RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.171133.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2026.
Verdachte is niet verschenen. Mr. W.B. Lisi, advocaat te Roermond, is namens haar gemachtigd. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 5 mei 2023 te Sneek, gemeente Sûdwest-Fryslán, in of nabij de woning [adres 2] , een persoon genaamd [slachtoffer] , tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd, door deze [slachtoffer] met een pistool, althans met een vuurwapen, een kogel in de (linker)borst, althans in het lichaam te schieten, althans bij (een) ander(en) het feit heeft uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen en/of medeplichtig is geweest bij het plegen van dit feit door het verschaffen van inlichtingen aan die ander(en), welke ondermeer bestond uit het geven van de woon- en/of verblijfplaats van die [slachtoffer] aan die ander(en).
Beoordeling van het bewijs
Inleiding
Op 5 mei 2023 werd het slachtoffer in zijn woning in Sneek om het leven gebracht, doordat hij na het openen van de voordeur van dichtbij in zijn borst werd geschoten. De schutter bleek na uitgebreid onderzoek [schutter] te zijn. [schutter] is op 14 november 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep veroordeeld voor doodslag op het slachtoffer. Zowel deze rechtbank in eerste aanleg als het gerechtshof in hoger beroep hebben [schutter] vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen, omdat niet was gebleken dat er uitvoeringshandelingen zijn verricht door (een) ander(en) dan verdachte. Evenmin bleek van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (een) ander(en) met het doel om het slachtoffer te doden.
Omdat er geen directe connectie werd gevonden tussen [schutter] en het slachtoffer, zijn er in het opsporingsonderzoek meerdere scenarios onderzocht. Een van die scenarios betreft een wraak- of vergeldingsactie. Verdachte werkte in een AZC en kwam daar in contact met het slachtoffer, die asiel had aangevraagd in Nederland. Het slachtoffer zou verdachte uit verliefdheid gestalkt hebben, onder andere door haar thuis op te zoeken. Bij het laatste incident met het slachtoffer op 3 mei 2023, heeft verdachte gebeld met haar broer [medeverdachte] . [medeverdachte] had op dat moment regelmatig contact met [schutter] . Na de doodslag op het slachtoffer werden verdachte en haar broer daarom verdacht van betrokkenheid daarbij, mede omdat was gebleken dat verdachte in de systemen van haar werk had gezocht naar gegevens over het slachtoffer waaronder zijn adres.
De strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] is op 16 juni 2026 door deze rechtbank voor geëindigd verklaard. Er waren op dat moment onvoldoende aanwijzingen in zijn richting en door lange inactiviteit aan de kant van het Openbaar Ministerie viel redelijkerwijs niet meer te verwachten dat de strafvervolging tegen hem voortgezet zou worden.
In de strafzaak tegen verdachte werd eenzelfde verzoek op grond van art. 29f Sv door deze rechtbank niet ontvankelijk verklaard, omdat het onderzoek ter terechtzitting in haar zaak reeds was aangevangen. De strafzaak tegen verdachte is daarom aangebracht ter terechtzitting van 22 september 2026 voor een inhoudelijke behandeling. Het draait in deze zaak nu om de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van- of medeplichtig zijn aan moord of doodslag, dan wel deze heeft uitgelokt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot integrale vrijspraak. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Uit het dossier blijken enkele omstandigheden die op betrokkenheid van verdachte zouden kunnen duiden. Het slachtoffer zou verdachte uit liefde gestalkt hebben. Toen het slachtoffer na een stopgesprek met de politie opnieuw contact zocht met verdachte, heeft verdachte haar broer daarover ingelicht. Er zouden bij verdachte en haar collegas daarna zorgen bestaan over het gebruik van geweld richting het slachtoffer door de broer van verdachte. Verdachte zou bovendien gezegd hebben dat zij bang was dat het slachtoffer in het graf zou belanden. Daarnaast blijkt uit het dossier nog dat verdachte meermaals in het digitale systeem van haar werkgever heeft gezocht naar de gegevens van het slachtoffer, waaronder naar zijn woonadres.
Voor het ten laste gelegde medeplegen van moord of doodslag is volgens de officier van justitie echter onvoldoende bewijs, omdat niet blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [schutter] en verdachte. Ook voor de ten laste gelegde uitlokking tot moord is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Er moet sprake zijn van dubbel opzet: opzet op het uitlokken door het verschaffen van inlichtingen en opzet op de dood van het slachtoffer. Het is onbekend of verdachte relevante (adres)gegevens van het slachtoffer heeft doorgespeeld. Er blijkt ook niet van een gegeven opdracht of van enige opzet op de dood aan de kant van verdachte. Het dubbele opzet kan in deze zaak daarom niet worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft eveneens betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht hetgeen verdachte ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Op basis van het strafdossier kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij het om het leven brengen van het slachtoffer. Voor wat betreft het ten laste gelegde medeplegen geldt dat niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de schutter, [schutter] . Ook medeplichtigheid kan niet worden bewezen, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen aan een ander heeft verschaft. Dat verdachte in het digitale systeem de gegevens van haar vermeende stalker heeft opgezocht, betekent immers niet dat zij die gegevens ook heeft doorgespeeld, laat staan dat zij die heeft doorgespeeld om hulp te bieden bij het doden van het slachtoffer.
Voor wat betreft de uitlokking, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het benodigde dubbele opzet niet kan worden bewezen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, blijkt niet dat verdachte daadwerkelijk gelegenheid heeft geboden of middelen dan wel inlichtingen heeft verstrekt. Dat verdachte een ander heeft willen aanzetten tot het begaan van een misdrijf, en daarmee opzet heeft gehad op het uitlokken, kan dan ook niet worden vastgesteld. Daarnaast geldt dat nergens uit gebleken is dat verdachte
enig opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen van de varianten van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte op alle onderdelen dient te worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.045,40 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu verdachte dient te worden vrijgesproken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu verdachte dient te worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de vordering van [benadeelde] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [benadeelde] zijn eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.P. Eckert en E.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2026.
Mr. H.P. Eckert is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.