RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.086944.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Schütz, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H.P. Polstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een vuistslag dan wel klap tegen de kaak, althans het hoofd te geven,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]
-
onderuit te schoppen of te trekken, waardoor die [slachtoffer 2] kwam te vallen en/of
-
(toen die [slachtoffer 2] op de grond lag) tegen het lichaam te trappen en/of een vuistslag/klap tegen het hoofd te geven;
3.
hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Leeuwarden, een ambtenaar, [slachtoffer 3] , gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] een vuistslag/klap tegen het oor, in elk geval het hoofd te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten tinnitus ten gevolge heeft gehad.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken de onder 1. en 3. ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid dat de mishandelingen zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben gehad. De raadsman heeft aangevoerd dat onvoldoende (medisch) is onderbouwd dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte het ten laste gelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
feiten 1 en 2
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 augustus 2026;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 maart 2025, opgenomen op pagina 65 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-
2025069593 d.d. 20 maart 2025, inhoudend de verklaring van verdachte;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 maart 2025, opgenomen op pagina 35 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 maart 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] ;
5. een wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 20 maart 2025, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant.
Overweging feit 1
Onder 1. wordt verdachte onder meer verweten dat de vuistslag die hij aangever [slachtoffer 1] heeft gegeven zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, ten gevolge heeft gehad.
De rechtbank overweegt dat bij de vaststelling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel van belang zijn. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen hetgeen algemene ervaringsregels omtrent die gezichtspunten leren.
Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat aangever [slachtoffer 1] door de vuistslag een gebroken kaak heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat in casu niet is komen vast te staan dat de gebroken kaak als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt niet dat sprake was van een gecompliceerde botbreuk en/of dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Tevens was aangever binnen zes weken weer aan het werk. Dat aangever mogelijk op dit moment nog steeds last heeft van zijn kaak bij het openen van zijn mond en er daarom geen sprake is van volledig herstel blijkt onvoldoende uit de stukken.
Het voorgaande betekent dat verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
feit 3
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 augustus 2026;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025072848 d.d. 24 maart 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .
Overweging feit 3
Onder 3. wordt verdachte onder meer verweten dat de vuistslag die hij aangever [slachtoffer 3] heeft gegeven zwaar lichamelijk letsel, te weten tinnitus, ten gevolge heeft gehad.
De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat aangever door de vuistslag tinnitus (een blijvende piep in zijn oor) heeft opgelopen.
Hieromtrent is geen medische verklaring opgesteld en de rechtbank acht het audiogram, dat de rechtbank ontving in het kader van de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding, onvoldoende om vast te
kunnen stellen dat sprake is van tinnitus. De rechtbank vindt daarom dat niet kan worden bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 18 maart 2025 te Leeuwarden, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een vuistslag tegen de kaak te geven;
2.
hij op 18 maart 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2]
-
onderuit te schoppen, waardoor die [slachtoffer 2] kwam te vallen en
-
toen die [slachtoffer 2] op de grond lag, tegen het lichaam te trappen en een vuistslag tegen het hoofd te geven;
3.
hij op 21 maart 2025 te Leeuwarden, een ambtenaar, [slachtoffer 3] , gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] een vuistslag tegen het oor te geven.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
-
mishandeling;
-
mishandeling;
-
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd en de raadsman heeft bepleit verdachte het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde niet toe te rekenen en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage van 8 mei 2026, opgemaakt door O.M. Guddat, psychiater en op de psychologische onderzoeksrapportage van 12 juni 2026, opgemaakt door B.Y. van Toorn, psycholoog. Beide gedragsdeskundigen adviseren de rechtbank verdachte de ten laste gelegde feiten helemaal niet toe te rekenen: verdachte was ten tijde van de delicten het contact met de realiteit volledig kwijt. Hij was er namelijk van overtuigd dat anderen hem iets aan wilden doen. Hij lijdt volgens de gedragsdeskundigen aan schizofrenie (of een schizofreniespectrum stoornis) en een paniekstoornis.
De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend.
De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.
Overwegingen omtrent opleggen van een maatregel
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd en de raadsman heeft bepleit om verdachte geen maatregel op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de overwegingen of een maatregel moet worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de voornoemde rapportages van de gedragsdeskundigen, de rapportages van Reclassering Nederland opgemaakt op 17 juni 2025 en 17 juli 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte, het uittreksel uit het European Criminal Records Information System Justitiële Documentatie (ECRIS) van verdachte alsmede het standpunt van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De voornoemde gedragsdeskundigen adviseren niet tot behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling (hierna: tbs). De psycholoog schrijft daarover dat verdachte niet thuis hoort in het tbs-circuit en noemt verdachte een psychiatrisch en niet een forensische patiënt. De psychiater schrijft dat een tbs-kader niet toepasselijk is op verdachte, vanwege het lage recidiverisico bij psychiatrische stabiliteit.
Over de kans op herhaling zijn de gedragsdeskundigen het eens. Die kans is er, maar die is klein als verdachte stabiliteit heeft op het gebied van medicatie en behandeling. Is aan die voorwaarden niet voldaan, dan is de kans op herhaling van een gewelddadig delict wel groot.
Beide gedragsdeskundigen adviseren de mogelijkheden van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) via artikel 2.3 Wet forensische zorg (Wfz) te onderzoeken.
De rechtbank stelt over de zorgmachtiging het volgende vast. Tijdens de zitting van 2 april 2025 heeft de raadkamer van deze rechtbank het Openbaar Ministerie gevraagd de mogelijkheden van een zorgmachtiging te onderzoeken. Dat heeft het Openbaar Ministerie gedaan, wat in april van dat jaar heeft geleid tot de beslissing van het Openbaar Ministerie geen verzoek te doen voor een dergelijke machtiging. De stukken daarover zitten, zoals dat hoort als er geen verzoek tot de aanvraag van zon machtiging wordt gedaan, niet in het strafdossier zodat de rechtbank daar geen kennis van draagt. Op de inhoudelijke zitting van 6 augustus 2026 heeft de officier van justitie aan de rechtbank gemeld dat er kort voor de zitting nog een keer is verzocht een onderzoek te doen of verdachte alsnog op grond van een zorgmachtiging geplaatst zou kunnen worden. Opnieuw is de aanvraag van een zorgmachtiging niet gedaan, omdat verdachte niet zou voldoen aan de criteria van een zorgmachtiging.
De rechtbank ziet zich daardoor voor een moeilijke afweging geplaatst. Verdachte heeft drie strafbare feiten gepleegd, waarbij hij steeds iemand heeft mishandeld. Omdat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging kan van een gevangenisstraf geen sprake zijn. Wel duidelijk is dat verdachte psychische hulp nodig heeft om herhaling van zijn strafbare gedrag te voorkomen. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat verdachte eerder is opgenomen in instellingen van de Geestelijke gezondheidszorg (hierna: GGZ) in verband met psychotische stoornissen waarbij hij, voor zover bekend, niet gewelddadig was richting anderen. Tevens blijkt uit zijn justitiële documentaties dat hij niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.
De rechtbank zou opnieuw de officier van justitie kunnen vragen om op grond van artikel 2.3 Wfz een onderzoek te starten naar de mogelijkheid hem in het kader van een zorgmachtiging te behandelen. Een dergelijk verzoek zou echter tot een herhaling van zetten leiden, zeker gezien het feit dat recentelijk al is vastgesteld dat verdachte niet aan de criteria voldoet. Anders dan de tekst van artikel 2.3 Wfz lijkt te suggereren (de rechter kan ambtshalve een zorgmachtiging ... afgeven) is het niet zo dat de rechtbank ambtshalve tot een zorgmachtiging kan beslissen. Dat kan namelijk alleen nadat daar de voorbereiding aan vooraf is gegaan die in deze zaak al twee keer was gedaan en die er op neer komt dat in ieder geval volgens de Wvggz-criteria het gedragsdeskundig oordeel wordt gegeven dat er verplichte zorg moet worden verleend en in welke vormen. Een dergelijk (gedragsdeskundig) oordeel kan de strafrechter uiteraard niet geven.
De rechtbank zal daarom niet gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 2.3 Wfz.
De andere mogelijkheid is aan verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Eerdergenoemde gedragsdeskundigen hebben het over tbs, dus zonder de toevoeging met verpleging of met voorwaarden. Tbs (in welke vorm dan ook) kan alleen worden opgelegd als sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis en een strafbaar feit met een strafbedreiging van vier jaar of meer. Aan deze criteria en ook aan het criterium dat er recente rapporten zijn van twee gedragsdeskundigen over de geestesgesteldheid van verdachte, waaronder een van een psychiater, die niet ouder zijn dan één jaar is voldaan.
In het derde rapport over de psychische toestand van verdachte, dat van de reclassering van 17 juli 2026, adviseert die instelling negatief over de tbs met voorwaarden. Niet alleen omdat de reclassering de overwegingen van de gedragsdeskundigen overneemt met betrekking tot de kans op herhaling maar ook omdat zij praktische aspecten over de uitvoerbaarheid van zon tbs-maatregel in haar advies betrekt.
Verdachte is afkomstig uit Roemenië en hij wil terug naar Roemenië. In Nederland kan hij bij gebrek aan werk of voldoende middelen niet blijven, waardoor resocialisatie alhier (dus) niet mogelijk is. De tbs met
voorwaarden is moeilijk in het buitenland executeerbaar.
De rechtbank stelt zodoende vast dat er volgens de gedragsdeskundigen en de reclassering geen tbs moet worden opgelegd. De rechtbank stelt voorts vast dat de officier van justitie dit ook niet heeft geëist.
De rechtbank zal de gedragsdeskundigen volgen en zal geen tbs-maatregel opleggen, noch met dwangverpleging, noch met voorwaarden.
Dan constateert de rechtbank dat verdachte voor drie mishandelingen tot op de dag van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak 507 dagen heeft vastgezeten. Voor zulke strafbare feiten wordt aan verdachten die geen stoornis hebben een dergelijke lange straf niet opgelegd. Omdat deze verdachte ontoerekeningsvatbaar is en aan hem geen straf kan worden opgelegd, heeft de rechtbank hem inmiddels in vrijheid laten stellen door zijn voorlopige hechtenis op te heffen.
Dat dit geen eenvoudig besluit is spreekt voor zich. Verdachte heeft immers hulp nodig die hem niet zal worden geboden in een strafrechtelijk kader. Zo wordt de kans op herhaling van een gewelddadig delict, alhier of in Roemenië, niet verkleind.
Daarbij speelt nog dat het aanbod van zorg in het kader van de Wvggz en in het kader van een tbs-maatregel schaars is voor verdachten van strafbare feiten. Het aanbod is niet alleen schaars, de weg vanuit het strafrecht naar een plaats in de GGZ op basis van de Wvggz, is sinds de inwerkingtreding van die wet (tegelijk met de Wfz) zeker niet eenvoudig. Het proces daarheen onttrekt zich grotendeels aan de blik (en invloed) van de strafrechter, die het moet doen met de mededeling van het Openbaar Ministerie dat een verdachte niet voldoet aan de criteria van de Wvggz waarna er geen sprake kan zijn van het opleggen van een zorgmachtiging.
Op de dag van de inwerkingtreding van de Wvggz en de Wfz is overigens ook de mogelijkheid op grond van artikel 37 Wetboek van Strafrecht (oud) (hierna: Sr) iemand die volledig ontoerekeningsvatbaar is één jaar lang op te nemen in een psychiatrisch ziekenhuis komen te vervallen. Een dergelijke maatregel wordt in het geval van verdachte node gemist.
Tot slot nog dit. Een plaats in de tbs is zo mogelijk nog schaarser dan een bed in de GGZ en de weg naar het opleggen ervan is door een eveneens grote schaarste aan gedragsdeskundigen (met name van psychiaters, zoals in deze casus wel weer is gebleken) lang. Daarbij speelt ook mee dat op het moment dat de tbs is opgelegd, de wachttijd voor de tbs-gestelde voor een plaats in de kliniek lang zal zijn, vaak langer dan de twee jaar waarna er al een verlengingsbeslissing moet worden genomen.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van 1.576,83 ter vergoeding van materiële schade en
12.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [slachtoffer 2] , tot een bedrag van 3.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met
wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
3. [ [slachtoffer 3] , tot een bedrag van 385,- ter zake van materiële schade en ter vergoeding van immateriële schade primair 9.250, subsidiair 6.750,- en meer subsidiair 3.750,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen in hun geheel kunnen worden toegewezen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Door de raadsman zijn ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] (feit 1) de schadeposten eigen risico, huishoudelijk hulp en immateriële schade gemotiveerd betwist, omdat de onderbouwing van deze schadeposten ontbreekt of onvoldoende is. De gevorderde immateriële schade van [slachtoffer 1] kan volgens de raadsman tot een bedrag van 3.000,- worden toegewezen.
De raadsman heeft de vordering voor immateriële schade van [slachtoffer 2] (feit 2) deels betwist, omdat onvoldoende is onderbouwd waarom voor hem meer dient te worden toegewezen dan voor een ander persoon in een soortgelijke situatie. Dat hij door de mishandeling is teruggevallen in verslavingsproblematiek is niet (voldoende) onderbouwd. Tot een bedrag van 500,- à 600,- wordt de vordering niet betwist.
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] (feit 3) zowel de materiële als de immateriële schade betwist, omdat deze schades onvoldoende zijn onderbouwd met stukken. Hij acht wel aangetoond dat sprake is van in ieder geval een bepaalde mate van gehoorschade en verzoekt daarom naar billijkheid een bedrag van 1.000,-, als voorschot, aan immateriële schade toe te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
Vordering van [slachtoffer 1] (feit 1)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de gestelde materiële schade met betrekking tot de posten betaald eigen risico van de zorgverzekering 885,-, reiskosten 66,- en parkeerkosten 9,83 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat het gehele eigen risico van de zorgverzekering van 2025 is gespendeerd aan zorgkosten in verband met de vuistslag die verdachte aan [slachtoffer 1] heeft gegeven.
De vordering, waarvan de hoogte in zoverre onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 maart 2025.
Door de benadeelde partij [slachtoffer 1] is ook een bedrag van 616,- voor een periode van 7 weken aan huishoudelijke hulp gevorderd. Namens verdachte is deze schade betwist. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken niet blijkt dat de benadeelde partij daadwerkelijk behoefte heeft gehad aan huishoudelijke hulp, terwijl uit de stukken wel blijkt dat hij in deze periode aan het werk is geweest. De rechtbank vindt daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden. De vordering zal met betrekking tot de huishoudelijk hulp dan ook worden afgewezen.
Door de benadeelde partij [slachtoffer 1] is op grond van artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een bedrag van 12.000,- aan immateriële schade gevorderd. Door de benadeelde partij is gesteld dat hij blijvende schade aan zijn kaak en een hersenschudding heeft opgelopen door de vuistslag van verdachte. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat de kaak van de benadeelde partij is
gebroken door de gedragingen van verdachte, maar een medische verklaring of onderbouwing voor blijvend letsel of een hersenschudding ontbreekt. Wel staat vast dat de benadeelde door de vuistslag schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat immateriële schade naar billijkheid begroot moet worden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.
De rechtbank slaat acht op de categorie licht letsel met bandbreedte 725,- tot 2.175,- van de Rotterdamse schaal. Gelet op het feit dat namens verdachte de vordering tot een bedrag van 3.000,- niet is betwist en rekening houdend met de omstandigheden dat de benadeelde partij tijdens en na de aanval van verdachte doodsangsten heeft uitgestaan en dat hij nadien veel last van zijn kaak heeft gehad, die van de breuk moest herstellen, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van 3.000,- billijk is.
De overig gevorderde immateriële schade is betwist en is onvoldoende onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van deze schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de overig gevorderde immateriële schade daarom niet ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Vordering van [slachtoffer 2] (feit 2)
Door de benadeelde partij [slachtoffer 2] is op grond van artikel 6:106 sub b BW een bedrag van
3.000,- aan immateriële schade gevorderd. Door de benadeelde partij is gesteld dat hij na de mishandeling door verdachte een bult op zijn achterhoofd had, een wond op zijn onderlip en kin en een gewonde knie. Mogelijk dat hij ook een hersenschudding had. Tevens is gesteld dat de benadeelde partij recht heeft op een hoger bedrag aan immateriële schade dan gebruikelijk, omdat de psychische gevolgen hiervan voor hem groot zijn. Hij zou door de mishandeling een terugval hebben gehad in zijn verslavingsproblematiek.
De rechtbank stelt vast dat een medische verklaring waaruit blijkt dat sprake was van een hersenschudding ontbreekt. Tevens ontbreekt een verklaring van een gedragsdeskundige waaruit blijkt dat de terugval van de benadeelde partij in zijn verslavingsproblematiek een rechtstreeks gevolg is van de gedragingen van verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom er een hoger bedrag aan immateriële schade zou moeten worden toegewezen dan in vergelijkbare zaken wordt opgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, daardoor schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW en mede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, schat de rechtbank de hoogte van de schade op 600,-. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2025.
De overig gevorderde schade is betwist en is onvoldoende onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van deze schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de overig gevorderde schade daarom niet ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Vordering van [slachtoffer 3] (feit 3)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] de gestelde materiële schade, te weten het betaalde eigen risico van de zorgverzekering 385,- heeft geleden en dat dit een rechtstreeks gevolg is van het onder 3. bewezen verklaarde. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat het gehele eigen risico van de zorgverzekering van 2025 is gespendeerd aan zorgkosten in verband met de vuistslag die verdachte heeft gegeven.
De vordering, waarvan de hoogte in zoverre onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 maart 2025.
Door de benadeelde partij [slachtoffer 3] is op grond van artikel 6:106 sub b BW primair een bedrag van 9.250,-, subsidiair een bedrag van 6.750,- en meer subsidiair een bedrag van 3.750,- aan immateriële schade gevorderd. Door de benadeelde partij is gesteld dat hij blijvende schade, te weten tinnitus (een blijvende pieptoon in zijn oor) en gehoorschade door de vuistslag van verdachte heeft opgelopen. De rechtbank stelt vast dat een medische verklaring of onderbouwing voor tinnitus en blijvende gehoorschade ontbreekt. Door de benadeelde partij is een audiogram aan de vordering toegevoegd, maar zonder toelichting hierop vindt de rechtbank dit onvoldoende onderbouwing voor tinnitus en/of gehoorschade en de oorzaak hiervan.
Nu de benadeelde partij wel enig letsel heeft opgelopen en daardoor schade heeft geleden die een rechtstreeks gevolg is van het onder 3. bewezenverklaarde overweegt de rechtbank dat immateriële schade naar billijkheid begroot dient te worden waarbij rekening moet worden gehouden met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat een bedrag tot 1.000,- niet door verdachte is betwist.
Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW schat de rechtbank de hoogte van de immateriële schade op 1.000,-. De rechtbank zal de vordering voor immateriële schade tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2025.
De overig gevorderde immateriële schade is betwist en is onvoldoende onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van deze schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de overig gevorderde immateriële schade daarom niet ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Veroordeling in de kosten van de benadeelde partijen
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Omdat verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd, kan op grond van artikel 36f Sr niet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
De rechtbank zal daarom geen schadevergoedingsmaatregelen opleggen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ontslaat verdachte ter zake het bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van feit 1:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
-
het bedrag van 3.960,83 (zegge: drieduizend negenhonderd zestig euro en drieëntachtig eurocent);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor de overig gevorderde materiële schade af.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor de overig gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
-
het bedrag van 600,- (zegge: zeshonderd euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overig niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van feit 3:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:
-
het bedrag van 1.385,- (zegge: duizend driehonderd vijfentachtig euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] voor de overig gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr.
A. van den Oever, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2026.