RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1501
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. P.R. Botman),
en
de burgemeester van de gemeente Oss
Inleiding
1. Op 22 januari 2025 heeft de burgemeester aan verzoeker op grond van artikel 2:74 van de APV Oss 2019 (de APV) een last onder dwangsom opgelegd.
Met het bestreden besluit van 13 mei 2025 op het bezwaar van verzoeker is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 9 maart 2026 heeft verzoeker de burgemeester verzocht om de last onder dwangsom in te trekken. Bij een besluit dat op 2 april 2026 aan verzoeker bekend is gemaakt, heeft de burgemeester de last onder dwangsom ingetrokken op grond van artikel 5:34 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Daarbij heeft de burgemeester opgemerkt dat de last onder dwangsom al meer dan een jaar van kracht is terwijl er geen overtredingen zijn vastgesteld en er geen dwangsommen zijn verbeurd.
Op 24 april 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om de burgemeester te veroordelen in de proceskosten.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de burgemeester in de proceskosten.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.1
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.2
Is de burgemeester aan verzoeker tegemoetgekomen?
De rechtbank moet dus beoordelen of de burgemeester geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen en beantwoordt die vraag ontkennend.
Verzoeker heeft het beroep tegen het bestreden besluit ingetrokken nadat de burgemeester de op 22 januari 2025 opgelegde last onder dwangsom had ingetrokken. De burgemeester heeft die last ingetrokken naar aanleiding van het daartoe op 9 maart 2026 ingediende verzoek en omdat op dat moment een jaar was verstreken zonder dat een dwangsom was verbeurd. De burgemeester heeft daarmee gebruikgemaakt van de in artikel 5:34, tweede lid, van de Awb gegeven bevoegdheid.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de last onder overweging dat inmiddels een jaar is verstreken, niet kan worden aangemerkt als tegemoetkoming door de burgemeester aan het beroep, zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb. De burgemeester is namelijk niet tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit, waarbij de last onder dwangsom aan hem is opgelegd.
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten daarom af.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.A. Cox, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vonk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
|
de griffier is verhinderd te ondertekenen |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.