ECLI:NL:RBNNE:2026:3574

Datum uitspraak
20-04-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
NL:TZ:2605214:R-RK
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Fw toegewezen pro forma in verband met afmelding verhuurder.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie

Zittingsplaats Groningen

Rekestnummer: NL:TZ:2605214:R-RK

Uitspraak van 20 april 2026

In de zaak van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

hierna te noemen: verzoeker,

tegen

Stichting Acantus,

vertegenwoordigd door Flanderijn Incasso en Gerechtsdeurwaarders,

correspondentieadres: Postbus 25042, 3001 HA Rotterdam,

hierna te noemen: de verhuurder.

tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).

1 De procedure

1.1

Verzoeker wil proberen om met zijn schuldeisers een schuldregeling te treffen, maar de verhuurder dreigt zijn huurwoning op 5 maart 2026 te ontruimen.

Daarom heeft verzoeker op 2 maart 2026 twee verzoeken bij de rechtbank ingediend. Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de uitvoering van het ontruimingsvonnis te schorsen (moratorium). Daarnaast heeft hij een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).

1.2

Op 3 maart 2026 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 13 april 2026, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen.

1.3

Het verzoek is op 13 april 2026 pro forma behandeld, omdat de verhuurder heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

1.4

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Het verzoek

2.1

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw om een ontruiming van de woning te voorkomen.

2.2

Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te treffen dan wel – als dat niet

lukt – toelating tot de Wsnp zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.

2.3

De schuldhulpverlener heeft op 7 april 2026 tussentijds verslag uitgebracht, waaruit blijkt dat de huur sinds de datum van het tussenvonnis tijdig en volledig is betaald. Van de huurbetaling is een betaalbewijs overgelegd. Verzoeker heeft sinds juni 2025 budgetbeheer.

3 Het verweer

3.1

De verhuurder heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. De verhuurder heeft bij e-mailbericht van 11 maart 2026 aan de rechtbank laten weten dat zij niet op de zitting zal verschijnen, zonder verdere opgave van reden.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is om verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan, maar constateert op basis van het verslag van de schuldhulpverlener dat de huur sinds het tussenvonnis door de budgetbeheerder op tijd en volledig is voldaan.

4.2

Gelet op het belang van verzoeker om thans in relatieve rust aan de sanering van de schulden te kunnen werken, acht de rechtbank de gevraagde voorziening gerechtvaardigd en zal het verzoek worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van het tussenvonnis. In het belang van de verhuurder zal de rechtbank bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft, wordt voldaan.

4.3

Op het verzoek tot toepassing van de Wsnp wordt nu nog niet beslist, omdat het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Als tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoeker dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de Wsnp in te trekken.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

schorst de tenuitvoerlegging van het op 6 mei 2025 door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

5.2

bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek

verschuldigde huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan;

5.3

bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden met ingang van 3 maart 2026;

5.4

bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de Wsnp wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;

5.5

bepaalt dat de schuldhulpverlener uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.

Dit is de beslissing van mr. C.H. Beuker, rechter, in samenwerking met de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »