ECLI:NL:RBNNE:2026:4372

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/18/260434 / KG ZA 26-405
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst hotel/horeca-aangelegenheid. Wilsovereenstemming. Verkoper komt geen beroep toe op nieuwe essentiële voorwaarde na sluiten overeenkomst.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: C/18/260434 / KG ZA 26-405

Vonnis in kort geding van 8 oktober 2026

in de zaak van

GTE REAL ESTATE B.V.,

te Tolbert,

eisende partij,

hierna te noemen: GTE Real Estate,

advocaat: mr. J. Keekstra,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. P.H.F. Yspeert.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de vrijwillige verschijning van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 24 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van GTE Real Estate- de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

GTE Real Estate houdt zich bezig met het beheren en verkopen van onroerend goed. Bestuurder van GTE Real Estate is - sinds 26 december 2025 - [bestuurder eisende partij] . Enig aandeelhouder is de [bedrijf 1] , waarvan op haar beurt enig aandeelhouder is [belanghebbende] Tolbert Holding B.V. en waarvan bestuurder is [bedrijf 3] B.V. De heer [belanghebbende] (verder: [belanghebbende] ) is de uiteindelijk belanghebbende (UBO) in deze vennootschappen. Hij is de vader van [bestuurder eisende partij] .

2.2.

[gedaagde] is enig aandeelhouder van [hotel] B.V., die op haar beurt enig aandeelhouder is van [bedrijf 4] B.V. De economische belangen in [gedaagde] worden gehouden door de voormalig echtelieden de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] .

2.3.

[hotel] B.V. is eigenaar van het registergoed staande en gelegen aan [adres] (hierna: het hotel). [bedrijf 4] B.V. exploiteert het hotel.

2.4.

In verband met de voorgenomen verkoop van het hotel heeft [makelaar] in opdracht van [gedaagde] een verkoopmemorandum opgesteld.

2.5.

Bij brief van 23 maart 2026 heeft [makelaar] namens [gedaagde] de gemeente Schiermonnikoog op de hoogte gesteld van de beoogde overname van het hotel per 1 juni 2026. In die brief is kenbaar gemaakt dat na renovatie de hotelkamers kadastraal worden gesplitst en individueel zullen worden verkocht waarbij een centrale exploitatiestructuur zal worden gehanteerd (‘rental pool’) en waarbij alle kamers/eigenaren verplicht zullen deelnemen aan de gezamenlijke short-stay-/logies verhuur. Daarbij wordt medegedeeld dat er feitelijk weinig verandert aan de aard en het gebruik van de locatie ten opzichte van de huidige situatie.

2.6.

Op 3 april 2026 is een koopovereenkomst - in de vorm van een ondertekende koopbevestiging - tot stand gekomen tussen [hotel] B.V. en [bedrijf 4] B.V. als verkopers en ‘[bedrijf 5] B.V., en/of nader te noemen meester’ als koper. In de koopovereenkomst staat onder meer dat partijen de mogelijkheid gaan onderzoeken om in plaatst van een activatransactie de verkoop vorm te geven middels een aandelentransactie. In de koopbevestiging zijn enkele ontbindende voorwaarden opgenomen die door de koper kunnen worden ingeroepen. Ter zekerheid voor de nakoming van deze koopbevestiging is door GTE Real Estate de overeengekomen waarborgsom van

€ 225.000,00 onder de notaris gestort.

2.7.

Vervolgens is gekozen voor een aandelentransactie. Bij e-mail van 7 mei 2026 heeft (de fiscaal adviseur van) [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ) een ‘conceptkoopovereenkomst aandelen’ aan [gedaagde] gestuurd. In dit concept staat GTE Real Estate vermeld als koper van de aandelen.

2.8.

Bij brief van 9 mei 2026 heeft [gedaagde] medegedeeld dat haar na het tekenen van de koopovereenkomst bleek dat [bedrijf 5] een totaal andere gedachte had over de invulling van de voortzetting van het hotel dan [gedaagde] was voorgespiegeld. [gedaagde] heeft medegedeeld dat zij de koop niet doorzet en dat de koopbevestiging van 3 april 2026 niet meer geldt, althans als ontbonden dient te worden beschouwd, althans dat deze wordt ontbonden.

2.9.

[bedrijf 5] heeft hierop uitgebreid bij brief gereageerd. Vervolgens heeft (de advocaat van) [gedaagde] bij e-mail van 13 mei 2026 aangegeven dat haar

zorgen over het voortbestaan van het hotel weliswaar blijven bestaan, maar dat zij de koop alsnog gestand te wil doen. In de e-mail staat te lezen:

Het mag duidelijk zijn dat het loslaten van en familiehotel, dat sedert 1913 een baken is voor het eiland, grote emoties met zich meebrengt en de angst heeft doen opkomen dat deze zal verdwijnen. Die realisatie noopte tot de eerdere brief zoals opgesteld (…).

Echter, dat laat onverlet dat in essentie client zijn toekomstpad uiteindelijk elders ziet liggen, hoezeer zijn zorgen – ook na uw schrijven – blijven.

Na rijp beraad heeft hij dan ook aangegeven de koop alsnog gestand te willen doen en dat pad verder in te willen slaan.

2.10.

Partijen hebben elkaar op 3 juli 2026 gesproken. De gemaakte afspraken zijn vastgelegd in de e-mail van 3 juli 2026 van de advocaat van [gedaagde] aan [bedrijf 5] , met in de CC ‘ [belanghebbende] < [mailadres] >, en luidden onder meer als volgt

Wij kwamen overeen dat:

- De uiterste leverdatum is 31 december 2026, welke “in beton is gegoten” qua uiterste datum

- koper spant zich in om met zijn beoogd exploitant zo snel mogelijk tot overeenstemming te komen, om de leverdatum zoals genoemd te vervroegen

- [naam 3] en [naam 4] komen bindend tot overeenstemming t.a.v. de vpb latentie, waarbij als uitgangspunt is dat een mogelijk voordeel/nadeel van de huidige deal (aandelen) t.o.v. van een activa passiva transactie voor rekening van [bedrijf 5]

- de garanties zoals nu opgenomen worden nog bezien, omdat dit gaat over de exploitatie en daarvoor nog een aanscherping moet komen; Harthoorn cs wil geen gedoe hebben achteraf

- de accountants komen ook tot de praktische gang van zaken omtrent “cash out”, etc, als de onderneming wordt geleverd.

Ik zal op korte termijn zorgen voor een aangepaste conceptovereenkomst om eea vast te leggen, waarbij we beogen deze begin volgende week digitaal te ondertekenen.

2.11.

Bij e-mail van 3 juli 2026 heeft [belanghebbende] (e-mail van 13:26 uur) gereageerd met de mededeling ‘wat mij betreft akkoord’ en eveneens bij e-mail van 3 juli 2026 heeft [bedrijf 5] (e-mail van 14:34 uur) aangegeven dat de afspraken moeten worden aangevuld met de afspraak dat zij gedurende het gehele traject volledig vrij is om het object (de gesplitste delen) openlijk te koop aan te bieden en te verkopen en dat zij vrij is om openlijk naar een nieuwe exploitant te zoeken, deze te benaderen en daarmee afspraken te maken. [gedaagde] heeft vervolgens op diezelfde 3 juli 2026 geantwoord dat dit inderdaad zo is besproken en dus akkoord is.

2.12.

Op 10 juli 2026 heeft [gedaagde] de door [bedrijf 5] opgestelde conceptkoopovereenkomst aandelen met revisies retour gezonden aan [bedrijf 5] . In haar brief heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt dat de financieel adviseur nog niet in de gelegenheid is geweest te reageren op de onderdelen betreffende de definities en de vaststelling van de definitieve koopprijs en met name of dit voor de financieel adviseurs werkzaam is. Verder heeft [gedaagde] aangegeven dat het cruciaal is dat de koper van ‘good standing’ is. Door [gedaagde] zijn in de koopovereenkomsten de artikelen 10.2 en 10.3 toegevoegd:

10.2

Deze overeenkomst komt tot stand onder de ontbindende voorwaarde dat door de Gemeente Schiermonnikoog een verklaring van geen bezwaar wordt afgegeven voor deze transactie, tenzij deze schriftelijk aangeeft dit niet nodig te achten voor de overname van de vergunning(en) en/of de transactie als geheel.

10.3

Ingeval de gemeente bezwaren heeft, of een verklaring niet voor de leverdatum heeft afgegeven, terwijl dit wel noodzakelijk is, geeft dit de verkoper het recht de koop kosteloos te ontbinden, waarbij de betaalde waarborgsom aan hem toevalt, zoals aangegeven in artikel 5.2.

2.13.

Bij brief van 14 juli 2026 heeft [gedaagde] aan [bedrijf 5] medegedeeld dat de rechtsverhouding, zijnde de koopbevestiging en de latere bevestiging ten aanzien van de verdere route, wordt vernietigd wegens dwaling, bestaande uit (onder meer) verzwijging van de ware entiteit van de (UBO van de) koper, zijnde [belanghebbende] , en het daaruit voortvloeiende onherstelbaar weggevallen vertrouwen. Volgens [gedaagde] is [belanghebbende] ‘van zeer bad standing’, hetgeen zou blijken uit persberichten van de FIOD, persberichten van Sikkom en een (civiel) vonnis van de rechtbank te Leeuwarden. Voor zover de vernietiging geen stand zou houden, wordt de rechtsverhouding ontbonden.

2.14.

[bedrijf 5] en GTE Real Estate hebben bij brief van 31 juli 2026 aangegeven dat de vernietiging c.q. ontbinding geen effect heeft en dat zij bereid zijn de revisies in de conceptkoopovereenkomst aandelen van 10 juli 2026 te accepteren, met uitzondering van de artikelen 10.2 en 10.3.

2.15.

[gedaagde] heeft bij brief van 1 augustus 2026 aan [bedrijf 5] en GTE Real Estate medegedeeld dat er geen overeenstemming is, dan wel was over de essentialia van de overeenkomst en dat sprake is van dwaling, waardoor [gedaagde] niet terugkomt op de eerder gedane vernietiging.

3 Het geschil

3.1.

GTE Real Estate vordert dat de voorzieningenrechter voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt om de koopovereenkomst aandelen (zoals overgelegd als productie 17 bij dagvaarding) na te komen;

II. [gedaagde] gebiedt alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het opstellen en passeren van de door de notaris op te maken leveringsakte betreffende de levering van de aandelen in [hotel] B.V., alsmede [gedaagde] gebiedt zich te onthouden van alle gedragingen die het opstellen of passeren van de leveringsakte kunnen belemmeren;

III. aan de veroordelingen onder (I.) en onder (II.) een dwangsom verbindt van een ineens te verbeuren dwangsom ten bedrage van € 150.000,00 bij overtreding, te vermeerderen met een dwangsom van € 50.000,00 per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 2.000.000,00;

IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van GTE Real Estate, met veroordeling van GTE Real Estate in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Toetsingskader

4.1.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of GTE Real Estate ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.

Spoedeisend belang

4.2.

GTE Real Estate stelt dat zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft gelet op de overeengekomen (uiterste) leveringsdatum van 31 december 2026. Volgens GTE Real Estate kan van haar daarom niet worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwacht. Verder stelt GTE Real Estate dat ook het personeel toe is aan duidelijkheid en rust. De vorderingen van GTE Real Estate hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarmee een voldoende spoedeisend karakter.

Inhoudelijk

4.3.

Tussen partijen is in geschil of een koopovereenkomst tot stand is gekomen betreffende de aandelen in het aandelenkapitaal van [hotel] B.V.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding daarvan (artikel 6:217 lid 1 BW). Deze totstandkoming van een overeenkomst vereist wilsovereenstemming tussen partijen over de essentialia van de overeenkomst. In het geval van een koopovereenkomst zijn dat onder meer de prijs, het object en de leveringsdatum. Wat in een concreet geval de essentialia zijn waarover wilsovereenstemming dient te bestaan, is verder afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Of sprake is van (wils)overeenstemming, hangt - overeenkomstig de zogenoemde wilsvertrouwensleer zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 BW - af van wat partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid.

4.5.

Volgens GTE Real Estate hebben partijen overeenstemming bereikt over alle essentialia van de koopovereenkomst. Deze overeenstemming ligt volgens GTE Real Estate besloten in de conceptkoopovereenkomst aandelen met de revisies zoals die op 10 juli 2026 namens [gedaagde] aan GTE Real Estate is toegezonden en het accepteren van deze revisies (met uitzondering van de artikelen 10.2 en 10.3) door GTE Real Estate.

4.6.

[gedaagde] voert aan dat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen omdat zij GTE Real Estate nooit als kopende partij heeft aanvaard. Los daarvan is volgens [gedaagde] ook geen wilsovereenstemming tussen partijen bereikt omdat het laatste aanbod van [gedaagde] niet door GTE Real Estate is aanvaard en/of het laatste aanbod van GTE Real Estate niet door [gedaagde] is aanvaard, en bovendien de koopprijs niet vaststaat. Verder voert [gedaagde] aan dat een veroordeling tot levering van aandelen en daarmee een lopend bedrijf ingrijpend en moeilijk terug te draaien is, zodat in kort geding sprake moet zijn van een grote mate van terughoudendheid voor de voorzieningenrechter. Het eerder gedane beroep op (vernietiging wegens) dwaling wordt, zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren gebracht, door haar niet gehandhaafd.

4.7.

Uit hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken, blijkt voor [gedaagde] het meest prangende punt dat de man die volgens haar achter GTE Real Estate zit, UBO [belanghebbende] , een bijzonder slechte naam heeft, terwijl [gedaagde] als voorwaarde heeft gesteld dat de uiteindelijke koper van ‘good standing’ moet zijn zodat zij met een gerust hart haar hotel en het personeel en klanten in goede handen kan achterlaten. [gedaagde] betoogt dat zij met [bedrijf 5] heeft onderhandeld over de verkoop van de aandelen onder de voorwaarde dat zij nog akkoord zou moeten gaan met een eventuele andere koper dan [bedrijf 5] en dat zij GTE Real Estate niet als kopende partij heeft aanvaard. Deze voorwaarde zou dan - zo begrijpt de voorzieningenrechter - besloten liggen in de brief van 23 maart 2026 van [makelaar] , de koopbevestiging van 3 april 2026 en de brieven van de advocaat van [gedaagde] van 9 mei 2026 en 9 juni 2026 waarin het belang van [gedaagde] bij behoud van de kernfunctie(s) van het hotel is benadrukt.1

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op 3 april 2026 is in eerste instantie een koopbevestiging ondertekend betreffende de activa van het hotel. Daarin staat als koper genoemd ‘[bedrijf 5] BV, en/of nader te noemen meester’. Hoewel [gedaagde] aanvoert dat zij niet aan die koopbevestiging is gebonden, omdat deze niet door haar is ondertekend, verklaart zij tevens dat zij aan [bedrijf 5] heeft laten weten verder met haar, al dan niet voor een ander, te willen praten over een aandelentransactie. In die zin is derhalve voortgeborduurd op de koopbevestiging en was het voor [gedaagde] volstrekt duidelijk dat [bedrijf 5] bevoegd was op te treden namens een derde en dat zij [gedaagde] voor het verdere verloop (tevens) als verkoper aanmerkte en mocht aanmerken. Dat de koopbevestiging - in het kader van de destijds voorliggende activatransactie - (noodzakelijkerwijs) is ondertekend door [naam 1] en [naam 2] in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers van [hotel] B.V. en [bedrijf 4] B.V. komt in dit verband geen zelfstandige betekenis toe.

4.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat tussen GTE Real Estate en [gedaagde] op 3 juli 2026 een koopovereenkomst met betrekking tot alle essentialia daarvan tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft op die datum - in het kielzog van alle eerdere onderhandelingen en hiervoor geschetste verwikkelingen - bevestigd dat en welke nadere afspraken zijn gemaakt in aanvulling op de eerdere ‘conceptovereenkomst aandelen’ van 7 mei 2026 en daaraan met zoveel woorden toegevoegd dat zij zal zorgen voor een aangepaste conceptovereenkomst en beoogt deze de week daarop digitaal te ondertekenen. Een en ander is vervolgens door [bedrijf 5] en [belanghebbende] geaccordeerd met de - op haar beurt door [gedaagde] geaccordeerde - aanvulling dat [bedrijf 5] gedurende het gehele traject volledig vrij zal zijn om het object (de gesplitste delen) openlijk te koop aan te bieden en te verkopen en dat zij vrij is om openlijk naar een nieuwe exploitant te zoeken, deze te benaderen en daarmee afspraken te maken.

4.10.

Voor wat betreft de stelling van [gedaagde] dat als essentiële voorwaarde door haar is gesteld en/of zou zijn overeengekomen dat de koper van ‘good standing’ zou moeten zijn, heeft te gelden dat op geen enkele wijze is gebleken dat [gedaagde] dit eerder als voorwaarde heeft gesteld, en evenmin dat zij nog akkoord zou moeten gaan met een eventuele andere koper dan [bedrijf 5] . Het tegendeel is het geval. Zoals onder de feiten is opgenomen heeft (de financieel adviseur van) [bedrijf 5] op 7 mei 2026 een conceptovereenkomst aandelen met [gedaagde] gedeeld waarin GTE Real Estate als koper staat vermeld. Op dat moment was het voor [gedaagde] dus duidelijk dat GTE Real Estate de koper van de aandelen zou zijn. Na de eerste vernietiging van de overeenkomst door [gedaagde] op 9 mei 2026 - vanwege beweerdelijke verschillen van inzicht rond de exploitatie - is [gedaagde] daar op 13 mei 2026 op teruggekomen met de mededeling dat haar zorgen weliswaar blijven bestaan maar dat zij toch verder wil met de verkoop omdat zij zelf een ander pad wil inslaan. Vervolgens heeft [gedaagde] op 3 juli 2026 nog eens expliciet bevestigd dat is overeengekomen dat [bedrijf 5] vrij is om het object (of delen ervan) openlijk te koop aan te bieden en vrij is in de keuze van een nieuwe exploitant. In de context van de hiervoor aangeduide wilsvertrouwensleer hebben [bedrijf 5] en GTE Real Estate er op grond van al deze uitlatingen van uit mogen gaan dat geen essentiële voorwaarden werden gesteld aan de kopende (rechts)persoon. Daar komt bij dat de toenmalig advocaat van [gedaagde] in zijn brief van 14 juli 2026 heeft aangegeven dat van de zijde van [gedaagde] sprake is van dwaling en dat de rechtsverhouding daarom werd vernietigd dan wel (wegens wanprestatie) ontbonden. Dat duidt erop dat [gedaagde] ervan uitging dat op dat moment reeds tussen partijen een overeenkomst tot stand was gekomen. Dat het [bedrijf 5] en GTE Real Estate had gesierd om voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst meer duidelijkheid te verschaffen over de belanghebbende bij de koop maakt dit niet anders. Daarbij valt uit de woordelijke uitlatingen van [bedrijf 5] (bij monde van de heer [naam 5] ) ter zitting - te weten dat zij het hotel samen met [belanghebbende] wilde kopen - op te maken dat [belanghebbende] inderdaad de persoon was bij wie al in een vroeg stadium van de besprekingen het economische belang bij de koop berustte.

4.11.

[gedaagde] heeft pas in de e-mail van 10 juli 2026, waarbij zij de conceptovereenkomst met haar opmerkingen retourneert, aangegeven dat het voor haar cruciaal is dat de koper van ‘good standing’ is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan [gedaagde] dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, achteraf niet meer aan GTE Real Estate tegenwerpen. GTE Real Estate heeft derhalve te gelden als koper van de aandelen. Onder deze omstandigheden is niet van belang of en in hoeverre [belanghebbende] van good of bad standing is en in hoeverre dit aan de kopende partij (GTE Real Estate) zou moeten worden toegerekend.

4.12.

Wat de overige essentialia van de overeenkomst betreft overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Tussen partijen is niet in geschil wat het object van de koopovereenkomst is, zijnde de aandelen in [hotel] B.V. Ditzelfde geldt voor de leveringsdatum die bepaald is op (uiterlijk) 31 december 2026.

4.13.

Inzake de prijs die moet worden betaald voert [gedaagde] aan dat de koopprijs niet vaststaat en er volgens [gedaagde] ook geen overeenstemming is bereikt over een wijze waarop die koopprijs onherroepelijk kan worden vastgesteld aangezien er geen duidelijkheid is over de VpB-belastinglatentie.

4.14.

In de koopovereenkomst is bepaald dat de koopprijs € 4,5 mln. bedraagt minus een te bepalen percentage van de VpB-belastinglatentie en dat dit percentage bindend wordt vastgesteld door de beide financieel adviseurs gezamenlijk, waarbij als uitgangspunt heeft te dienen dat een mogelijk voordeel of nadeel van deze transactie ten opzichte van een activa-passiva transactie voor rekening komt van koper. Daarmee is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de koopprijs, respectievelijk de wijze van vaststelling daarvan, voldoende concreet bepaald. Dat [gedaagde] in haar begeleidende e-mail van 10 juli 2026 heeft aangegeven dat de financieel adviseur van [gedaagde] nog niet heeft kunnen reageren op de definities en de vaststelling van de koopprijs en of het op deze manier voor de financieel adviseurs werkbaar is, maakt dat niet anders. Partijen zijn het er blijkens de over en weer toegezonden concepten en hun reacties daarop wel over eens dat de koopprijs op deze manier moet worden vastgesteld. Dat de door [gedaagde] beoogde adviseur inmiddels heeft aangegeven het niet passend te vinden deze taak op zich te nemen, maakt dit evenmin anders. Het staat [gedaagde] geheel vrij hiervoor een andere deskundige te benaderen.

4.15.

[gedaagde] voert verder aan dat de exploitatie van het hotel als horecabedrijf voor haar van meet af aan van cruciaal belang was. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling echter eveneens verklaard dat zij zich als zodanig wel kan vinden in de inhoud van de koopovereenkomst. Daarin zijn afspraken gemaakt over de exploitatie, onder meer dat het koper vrijstaat om openlijk naar een nieuwe exploitant te zoeken, deze te benaderen en daarmee afspraken te maken. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling eveneens erkend dat zij op de hoogte was van de plannen om de kamers in het hotel te verponden, hetgeen overigens ook blijkt uit de brief van 23 maart 2026 die [makelaar] namens [gedaagde] aan de gemeente Schiermonnikoog heeft gezonden, en dat zij daar op zich geen bezwaar tegen heeft. Daar komt ten slotte bij dat partijen het erover eens zijn dat het bestemmingsplan voorschrijft dat op de locatie van het hotel een horecabedrijf categorie 1 moet zijn gevestigd. GTE Real Estate zal daarom op die plaats ook een horecabedrijf moeten exploiteren. Voor zover dit onderdeel in de onderhavige koopovereenkomst als een essentieel onderdeel heeft te gelden, is de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande dan ook voorlopig van oordeel dat eveneens op dit onderdeel wilsovereenstemming tussen partijen bestaat. Ten overvloede tekent de voorzieningenrechter daarbij aan dat eventuele Bibop- en vergunningsperikelen van de zijde van de gemeente Schiermonnikoog in de risicosfeer van de koper liggen en als zodanig een zekere waarborg bieden voor de toekomstige exploitatie van het hotel binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan. Daarbij zijn er overigens ook geen concrete aanwijzingen dat deze exploitatie in vergaande mate zal afwijken van hetgeen [makelaar] de gemeente Schiermonnikoog reeds op 23 maart 2026 heeft medegedeeld.

4.16.

Al het voorgaande in acht genomen, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat tussen partijen wilsovereenstemming bestaat betreffende de essentialia van de koopovereenkomst en dat derhalve een koopovereenkomst tussen hen tot stand is gekomen. Dat GTE Real Estate niet akkoord is gegaan met de door [gedaagde] in de conceptovereenkomst toegevoegde artikelen 10.2 en 10.3 (zoals hiervoor geciteerd in ro. 2.12.) maakt dat niet anders. Ook deze artikelen zijn door [gedaagde] pas op 10 juli 2026 voorgesteld, en aldus na de totstandkoming van de overeenkomst, en zij maken geen onderdeel uit van de reeds tot stand gekomen overeenkomst, laat staan dat het hier essentiële voorwaarden zou kunnen betreffen. Hiervoor is verder al aangeduid dat deze voorwaarden zich bovendien in de risicosfeer van de koper bevinden, zodat niet inzichtelijk is welk zelfstandig belang [gedaagde] hierbij heeft, terwijl GTE Real Estate er bovendien terecht op heeft gewezen dat in de koopbevestiging nu juist uitsluitend ontbindende voorwaarden stonden waarop de koper zich kon beroepen, zodat zij met deze nadere voorwaarden ook op die grond geen rekening heeft hoeven te houden.

4.17.

De vordering [gedaagde] te veroordelen de koopovereenkomst aandelen na te komen, zal dan ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter gaat daarbij uit van de overeenkomst zoals deze is overgelegd als productie 17 bij dagvaarding, omdat over de artikelen 10.2 en 10.3 die door [gedaagde] zijn toegevoegd (en die geen essentialia van de overeenkomst behelzen) partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

4.18.

De voorzieningenrechter zal [gedaagde] eveneens gebieden alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het opstellen en passeren van de door de notaris op te maken leveringsakte betreffende de levering van de aandelen in [hotel] B.V., alsmede haar gebieden zich te onthouden van alle gedragingen die het opstellen of passeren van de leveringsakte kunnen belemmeren.

Dwangsom

4.19.

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen en gematigd op de wijze zoals hierna in het dictum vermeld. Dat de vorderingen betrekkelijk algemeen zijn geformuleerd en daarom tot executiegeschillen zouden kunnen leiden, zoals [gedaagde] hebben betoogd, brengt niet mee dat toewijzing van dwangsommen daarom niet aan de orde zou kunnen zijn.

Proceskostenveroordeling

4.20.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GTE Real Estate worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

0,00

( [gedaagde] is vrijwillig verschenen)

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

4.21.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om de koopovereenkomst aandelen, zoals bij productie 17 bij dagvaarding is overgelegd, na te komen;

5.2.

gebiedt [gedaagde] alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het opstellen en passeren van de door de notaris op te maken leveringsakte betreffende de levering van de aandelen in de [hotel] B.V., alsmede gebiedt [gedaagde] zich te onthouden van alle gedragingen die het opstellen of passeren van de leveringsakte kunnen belemmeren,

5.3.

verbindt aan de geboden onder 5.1. en 5.2. een dwangsom van € 25.000,00 bij overtreding, te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,00 per dag of dagdeel dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,00,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kremer en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

c:598

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »