beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rekestnummer: C/01/290615 / BP RK 15-215
Beschikking van de voorzieningenrechter van 6 maart 2014
in de zaak van
commanditaire vennootschap [verzoekster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
verzoekster,
advocaat mr. C.J.T. Smeets te Ommel-Asten
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gerekestreerde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gerekestreerde.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
Het verzoekschrift met producties, genummerd 1 tot en met 4;
-
De mondelinge behandeling ter zitting van 6 maart 2015 waar mr. Smeets is verschenen en gehoord. Tevens is verschenen en gehoord de heer [naam beheerder], beheerder van verzoekster.
2 De beoordeling
Naar aanleiding van het verzoek van 2 maart 2015 met 4 producties zijn op 6 maart 2015 de advocaat van verzoekster en haar beheerder gehoord. Desgevraagd heeft de advocaat van verzoekster gezegd dat mr. Kemps namens verweerster verzoekster heeft geïnformeerd de onroerende zelf onderhands te willen verkopen. Nadat het vonnis van 9 juli 2014 aan verweerster was betekend en executoriaal beslag op de onroerende zaak was gelegd, is tussen partijen afgesproken dat het executoriale beslag zal worden opgeheven nadat door verweerster een bankgarantie zou zijn verstrekt. De bankgarantie is op 24 december 2014 afgegeven, maar het executoriale beslag is nog niet door verzoekster opgeheven. Verzoekster is voornemens het executoriale beslag op te heffen nadat voor de vordering waarvoor thans verlof voor conservatoir beslag wordt gevraagd, conservatoir beslag is gelegd. Ook dit verzoek zal worden afgewezen. Verlof wordt gevraagd voor dezelfde vordering als waarvoor door middel van het eerdere verzoek van 23 februari 2015 verlof is gevraagd. Verzoekster heeft geen melding gemaakt in het verzoek van 2 maart 2015 van het eerder verzoek noch van de daarop gevolgde afwijzing. Thans maakt verzoekster melding van het executoriale beslag, terwijl daar eerder geen melding van is gemaakt. Verzoekster heeft wederom art. 21 Rv geschonden, hetgeen de afwijzing van het verzoek rechtvaardigt. Afwijzing dient ook te geschieden omdat verzoekster, terwijl geen sprake is van gewijzigde omstandigheden, voor dezelfde vordering nogmaals verlof vraagt voor beslag op hetzelfde object.
Het gevraagde verlof zal dan ook worden geweigerd.
3 De beslissing
De voorzieningenrechter:
weigert het gevraagde verlof.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg op 6 maart 2015.