RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/26/1013 R
vonnis van 7 augustus 2026
in de schuldsaneringsregeling van:
[schuldenaar] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , hierna te noemen: [schuldenaar] ,
bewindvoerder: [bewindvoerder] ,
advocaat: mr. J. Scholtens,
op het verzoek tot tussentijdse beëindiging, ingediend door:
[verzoekster] , wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. G.E. Knol.
PROCESGANG
Bij vonnis van deze rechtbank van 21 januari 2026 is ten aanzien van [schuldenaar] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Op 18 mei 2026 is ter griffie het verzoek tot tussentijdse beëindiging ontvangen.
Op 19 juni 2026 is van de zijde van [schuldenaar] een verweerschrift ontvangen.
De zaak is behandeld ter zitting van 24 juli 2026, alwaar zijn verschenen:
-
de heer [schuldenaar] , de schuldenaar;
-
mevrouw mr. J. Scholtens, advocaat van [schuldenaar] ;
-
mevrouw [verzoekster] , verzoekster;
-
mevrouw mr. G.E. Knol, advocaat van [verzoekster] ;
-
[bewindvoerder] , bewindvoerder;
-
[beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder.
RECHTSOVERWEGINGEN
[verzoekster] heeft verzocht om de schuldsaneringsregeling van [schuldenaar] tussentijds te beëindigen. Aan dit verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat er sprake is van feiten en omstandigheden die de rechtbank ten tijde van de toelating van [schuldenaar] tot de schuldsaneringsregeling niet bekend waren en die, waren zij wel bekend geweest, aan toelating in de weg hadden gestaan.
Kort samengevat heeft [verzoekster] (die een affectieve relatie met [schuldenaar] heeft gehad, uit welke relatie twee kinderen zijn geboren) aangevoerd dat [schuldenaar] de WSNP zou gebruiken als schild tegen verhaal naar aanleiding van zijn frauduleus handelen. [verzoekster] stelt dat [schuldenaar] misbruikt maakt van de schuldsaneringsregeling, door zich zodoende te kunnen onttrekken aan zijn zwaarste verplichtingen, waaronder het structureel niet voldoen van kinderalimentatie en het laten oplopen van de hoge (familie)schulden. Ook zouden er signalen zijn van verduistering/frauduleus handelen door [schuldenaar] tegenover een andere schuldeiser ( [schuldeiser] ). [verzoekster] verwijst daarbij naar een aangifte die namens [schuldeiser] is gedaan door de heer Obbink.
Door en namens [schuldenaar] is aangevoerd dat hij bij het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling volledig transparant is geweest. De vorderingen van [verzoekster] en ook van [schuldeiser] stonden vermeld op de bij het verzoekschrift gevoegde schuldenlijst. Voorts heeft [schuldenaar] (desgevraagd door de rechtbank) nog een schriftelijke toelichting gegeven op de vorderingen van [verzoekster] . [schuldenaar] heeft aangevoerd dat het verzoek van [verzoekster] tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling reeds om deze reden zou moeten worden afgewezen. Ten overvloede is door [schuldenaar] nog aangegeven dat zijn goede trouw bij toelating tot de WSNP al is getoetst door de rechtbank, en dat de rechtbank daarbij wat [schuldenaar] betreft een juiste beslissing heeft genomen door hem toe te laten tot deze regeling.
Door de beschermingsbewindvoerder is ter zitting aangegeven dat het beschermingsbewind zonder problemen verloopt en dat [schuldenaar] erg zijn best doet en zijn volledige medewerking verleent.
De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat ook de WSNP naar behoren verloopt en dat [schuldenaar] voldoet aan zijn daaruit voortvloeiende verplichtingen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Aan de orde is de vraag of er sprake is van feiten en omstandigheden die ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling bestonden, en die als zij de rechtbank bekend waren geweest aan toelating in de weg hadden gestaan, één en ander zoals bedoeld in art. 350 lid 3 onder f Fw. De rechtbank constateert dat de vorderingen van [verzoekster] en [schuldeiser] vermeld staan op de schuldenlijst die bij het toelatingsverzoek is gevoegd, en dat omtrent de vorderingen van [verzoekster] nog aanvullende informatie door de rechtbank is opgevraagd en verkregen. De vorderingen van zowel [verzoekster] als [schuldeiser] op [schuldenaar] waren bij toelating van [schuldenaar] derhalve bekend en zijn in de beoordeling van de rechtbank meegenomen.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat van een situatie als bedoeld in art. 350 lid 3 onder f Fw onvoldoende is gebleken. De rechtbank zal het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling dan ook afwijzen. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarbij dat de goede trouw van [schuldenaar] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden bij toelating is getoetst, en dat van kwade trouw niet is gebleken. Voor een heroverweging van deze beslissing is in het kader van het onderhavige verzoek geen ruimte.
De rechtbank overweegt daarbij voorts dat [verzoekster] de mogelijkheid heeft gehad om in hoger beroep te gaan tegen de beslissing van de rechtbank om [schuldenaar] toe te laten tot de WSNP. Namens [verzoekster] is ter zitting aangegeven dat de termijn daarvoor echter te kort is gebleken, en dat daarom voor een verzoek tot tussentijdse beëindiging is gekozen.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst het verzoek van [verzoekster] tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [schuldenaar] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D.D. Bal en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026 door mr. M.C. Groenewegen, in tegenwoordigheid van de griffier.1