliswaar betaalt zij de huur niet altijd tijdig, maar daar zal de kantonrechter hierna nog op terugkomen. Verder is door [gedaagden] gesteld dat zich in het gehuurde gewelddadigheden hebben voorgedaan, waarmee de kantonrechter begrijpt dat [gedaagden] een beroep doet op het begrijpelijk belang van openbare orde en veiligheid, ook voor de omgeving van het gehuurde. Die stelling heeft zij echter op geen enkele wijze onderbouwd. Dat zich in 2024 in het gehuurde een explosie heeft voorgedaan is weliswaar zeer ernstig te noemen, maar dit is geen omstandigheid die zich na het vonnis heeft voorgedaan en niet is komen vast te staan dat zich na dat voorval in 2024 nog andere dergelijke incidenten hebben voorgedaan.

De vorderingen van [eiseres 1]

4.9.

Tijdens de mondelinge behandeling is namens [eiseres 1] toegelicht dat zij met haar eerste en tweede vordering, waarin zij vordert om [gedaagden] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat [eiseres 1] het gehuurde mag blijven huren, gebruiken en exploiteren, in ieder geval hangende het hoger beroep én [gedaagden] te verbieden om een ontruiming doorgang te laten vinden hangende het hoger beroep, heeft bedoeld om schorsing van de executie van het vonnis van de kantonrechter van 4 december 2025 te vorderen. De kantonrechter zal de vordering daarom als zodanig beoordelen. De vordering tot schorsing van de executie richt zich tot de veroordeling tot ontruiming nu tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres 1] sowieso is gehouden tot nakoming van de veroordelingen tot betaling.

4.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wijst de kantonrechter de vordering tot schorsing van de executie van het vonnis toe, zoals hierna in het dictum staat vermeld.

4.11.

Voor zover door [gedaagden] is aangevoerd dat de vorderingen van [eiseres 1] moeten worden afgewezen vanwege een evidente schending van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), ziet de kantonrechter daartoe geen aanleiding. Door [eiseres 1] is gesteld dat [gedaagden] de kantonrechter onjuist zou hebben voorgelicht over de door [gedaagden] na het vonnis genomen stappen, zou [gedaagden] geen ontbinding van de huurovereenkomst wensen en heeft [eiseres 1] stellingen ingenomen waarbij zij heeft geïnsinueerd dat [gedaagden] [eiseres 1] zou willen ‘afpersen’ en ‘onder dwang laten tekenen bij het kruisje’ en dergelijke bewoordingen. Hoewel dit laatste – zoals terecht door de gemachtigde van [gedaagden] is opgemerkt – geen bewoordingen zijn die van een professioneel gemachtigde zouden mogen worden verwacht en niet volledig is weergegeven welke contacten na het vonnis tussen partijen hebben plaatsgevonden, maakt dit niet dat dit stellingen betreft die zodanig in strijd zijn met de waarheid dat de kantonrechter hieraan gevolgen moet verbinden (zoals het afwijzen van de vorderingen). Vast staat immers dat tussen partijen is onderhandeld over de voortzetting van de huurovereenkomst en welke voorwaarden daaraan dan zouden moeten verbonden. Dat [eiseres 1] daaruit deze conclusies trekt en daarbij bepaalde woorden in de mond neemt, is aan haar.

4.12.

De kantonrechter ziet wél aanleiding om aan voornoemde schorsing voorwaarden te verbinden. Tijdens de mondelinge behandeling is desgevraagd namens [eiseres 1] verklaard dat zij de huurtermijnen van het gehuurde nog steeds niet stipt voor of op de 1e dag van de maand aan [gedaagden] voldoet. Dat geldt in ieder geval voor de maanden oktober en november 2025 (voor het vonnis) en april 2026 (na het vonnis). Tussen partijen staat vast dat zij met elkaar hebben afgesproken dat de huur voor of op de eerste dag van de periode waarop de betalingen betrekking hebben volledig moet zijn voldaan (artikel 4.10 van de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte). Omdat [eiseres 1] kennelijk ook in het vonnis onvoldoende aanleiding heeft gezien om stipt aan die verplichting te voldoen, en [eiser 2] op de vraag van de kantonrechter waarom hij niet iedere maand tijdig betaalt antwoordde dat dat komt omdat hij “een druk leven” heeft (wat geen valide argument is voor een ondernemer/huurder om niet aan zijn contractuele betalingsverplichtingen te voldoen), zal de kantonrechter de executie van voornoemd vonnis schorsing voor zolang en voor zover [eiseres 1] vanaf de datum van dit vonnis stipt (dat wil zeggen: tijdig en volledig) en zonder enig beroep op verrekening aan haar betalingsverplichtingen voldoet. Dat geldt ook voor het betalen van de indexering(en) van de huurprijs vanaf heden.

4.13.

De gevorderde dwangsom wijst de kantonrechter af. [gedaagden] heeft zich reeds toen deze kort geding procedure aanhangig werd gemaakt bereid getoond om de executiemaatregelen op te schorten en is daarom nog niet tot ontruiming van het gehuurde overgegaan. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [gedaagden] zich ook zal houden aan de schorsing van de executie van het vonnis zoals in dit vonnis wordt bepaald.

4.14.

De vordering om vonnis te wijzen ex artikel 3:300 BW wijst de kantonrechter af. In dat artikel is bepaald dat als iemand jegens een ander gehouden is een rechtshandeling te verrichten, dan kan, tenzij de aard van de rechtshandeling zich hiertegen verzet, de rechter op vordering van de gerechtigde bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is, of dat een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten. Dit artikel is bedoeld voor gevallen waarin de schuldenaar een rechtshandeling moet verrichten en dat niet doet. Daar is in dit geval geen sprake van. Weliswaar is namens [eiseres 1] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat deze vordering is bedoeld voor het geval er enige handeling vanuit de verhuurder ( [gedaagden] ) nodig is bij de gemeente om er zeker van te zijn dat er door mag worden geëxploiteerd. Niet gesteld of gebleken is echter dat de gemeente om enige rechtshandeling vanuit [gedaagden] heeft verzocht en/of dat [gedaagden] daaraan niet zou willen meewerken.

Proceskosten

4.15.

Omdat partijen over en weer (deels) in het (on)gelijk worden gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter,

5.1.

schorst de tenuitvoerlegging van rechtsoverweging 5.2 van het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 4 december 2025 (zaaknummer 11540149 CV EXPL 25-1119), tot aan het eindarrest in het thans aanhangige hoger beroep, zulks uitsluitend voor zover en voor zolang [eiseres 1] de huurpenningen inclusief eventuele indexeringen elke maand vanaf 1 juni 2026 tijdig en volledig en zonder enig beroep op verrekening aan [gedaagden] voldoet,

5.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »