RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/421933 / HA ZA 25-749
Vonnis in incident van 3 juni 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [plaats] ,
beiden in hoedanigheid van erfgenaam, legitimaris en executeur en/of vereffenaar in de nalatenschap van de heer [erflater],
eisende partijen in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. L.M. Schelstraete.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening van [eiser 1] en [eiser 2] van 15 december 2025
- de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv van [gedaagde] van 21 januari 2026
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie van [gedaagde] van 4 februari 2026
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser 1] en [eiser 2] van 18 maart 2026
- de akte in het incident van [eiser 1] en [eiser 2] van 1 april 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 De beoordeling in het incident
In de hoofdzaak speelt, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van dit incident, het volgende.
Op [overlijdensdatum] 2025 is de vader van partijen ( [erflater] , hierna: erflater) overleden. Partijen zijn voor gelijke delen de enige erfgenamen van erflater. De vorderingen van partijen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak zien kort gezegd op de verdeling van de nalatenschap.
Tot die nalatenschap behoort onder meer de onverdeelde helft van erflater in het appartement aan de [adres] in [plaats] (hierna: het appartement). [gedaagde] is de eigenaar van de andere (onverdeelde) helft van het appartement. Erflater en [gedaagde] hebben het appartement samen gekocht in mei 2023. Zij zijn in dat kader een (aflossingsvrije) hypothecaire geldlening aangegaan bij Obvion.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij vorderen meer concreet, kort samengevat:
-
primair veroordeling van [gedaagde] om mee te werken aan de verkoop en levering van het appartement aan een derde,
-
subsidiair veroordeling van [gedaagde] om mee te werken aan de toedeling aan hemzelf van het onverdeelde aandeel van vader van het appartement.
met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.
Aan deze vorderingen in het incident leggen [eiser 1] en [eiser 2] het volgende ten grondslag.
Het appartement moet worden verkocht. [eiser 1] en [eiser 2] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheekschuld aan Obvion. Zolang het appartement niet is verkocht, is het een reëel risico dat Obvion zich gaat verhalen op het aandeel van [eiser 1] en [eiser 2] in de nalatenschap. Door de verkoop van het appartement wordt de hypothecaire geldlening afgelost en komt er een einde aan de hoofdelijke aansprakelijkheid.
[eiser 1] en [eiser 2] merken hierbij op dat de nalatenschap niet over voldoende liquiditeiten beschikt om de (hoogstwaarschijnlijk) aanzienlijke aanslag erfbelasting te kunnen betalen. [eiser 1] en [eiser 2] zullen de erfbelasting daarom uit eigen middelen of via een geldlening moeten voldoen. Bij verkoop vervallen bovendien alle lasten die te maken hebben met het gezamenlijk eigendom van het appartement. Ook deze lasten kunnen niet van de ervenrekening worden betaald vanwege een gebrek aan liquide middelen.
Er zijn geen andere vermogensbestanddelen die te gelde kunnen worden gemaakt.
De opbrengst van de verkoop van het appartement wordt dan op de ervenrekening gestort en later in de verdeling betrokken.
Voor het geval [gedaagde] in het kader van de verdeling van de nalatenschap de onverdeelde helft van het appartement van erflater toegedeeld wil krijgen, stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat hij daaraan in het kader van dit incident om de hiervoor genoemde redenen al moet meewerken.
[gedaagde] voert verweer tegen de incidentele vorderingen. In dat kader stelt [gedaagde] onder meer dat de vorderingen definitief van aard zijn. Een verkoop aan een derde leidt tot een definitieve en onomkeerbare situatie en ook de gevorderde toedeling is niet/lastig ongedaan te maken.
Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] volgens [gedaagde] onvoldoende (spoedeisend) belang bij de vorderingen. [eiser 1] en [eiser 2] gaan ten onrechte uit van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Bovendien worden de rentetermijnen en alle andere eigenaarslasten steeds door [gedaagde] betaald. Verder staan de omvang van de te verdelen nalatenschap en de rechtsposities van partijen in het kader van de verdeling van die nalatenschap nog niet vast. Voor het doen van aangifte erfbelasting kan uitstel worden gevraagd.
Het belang van [gedaagde] , die in het appartement woont en daarvan al voor 50% eigenaar is, gaat voor. In het kader van de verdeling van de nalatenschap wil [gedaagde] het aandeel van erflater in het appartement toegedeeld krijgen. Er is geen grond om die verdeling in dit incident al te regelen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen. Deze voorlopige voorziening is een ordemaatregel, die geldt voor de duur van het geding, dus tot het moment waarop uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan. Hieruit volgt dat de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv naar haar aard een tijdelijk karakter heeft.
De door [eiser 1] en [eiser 2] gevraagde voorziening – die in wezen inhoudt de partiële verdeling van de nalatenschap van erflater – heeft naar het oordeel van de rechtbank een definitief karakter en kan niet slechts voor de duur van de procedure worden gegeven. Om die reden is de vordering niet toewijsbaar.
Hierbij acht de rechtbank van belang dat het appartement deels tot een nog te verdelen nalatenschap behoort. Het is op dit moment nog onduidelijk hoe die nalatenschap voor het overige is samengesteld en op welke wijze die nalatenschap verdeeld en financieel afgewikkeld gaat worden. Het is aan de bodemrechter om dat te beoordelen.
Bovendien zijn de gestelde financiële belangen van [eiser 1] en [eiser 2] niet van zodanige aard, dat ze de toewijzing van de verstrekkende vorderingen kunnen rechtvaardigen.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3 De beslissing
De rechtbank,
in het incident:
wijst de incidentele vordering af,
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 17 juni 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.