RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 12267029 \ CV EXPL 26-3669
Vonnis in kort geding van 12 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING MOOILAND,
te Land van Cuijk,
eisende partij,
gemachtigde: mr. D.D. Versluis,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,2. [gedaagde 2],
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
gedaagde partijen,
gemachtigde: mr. G.J.B.C. Maton.
Partijen zullen hierna “Mooiland” en (gezamenlijk, in mannelijk enkelvoud) “ [gedaagden] ” worden genoemd. Als op één van de gedaagden afzonderlijk wordt gedoeld, worden zij aangeduid als (in mannelijk enkelvoud) “ [gedaagde 1] ” en (in vrouwelijk enkelvoud) “ [gedaagde 2] ”.
1 De procedure
De procedure is ingeleid met een dagvaarding met producties 1 tot en met 13, die op 9 juli 2026 openbaar is betekend. Uit het door Mooiland overgelegde originele exploot van de dagvaarding en het afschrift van de publicatie in de Staatscourant blijkt dat [gedaagden] correct voor de zitting van 5 augustus 2026 is opgeroepen, conform de vereisten van artikel 45 jo. artikel 54 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Op 5 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [gedaagden] is [gedaagde 1] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens Mooiland is verschenen [wijkconsulente] , wijkconsulente bij Mooiland, bijgestaan door de gemachtigde van Mooiland. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
Aan het einde daarvan heeft de kantonrechter medegedeeld dat uiterlijk 19 augustus 2026 vonnis zal worden gewezen.
2 De feiten
[gedaagden] huurt van Mooiland met ingang van 22 april 2021 de woning gelegen aan [adres] in ( [postcode] ) [plaats] , gemeente [plaats] (hierna: het gehuurde). De huurprijs inclusief servicekosten bedraagt € 681,71.
Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden voor woonruimte van Mooiland (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.
In artikel 8.2 van de algemene voorwaarden is vermeld:
“Huurder is verplicht het gehuurde zelf daadwerkelijk te bewonen en er voortdurend zijn hoofdverblijf te hebben. Huurder zal in het gehuurde zijn exclusieve hoofdverblijf houden. (…).”
3 Het geschil
Mooiland vordert [gedaagden] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis het gehuurde aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] te ontruimen en de sleutels van de buitendeuren aan Mooiland te verstrekken, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Mooiland legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagden] heeft reeds geruime tijd (vanaf de vorige zomervakantie, omstreeks juli/augustus 2025) geen (volledig) hoofdverblijf in het gehuurde. Door zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde te hebben, schiet [gedaagden] ernstig tekort in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de wet, de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden. Deze tekortkoming in de nakoming rechtvaardigt een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure. Vooruitlopend op een bodemprocedure vordert Mooiland in de onderhavige kortgedingprocedure dat het gehuurde op korte termijn wordt ontruimd. Zij heeft er belang bij om het gehuurde weer beschikbaar te stellen aan een van de woningzoekenden die bij haar staat ingeschreven.
[gedaagden] heeft ter zitting verweer gevoerd. Hij voert aan dat hij weliswaar een aantal keren heen en weer is gereisd naar [land] en [land] , maar dat hij wel hoofdverblijf houdt in het gehuurde.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Spoedeisend belang
Mooiland stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot ontruiming, omdat zij ertoe gehouden is om het gehuurde, een sociale huurwoning, weer beschikbaar te stellen aan een van de 54.000 woningzoekenden die bij haar staan ingeschreven. Bovendien brengt de leegstand van het gehuurde risico’s met zich mee in het kader van criminaliteit, het kraken van de woning en het ontstaan van schade aan de woning en is er sprake van een negatieve invloed op de leefbaarheid/veiligheid van de wijk. De kantonrechter is van oordeel dat hiermee een voldoende spoedeisend belang bij de vordering tot ontruiming is gesteld. Bovendien is het spoedeisend belang door [gedaagden] niet weersproken. Van Mooiland kan niet worden gevergd dat zij een uitspraak in de bodemprocedure afwacht. Mooiland is dan ook ontvankelijk in haar vordering.
Ontruiming
Toetsingskader in kort geding
Toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding heeft verstrekkende en veelal – in de praktijk – onomkeerbare gevolgen. Daarom is voor toewijzing in kort geding vereist dat het in hoge mate aannemelijk moet zijn dat de bodemrechter in een bodemprocedure de vordering tot ontruiming eveneens zal toewijzen en dat van Mooiland niet kan worden gevergd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht. Ook moet bij de beoordeling grote terughoudendheid worden betracht, omdat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten.
De standpunten van partijen
Mooiland heeft aan de vordering tot ontruiming van het gehuurde ten grondslag gelegd dat [gedaagden] ernstig tekortschiet in de nakoming van zijn huurdersverplichtingen tegenover Mooiland, door zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde te hebben. Dat [gedaagden] niet het hoofdverblijf heeft in het gehuurde, blijkt volgens Mooiland onder meer uit het volgende. Vanaf augustus 2025 ontvangt Mooiland van omwonenden signalen dat [gedaagde 1] en zijn gezin al ruim 7 of 8 weken niet in of rondom het gehuurde zijn gezien en dat het onkruid meters hoog staat. Een medewerker van Mooiland is op 9 oktober 2025 onaangekondigd naar het gehuurde gegaan, maar heeft [gedaagden] daar toen niet aangetroffen. Mooiland heeft meermaals en op verschillende manieren contact gezocht met [gedaagden] en hem uitgenodigd voor gesprekken, maar [gedaagden] is niet verschenen bij de gesprekken van 3 november 2025 en 15 april 2026. Ten aanzien van het gesprek op 10 november 2025 geldt dat [gedaagde 1] heeft verklaard dat hij niet kon komen, omdat hij op reis was. Op 20 november 2025 is [gedaagde 1] wel verschenen en heeft hij op het kantoor van Mooiland een gesprek gevoerd met twee medewerkers van Mooiland. Tijdens dat gesprek heeft Mooiland erop gewezen dat [gedaagden] zijn hoofdverblijf in het gehuurde moet hebben, waarop [gedaagde 1] volgens Mooiland heeft gezegd dat hij niet meer weg gaat. Op 9 februari 2026 heeft Mooiland een plakbandje aangebracht tussen het kozijn en de voordeur van het gehuurde, dat na meerdere controles nog volledig intact bleek te zijn. Ook is er op 10 maart 2026 een kaartje in de brievenbus van het gehuurde gedaan, met het verzoek om contact op te nemen voor 23 maart 2026, maar dat is niet gebeurd. Ook blijkt uit de rapportage en bijbehorende foto’s van Mooiland (productie 8 bij dagvaarding) dat een ruit aan de achterzijde van het gehuurde sinds april 2026 kapot is. Voorts hebben de bewoners van nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] verklaard dat zij [gedaagden] lange tijd niet hebben gezien. Daarnaast heeft [gedaagden] niet gereageerd op de brief van de gemachtigde van Mooiland van 11 mei 2026, waarin [gedaagden] is verzocht om de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen, dan wel bewijs aan te leveren waaruit volgt dat wel te allen tijde hoofdverblijf zou zijn gehouden in het gehuurde. Voorts heeft de gemeente [plaats] vastgesteld dat het gezin van [gedaagden] in [land] verblijft en de gemeente heeft hen om die reden uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen op het adres van het gehuurde.
[gedaagden] voert aan dat hij weliswaar een aantal keren heen en weer is gereisd naar [land] en [land] , maar dat hij wel hoofdverblijf houdt in het gehuurde. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagden] ter zitting bankafschriften, een kassabon van de Albert Heijn in [plaats] van 17 november 2025, een verlofaanvraag uit juli 2025, foto’s van afgeleverde pakketjes (van onder meer DHL) en afschriften van afgeleverde voorgeschreven medicatie overgelegd.
[gedaagden] heeft geen hoofdverblijf in het gehuurde
De kantonrechter oordeelt als volgt. Onder ‘hoofdverblijf’ wordt verstaan de centrale levensplaats van een persoon, dat wil zeggen de plaats waar zich het middelpunt van zijn persoonlijke en economische belangen bevindt. Uit hetgeen Mooiland onderbouwd heeft gesteld is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagden] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. De volgende omstandigheden zijn daarvoor relevant. Omwonenden hebben tegenover Mooiland verklaard dat zij [gedaagden] lange tijd niet in of nabij het gehuurde hebben gezien (producties 3 en 11 bij de dagvaarding) en bovendien is [gedaagde 1] meermaals niet verschenen op gesprekken die door Mooiland werden geïnitieerd (producties 5, 6, 9 en 10 bij dagvaarding). Daarnaast heeft Mooiland op 9 februari 2026 een plakbandje aangebracht tussen het kozijn en de voordeur van het gehuurde, dat bij controles op 24 februari 2026, 10 maart 2026, 1 april 2026, 20 april 2026, 29 april 2026, 30 april 2026, 11 mei 2026, 1 juni 2026 en 10 juni 2026 nog volledig intact bleek te zijn (productie 8 bij dagvaarding). Hieruit blijkt dat de voordeur sinds begin februari 2026 tot en met (in ieder geval) medio juni 2026 niet is geopend. Verder blijkt uit berichtgeving van de gemeente [plaats] aan Mooiland van 23 juni 2026 dat de gemeente ook onderzoek heeft gedaan naar de verblijfplaats van [gedaagden] Uit dat onderzoek is naar voren is gekomen dat [gedaagde 1] en zijn gezin langer dan acht maanden niet op het adres in de gemeente [plaats] verblijven. Bovendien heeft de gemeente vastgesteld dat [gedaagde 1] en zijn gezin in [land] verblijven, dat [gedaagde 1] soms op en neer (naar Nederland) komt om zaken te regelen, maar dat ook hij al langer dan acht maanden weg is in twaalf maanden tijd. De gemeente heeft Mooiland bericht dat het gehele gezin is uitgeschreven naar adres ‘onbekend’ (productie 13 bij dagvaarding). Ook uit de verklaring van [gedaagde 1] zelf van 20 november 2025 (productie 7 bij dagvaarding) volgt dat [gedaagden] geen hoofdverblijf in het gehuurde heeft, maar dat [gedaagde 1] af en toe op en neer komt. Ten slotte wijst de staat van de woning erop dat het gehuurde niet (permanent) wordt bewoond, nu meermaals is gebleken dat het onkruid meters hoog staat (zie producties 3, 8 en 12 bij dagvaarding) en een ruit aan de achterzijde van het gehuurde sinds april 2026 kapot is (zie productie 8 bij de dagvaarding). [gedaagde 1] heeft daarover ter zitting verklaard dat hij daarvan in juli 2026 aangifte heeft gedaan dan wel een melding daarvan heeft gemaakt bij de politie. Ook heeft [gedaagde 1] ter zitting verklaard dat hij Mooiland hiervan op de hoogte heeft gesteld, dat Mooiland bij hem thuis is geweest en dat zij heeft beloofd de schade te herstellen, maar dit alles heeft Mooiland ter zitting betwist. Dat Mooiland bij [gedaagden] is geweest en dat zij deze toezeggingen heeft gedaan, is nergens uit gebleken. Bovendien is het opmerkelijk dat [gedaagden] pas in juli 2026 bij de politie aangifte doet dan wel melding maakt van een ruit die sinds april 2026 kapot is.
[gedaagden] heeft de voornoemde omstandigheden niet weersproken. Wel heeft [gedaagden] tegenover de bevindingen van Mooiland bankafschriften, een kassabon van de Albert Heijn in [plaats] van 17 november 2025, een verlofaanvraag uit juli 2025, foto’s van afgeleverde pakketjes (van onder meer DHL) en afschriften van afgeleverde voorgeschreven medicatie in het geding gebracht, maar uit die stukken volgt niet dat hij wel hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Uit de bankafschriften volgt, zoals de gemachtigde van Mooiland ter zitting terecht naar voren heeft gebracht, dat [gedaagden] op 31 juli 2025 een laatste betaling in Nederland heeft gedaan (pagina 48 van de bankafschriften). Hierna heeft [gedaagden] pas weer op 14 november 2025 een betaling verricht in Nederland (pagina 37 van de bankafschriften). Vervolgens blijkt uit de bankafschriften dat [gedaagden] nog tot en met 2 februari 2026 betalingen heeft verricht in Nederland (pagina 16 van de bankafschriften). De kantonrechter constateert dat [gedaagden] daarna pas weer op 13 juli 2026 betalingen in Nederland heeft verricht (pagina 3 van de bankafschriften). Dat komt overeen met het onweersproken gelaten standpunt van Mooiland dat [gedaagden] halverwege juli 2026 pas weer is gesignaleerd nabij het gehuurde. Gelet op het voorgaande volgt ook uit de door [gedaagden] overgelegde bankafschriften dat [gedaagden] geen hoofdverblijf in het gehuurde heeft, nu uit deze bankafschriften blijkt dat [gedaagden] in de periode van augustus 2025 tot en met medio november 2025 (circa 3,5 maanden) en in de periode van begin februari 2026 tot en met medio juli 2026 (circa 5,5 maanden), aldus circa 9 van de 12 maanden, niet in Nederland, en dus ook niet in het gehuurde, heeft verbleven. De overige door [gedaagden] in het geding gebrachte stukken leiden niet tot een ander oordeel. De kassabon en de verlofaanvraag onderschrijven slechts hetgeen uit de bankafschriften volgt en uit de foto’s van de afgeleverde pakketjes en de afschriften van de afgeleverde en voorgeschreven medicatie blijkt niet waar, wanneer en aan wie de pakketjes en de medicatie zijn afgeleverd.
Belangenafweging
Niet gesteld of gebleken is dat er aan de zijde van [gedaagden] belangen zijn die ertoe leiden dat [gedaagden] het gehuurde dient te behouden en dat de ontbinding en ontruiming van de huurovereenkomst met haar gevolgen in dit geval niet gerechtvaardigd zou zijn. Mooiland heeft er daarentegen vanwege de zorg voor een evenwichtige verdeling van schaarse sociale woonruimte wel belang bij dat de huurder zijn woonruimte daadwerkelijk gebruikt. Het algemene woonbelang van [gedaagden] weegt daar niet (voldoende) tegenop. Verder heeft [gedaagden] onweersproken gelaten dat zijn vrouw en kinderen vanaf de zomervakantie van 2025 in [land] verblijven en daar ook (bij hun familie) willen blijven. Dat [gedaagden] het gehuurde nodig heeft ten behoeve van het bieden van onderdak voor zijn vrouw en kinderen is dan ook niet gebleken.
[gedaagden] moet het gehuurde ontruimen
Alle feiten en omstandigheden zoals hiervoor (r.o. 4.5 en 4.6) besproken, in onderlinge samenhang bezien, leiden tot de slotsom dat [gedaagden] geen hoofdverblijf heeft in het gehuurde. Daarmee is komen vast te staan dat [gedaagden] tekort geschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de huurovereenkomst en de algemene huurvoorwaarden. Gelet hierop en gelet op de belangenafweging is het in hoge mate aannemelijk dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde zullen worden toegewezen. De door Mooiland gevorderde ontruiming zal daarom worden toegewezen. [gedaagden] zal, zoals gevorderd, worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
[gedaagden] moet de proceskosten betalen
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
190,44 |
|
|
- griffierecht |
€ |
139,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.050,44 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] kan worden gedwongen het hele bedrag aan proceskostenveroordeling te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan Mooiland.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Mooiland dat heeft gevorderd en [gedaagden] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5 De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:
veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Mooiland zijn, en de sleutels van de buitendeuren af te geven aan Mooiland,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.050,44, te vermeerderen met de kosten van betekening van het vonnis als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.