ECLI:NL:RBNNE:2026:4382

Datum uitspraak
04-02-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
LEE 25/1471, 25/1575, 25/1787 en 25/1788
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd is. Dit motiveringsgebrek komt voort uit de wisselwerking tussen de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bouwplan en de toets aan redelijke eisen van welstand. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit gebreken bevat: het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat de afwijkende bouwhoogte, in samenhang met de vorm en het volume van de gebouwen, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft het college het standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand niet mogen baseren op het welstandsadvies van de welstandscommissie Hûs en Hiem.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 25/1471, 25/1575, 25/1787 en 25/1788T

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1]

[eiser 2]

[eiseres 1] en [eiser 3]

[eiser 4] en [eiseres 2]

[eiser 5] en [eiseres 3], eisers I

[eiser 6] en [eiseres 4]

[eiser 7] en [eiseres 5], eisers II

[eiser 8]

[eiser 9] , eisers III

allen uit [woonplaats] ,

(gemachtigde eisers I t/m III: [gemachtigde] ),

[eiser 10] en [eiseres 6] , uit [woonplaats] , eisers IV

(gemachtigde: mr. B. Benard)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân, het college

(gemachtigden: E.E. van der Pal en E.M. van der Molen).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: BruZan Ontwikkeling B.V. gevestigd te Leeuwarden, vergunninghouder.

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor de realisatie van een kinderopvang en zestien appartementen op het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel). Eisers zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.

1.1.

De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit gebreken bevat: het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat de afwijkende bouwhoogte, in samenhang met de vorm en het volume van de gebouwen, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft het college het standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand niet mogen baseren op het welstandsadvies van de welstandscommissie Hûs en Hiem. De rechtbank ziet aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen en het college in de gelegenheid te stellen deze motiveringsgebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij zijn de belangrijkste vragen:

  • Heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening?

  • Heeft het college zich mogen baseren op het welstandsadvies?

Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor de realisatie van een kinderopvang en zestien appartementen. Het college heeft hiervoor met het besluit van 12 maart 2025 een omgevingsvergunning verleend.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Het college heeft, naar aanleiding van een vraag van eisers, een reactie van welstandscommissie Hûs en Hiem op de beroepsgronden overgelegd. Het college heeft ook een luchtfoto waarop nabijgelegen bebouwing te zien is, overgelegd.

2.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 2] , [eiseres 1] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiseres 2] , [eiser 5] , [eiser 10] en [eiseres 6] en de gemachtigden van eisers, de gemachtigden van het college en vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

De aanvraag is ingediend op 3 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold voor 1 januari 2024, van toepassing blijft.

3.1.

Verder is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing.1

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

4.1.

Vergunninghouder heeft op 3 februari 2023 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de herontwikkeling van het perceel. Het gaat om de bouw van twee gebouwen voor zestien appartementen en een nieuwe ruimte voor de kinderopvang.

4.2.

Op het perceel geldt de bestemming ‘maatschappelijk’ op grond van het bestemmingsplan ‘Dorpen Noord/West 2’ (het bestemmingsplan). Op het perceel is al een kinderopvang gevestigd. Binnen de bestemming ‘maatschappelijk’ is het gebruik van de gronden voor wonen niet toegestaan. Verder zijn de gebouwen buiten het aangegeven bouwvlak gesitueerd en wordt niet voldaan aan de aangegeven (maximale) afmetingen.

4.3.

Op 12 oktober 2023 heeft het college een ontwerp-beschikking ter inzage gelegd. [eiser 10] heeft namens omwonenden zienswijzen op de ontwerp-beschikking gegeven.

4.4.

Naar aanleiding van de zienswijzen heeft het college nader akoestische onderzoek laten uitvoeren vanwege de verplaatsing van het speelplein van de zuidkant van het perceel naar de noordkant. Door de verplaatsing ligt het speelplein dichter bij de woningen van omwonenden.

4.5.

Het college heeft besloten om af te wijken van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning te verlenen.2 Voor de motivering van de afwijking verwijst het college naar de ruimtelijke onderbouwing ‘Witmarsum – De Spinnekop 4-8’ van 19 juli 2023.

Verklaring van geen bedenkingen

5. De rechtbank overweegt dat het college de omgevingsvergunning alleen kan verlenen als de gemeenteraad heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.3 De gemeenteraad kan in een besluit categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist.4

5.1.

De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of een verklaring van geen bedenkingen vereist was. Het college is namelijk niet bevoegd om een omgevingsvergunning te verlenen, als een dergelijke verklaring of een rechtsgeldig aanwijzingsbesluit van de gemeenteraad ontbreekt.

5.2.

Uit het dossier blijkt niet dat het college een verklaring van geen bedenkingen heeft gevraagd aan de gemeenteraad. Uit het dossier blijkt ook niet dat het college zich op het standpunt stelt dat geen verklaring van geen bedenkingen is vereist op grond van een aanwijzingsbesluit van de gemeenteraad.

5.3.

Op de zitting heeft het college gewezen op het besluit van de gemeenteraad van 22 december 2022.5 Gelet op dit aanwijzingsbesluit is de rechtbank van oordeel dat geen verklaring van geen bedenkingen vereist was.6

Weliswaar is het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd, omdat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college deze beoordeling heeft gemaakt, maar eisers zijn hierdoor niet benadeeld. De rechtbank zal dit gebrek daarom passeren.7

Vrijwaringszone molenbiotoop

6. Eisers stellen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ uit het bestemmingsplan. Op grond van deze vrijwaringszone is een maximale bouwhoogte van 8,24 meter toegestaan.

6.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat de ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ niet geldt op het perceel. Het college hoefde hier daarom geen rekening mee te houden.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond.8 Ingevolge het relativiteitsvereiste vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat deze in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

6.3.

In artikel 37.2.2 van het bestemmingsplan is het volgende opgenomen:

“In afwijking van de bouwregels van de andere daar voorkomende bestemming(en) geldt dat ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’:

  1. binnen de zone van 100 meter gemeten vanaf de molen geen bouwwerken met een bouwhoogte van meer dan 6,00 meter mogen worden gebouwd;

  2. binnen de zone gemeten van 100 meter vanaf de molen tot een afstand van 400 meter gemeten vanaf de molen, geen hogere gebouwen mogen worden gebouwd dan door onderstaande formule wordt bepaald:

(…)”

6.4.

In artikel 37.2.3 van het bestemmingsplan is opgenomen:

“Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 37.2.2 ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:

  1. de windvangzone van de molen en/of de waarde van de molen als landschapsbepalend element niet onevenredig wordt aangetast, en;

  2. advies is gevraagd aan de vereniging De Hollandsche Molen.”

6.5.

De rechtbank constateert dat uit de toelichting op het bestemmingsplan volgt dat de beperking van de bouwhoogte in de planregels is opgenomen om te voorkomen dat de molen in zijn functioneren wordt belemmerd. Het functioneren van de molen is geen belang van eisers. In zoverre strekt de planregel dus niet tot bescherming van de belangen van eisers. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.

Goede ruimtelijke ordening

7. Eisers stellen dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Uit het bestreden besluit blijkt niet, of in ieder geval niet voldoende dat er sprake is van een deugdelijke belangenafweging. De rechtbank zal de verschillende beroepsgronden in dit kader hieronder bespreken.

7.1.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat het college een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan alleen kan verlenen als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.9 Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.10

Participatie

7.2.

Eisers stellen dat de belangen van omwonenden niet goed in kaart zijn gebracht.

7.2.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat de belangen van omwonenden voldoende in kaart zijn gebracht. Vanuit vergunninghouder is meermaals contact gezocht met omwonenden en er zijn gesprekken geweest tussen omwonenden, vergunninghouder en de gemeente. Het doel van deze gesprekken, participatie, is niet om een unaniem gedragen ontwerp te verkrijgen, maar om omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij de besluitvorming. Eisers hebben vervolgens de kans gekregen om zienswijzen te geven op de ontwerpbeschikking. Dit hebben eisers gedaan en de zienswijzen zijn aanleiding geweest om nader onderzoek te doen.

7.2.2.

De rechtbank is van oordeel dat het college de belangen van eisers zorgvuldig in kaart heeft gebracht. Door de gesprekken met omwonenden en het volgen van de uitgebreide voorbereidingsprocedure (met zienswijzemogelijkheid) hebben eisers de gelegenheid tot inspraak gekregen en konden zij hun belangen naar voren brengen. Naar aanleiding van de gesprekken is het bouwplan aangepast en naar aanleiding van een zienswijze is een akoestisch onderzoek verricht. Het college was niet gehouden, zoals eisers ter zitting gesteld hebben, om de verschillende omwonenden te vragen naar hun standpunt over het voorgenomen bouwplan. De beroepsgrond slaagt niet.

Bouwhoogte en massaliteit

7.3.

Eisers komen op tegen de bouwhoogte en massaliteit van het bouwplan en stellen dat een gebouw van deze hoogte, met drie bouwlagen, niet passend is in de omgeving.

7.3.1.

Het college heeft in het bestreden besluit voor de afwijking van de bouwhoogte, verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing. In de reactienota op de zienswijzen stelt het college dat het bouwplan de belangen van omwonenden niet onevenredig raakt. Het college wijst erop dat de derde bouwlaag slechts op de helft van de nieuwe bebouwing aanwezig is. Deze hoogste delen van de nieuwbouw bevinden zich in het midden van de nieuwe bebouwing en daarmee ook op ruimte afstand van de naastgelegen percelen. Een bebouwing van drie woonlagen, op deze afstand van bestaande bebouwing, is niet ongebruikelijk in een woonwijk. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst het college in een aanvullend stuk naar een zorgcentrum met drie bouwlagen dat op een afstand van 200 meter van het plangebied ligt. In het verweerschrift stelt het college dat er rondom het bouwplan woonbestemmingen, maatschappelijke bestemmingen en gemengde bestemmingen zijn. Hiervoor gelden maximale bouwhoogtes van acht en tien meter. De hoogte van de derde bouwlaag van het bouwplan van 10,18 meter is, gelet op de toegestane bouwhoogtes van omliggende bebouwing, niet onredelijk.

7.3.2.

De rechtbank overweegt dat op het perceel een maximale bouwhoogte geldt van drie meter.11 Het bouwplan wijkt hier 3,54 meter (tweede bouwlaag) en 7,18 meter (derde bouwlaag) van af. In het bestreden besluit verwijst het college voor de motivering naar de ruimtelijke onderbouwing. In de ruimtelijke onderbouwing wordt echter niet toegelicht waarom de afwijkende bouwhoogte en daarmee samenhangend de vorm en het volume van het gebouw, ruimtelijk gezien passend zijn. In de ruimtelijke onderbouwing wordt slechts opgemerkt:

“De bouwhoogten variëren van circa 6,5 meter tot 10,2 meter. De locatie leent zich (net als in de huidige situatie) voor een afwijkend bebouwingsbeeld zoals in de gewenste situatie is beoogd.” 12

7.3.3.

Het college heeft in de reactienota op de zienswijzen en het verweerschrift de motivering voor de afwijking van de toegestane bouwhoogte aangevuld. Weliswaar heeft het college mogen stellen dat de planologische mogelijkheden voor omliggende bebouwing van belang zijn, maar het college heeft niet gemotiveerd dat het bouwplan, gelet op de bouwhoogte, de vorm en het volume in samenhang bekeken, op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Hoewel de derde bouwlaag zich niet uitstrekt over het gehele gebouw, zullen de twee nieuwe (rechthoekige) gebouwen voor een deel bestaan uit drie bouwlagen, terwijl in de omgeving voornamelijk woningen van één bouwlaag met een schuine kap voorkomen. Het college heeft niet gemotiveerd waarom het bouwplan, dat wat betreft hoogte, vorm en volume afwijkt van de bestaande bebouwing in de directe omgeving, passend is op deze locatie. Gelet daarop, heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat door de afwijking van de bouwhoogte uit het bestemmingsplan geen strijd ontstaat met een goede ruimtelijke ordening. Dat op een afstand van 200 meter een gebouw staat met drie woonlagen, betekent niet dat het bouwplan op de beoogde locatie ruimtelijk aanvaardbaar is.

7.3.4.

Gelet op het voorgaande, is het bestreden besluit, voor zover het gaat om de afwijkende bouwhoogte, onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet aanleiding om het college de gelegenheid te geven dit gebrek te herstellen. Aan het einde van deze tussenuitspraak zal de rechtbank uiteenzetten op welke manier het college dat kan doen.

Bezonning

7.4.

Eisers stellen dat een bezonningsstudie bij de aanvraag ontbreekt, terwijl de woningen van eisers op geringe afstand van de bouwlocatie liggen en het bouwplan een gebouw van ruim tien meter toestaat. Het is daarom aannemelijk dat het bouwplan zal leiden tot afname van zonlicht in de tuinen en woningen van eisers.

7.4.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat de schaduwwerking in een eerder stadium beoordeeld is. Er is voor een eerder bouwplan een bezonningsstudie uitgevoerd en daaruit bleek dat het bouwplan niet zou leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat vanwege schaduwwerking. Toen het bouwplan aangepast werd, waardoor de bebouwing verder van de woningen van omwonenden af zou komen te liggen, is niet opnieuw een bezonningsstudie uitgevoerd.

Bij het verweerschrift heeft het college een nieuwe bezonningsstudie overgelegd. Het college heeft voor de beoordeling van de bezonning aansluiting gezocht bij de lichte TNO-norm die uitgaat van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende acht maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze norm is, volgens het college, niet ongebruikelijk voor woningen in een stedelijke omgeving.

Uit de bezonningsstudie blijkt dat op het dak en de gevel van de woning aan de Oostend 30 op 1 januari rond 11.00 uur iets meer schaduw valt. Rond 14.00 uur is de extra schaduw daar weer verdwenen. Daarnaast valt op 1 januari rond 11.00 uur meer schaduw in de tuinen van de woningen aan de Oostend 26, 28 en 30 en Molenweg 5, en rond 14.00 uur iets meer schaduw in de tuin van de woning aan de Oostend 32. Volgens het college is geen sprake van een onevenredige aantasting van zonlicht in de zin van extra schaduwwerking.

7.4.2.

De rechtbank is van oordeel dat het college heeft mogen concluderen dat er geen sprake is van onevenredige hinder door schaduwwerking. Uit de bezonningsstudie blijkt dat er maar in zeer beperkte mate schaduwwerking ontstaat door de realisatie van de nieuwbouw. Eisers hebben op de zitting gesteld dat het college niet van de (lichte) TNO-norm uit kon gaan, omdat deze geen rekening houdt met schaduw in de tuin en het de vraag is of wel sprake is van een stedelijke omgeving. De rechtbank is echter van oordeel dat, los van welke norm wordt toegepast, de aantasting door schaduwwerking zodanig beperkt is dat het college zich (in redelijkheid) op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers. De beroepsgrond slaagt niet.

Geluid

7.5.

Eisers stellen dat de conclusies in het akoestisch rapport over de geluidsbelasting onjuist zijn, omdat in het rapport ten onrechte wordt uitgegaan van ‘gemengd gebied’. Het perceel ligt niet in gemengd gebied, maar in een rustige woonwijk. Dit blijkt uit het feit dat de Welstandsnota 2018 Súdwest-Fryslân (welstandsnota) het gebied kwalificeert als ‘recente woonbuurt’ en het gebied op de welstandskaart niet de kleur geel van ‘gemengde gebieden’ heeft. Ook als de definitie van ‘gemengd gebied’ uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG-brochure) wordt aangehouden, ligt de bouwlocatie niet in gemengd gebied. Er zijn namelijk geen winkels, horeca en kleine bedrijven in dit gebied (en in de aanpalende gebieden) gevestigd.

7.5.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat de welstandsnota niet relevant is voor de beoordeling van het geluidsaspect, omdat dit geen toetsingskader vormt voor akoestische aspecten. Bij de beoordeling van het gebied is gekeken naar wat planologisch toegestaan is. Hieruit blijkt dat in de nabije omgeving zowel woonbestemmingen als maatschappelijke en gemengde bestemmingen aanwezig dan wel mogelijk zijn. Het is een gebied met een divers karakter en verschillende functies, en daarom is volgens het college sprake van een gemengd gebied.

7.5.2.

De rechtbank overweegt dat de VNG-brochure voor de richtafstanden onderscheid maakt tussen verschillende omgevingstypen, namelijk ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is - voor zover relevant - een gebied met een matige tot sterke functiemenging: direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’ gelden kortere richtafstanden dan voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

Volgens de VNG-brochure wordt onder het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ verstaan een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er bij een dergelijk omgevingstype vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor en langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

7.5.3.

De rechtbank is van oordeel dat in het akoestisch onderzoek terecht van ‘gemengd gebied’ als bedoeld in de VNG-brochure is uitgegaan. In het gebied komen namelijk verschillende functies voor, zoals ‘maatschappelijk’, ‘gemengd’ en ‘wonen’. Op grond van de bestemming ‘gemengd’ zijn ook bedrijfsmatige activiteiten (categorieën 1 en 2), detailhandel en dienstverlening toegestaan. Dat verschillende panden alleen in gebruik zijn als woning, doet hier niet aan af, omdat hierop nog steeds de bestemming ‘gemengd’ rust. De beroepsgrond slaagt niet.

Privacy

7.6.

Ook stellen eisers dat geen aandacht is besteed aan hun privacy, terwijl het aannemelijk is dat vanuit de nieuw te bouwen appartementen een aanzienlijke mate van inkijk in de tuinen en woningen van eisers zal ontstaan.

7.6.1.

Ten aanzien van de privacy stelt het college zich op het standpunt dat er door de tweede en derde bouwlaag slechts een beperkte inkijk zal ontstaan, gelet op de aanzienlijke afstand van ongeveer vijftien tot twintig meter van de perceelsgrens van eisers tot de gevel van het bouwplan. Er wordt verder een geluidsscherm/ schutting van tenminste twee meter hoog geplaatst langs de noord- en westkant van het speelplein en er staan bomen op de perceelsgrens. Bovendien wordt voldaan aan de privaatrechtelijke bepalingen dat niet binnen twee meter van de grenslijn van het naburige erf vensters of andere muuropeningen geplaatst mogen worden.

7.6.2.

De rechtbank is van oordeel dat het college heeft mogen concluderen dat er weliswaar sprake is van enige aantasting van de privacy van omwonenden, maar dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat. Het college heeft onweersproken gesteld dat sprake is van een afstand van ongeveer vijftien tot twintig meter tussen de perceelsgrenzen van eisers en de gevel van de nieuwbouw. De rechtbank zal daarom uitgaan van deze afstand.

Hoewel sprake is van een afstand van ongeveer vijftien tot twintig meter tussen de perceelsgrenzen van eisers en de gevel van de nieuwbouw, gaat het om nieuwbouw met (voor een deel) drie bouwlagen, waardoor – anders dan voorheen – inkijk in de woningen en tuinen van eisers zal ontstaan. Deze inkijk wordt echter gedeeltelijk beperkt door bomen, begroeiing en bebouwing in de omgeving. Verder acht de rechtbank de toelichting van vergunninghouder op de zitting van belang. Vergunninghouder heeft toegelicht dat rekening is gehouden met de belangen van omwonenden door de balkons en de woonkamers van de nieuw te bouwen woningen alleen aan de straatkant - dus niet aan de kant van de woningen van eisers - te plaatsen. Tot slot acht de rechtbank van belang dat eisers niet hebben betwist dat zij nu ook al inkijk in hun tuinen hebben van omliggende woningen. De beroepsgrond slaagt niet.

Redelijke eisen van welstand

8. Eisers vinden de conclusie van het college dat de aanvraag voldoet aan de redelijke eisen van welstand onjuist en onbegrijpelijk. Het welstandsadvies van welstandscommissie Hûs en Hiem bevat geen enkele onderbouwing, waardoor niet blijkt dat er sprake is geweest van een deugdelijke toetsing van het bouwplan aan de welstandscriteria. Eisers betwisten dat dit het geval is. Volgens eisers voldoet het bouwplan namelijk niet aan de eis dat bouwinitiatieven in het welstandsgebied ‘recente woonbuurten’ rekening houden met de schaal van de omgeving. Het gaat om forse rechthoekige gebouwen die gedeeltelijk uit drie bouwlagen bestaan, terwijl in de omgeving vooral grondgebonden woningen van één bouwlaag met een schuine kap voorkomen. De nieuwe gebouwen stijgen visueel ver uit boven de bestaande bebouwing en houden dus geen rekening met de schaal van de omgeving. Ook wordt niet voldaan aan de eis dat er aandacht is voor inpassing in de stedenbouwkundige structuur en is de hoofdvorm van de beoogde gebouwen afwijkend. Vereist is dat de massa-opbouw is afgestemd op de omliggende bebouwing. De gebouwen zijn in deze omgeving te hoog en te massaal. Dit geldt tot slot ook voor de vorm van de kap, die met het platte dak en deels een flauwe kap afwijkt van de steile, schuine kappen in de omgeving.

8.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat het welstandsadvies zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het college zich daarom op dit advies mocht baseren. De welstandscommissie heeft het plan getoetst aan de geldende criteria voor ‘recente woonbuurten’. Het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Eisers hebben geen contra-expertise overgelegd waaruit volgt dat getwijfeld moet worden aan het advies.

8.2.

De rechtbank overweegt het volgende. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, mag het bij het nemen van zijn besluit op dat advies afgaan, nadat het heeft nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.13 Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel gemotiveerd heeft aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de geldende welstandscriteria of anderszins onjuist dan wel onvolledig is.14

8.3.

Verder is van belang dat de welstandscommissie het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota toetst aan de redelijke eisen van welstand en dat de welstandscommissie zich daarbij in beginsel heeft te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen.15

8.4.

De rechtbank stelt vast dat voor het perceel het welstandsgebied ‘recente woonbuurten’ geldt. De welstandscriteria die op dit gebied van toepassing zijn, staan in paragraaf 7.2.1 van de welstandsnota.

8.5.

Op 27 maart 2023 heeft de welstandscommissie advies uitgebracht. Dat advies luidt als volgt:

“Op grond van de ingediende gegevens is de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit van oordeel dat het plan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, voldoet aan de redelijke eisen van welstand.”

8.6.

In de reactie van de welstandscommissie van 10 juni 2025 op de beroepsgronden stelt de welstandscommissie het volgende:

“(…)Door de commissie is om deze reden in onze adviesbrief nadrukkelijk benoemd dat wij ervan zijn uitgegaan dat de gemeente bereid is planologisch medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling, inclusief de beoogde bouwhoogtes. Bij de tweede definitieve beoordeling is dezelfde aanname gedaan.

Dit waren de kaders die aan de commissie zijn meegegeven. Welstandscriteria kunnen in beginsel niet de bouwmogelijkheden van een (nog vast te stellen) bestemmingsplan onredelijk beperken.”

en

“De bestaande locatie is er een van een op zichzelf staand gebouw met een bijzondere functie, terugliggend geplaatst ten opzichte van zijn belendingen. Van een cluster zoals bedoeld in de nota (een samenhangende groep woningen) is geen sprake. Stedenbouwkundig gezien levert een op zichzelf staand nieuw gebouw op deze locatie an sich geen onlogische situatie op. Met betrekking tot bouwhoogtes en kapvorm, zie voorgaande.”

8.7.

Uit het advies van de welstandscommissie van 27 maart 2023 volgt niet dat de welstandscommissie heeft getoetst aan de welstandscriteria voor het gebied ‘recente woonbuurten’ uit de welstandsnota. Dit volgt ook niet uit de reactie van de welstandscommissie op de beroepsgronden. Verder volgt uit die reactie dat de welstandscommissie zich met betrekking tot een aantal welstandscriteria onthoudt van een advies, omdat het college bereid is planologische medewerking aan het bouwplan te verlenen. Dit lijkt in ieder geval te gelden voor de bouwhoogte en de kapvorm. Voor de rechtbank is dit verder onduidelijk gebleven: het college heeft de onduidelijkheid over de omvang van het welstandsadvies en de beperkingen voor de welstandscommissie op de zitting niet kunnen wegnemen. Het is daarom niet inzichtelijk in hoeverre de welstandscommissie het bouwplan aan de welstandscriteria heeft getoetst.

Aan de criteria voor andere welstandsgebieden, zoals door eisers is gesteld, hoeft de welstandscommissie overigens niet te toetsen.

8.8.

De rechtbank is, gelet op deze omstandigheden, van oordeel dat het college het standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand niet heeft mogen baseren op het welstandsadvies van 27 maart 2023. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. De reactie van de welstandscommissie van 10 juni 2025 op de beroepsgronden heeft dit gebrek niet hersteld. De rechtbank ziet aanleiding om het college de gelegenheid te geven dit gebrek te herstellen. Hierna zal de rechtbank uiteenzetten op welke manier het college dat kan doen.

Conclusie en gevolgen

9. Zoals hiervoor is overwogen in overwegingen 7.3.2. tot en met 7.3.4. en 8.7. en 8.8. is het bestreden besluit in strijd met het vereiste van een deugdelijke motivering.16 De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen gebreken in het bestreden besluit te herstellen.17 De rechtbank doet dan een tussenuitspraak.18 De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Om de gebreken te herstellen moet het college motiveren waarom de afwijking van de bouwhoogte, in samenhang met de vorm en het volume van het bouwplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook moet het college motiveren dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel, als het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, of en waarom het college toch bereid is medewerking aan het bouwplan te verlenen.19 Het herstel kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op de aanvraag, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit. Gelet op de omstandigheid dat de aanvraag eerder is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft.20

10. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

11. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, aan de rechtbank meedelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen.21 Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college.

12. De rechtbank zal in beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

13. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.22

14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt het college op zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »