RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.129851.26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.P.E.M. Pover, advocaat te Meppel. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 mei 2026 te Wijster, gemeente Midden-Drenthe, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
-
die [slachtoffer] te duwen waardoor die [slachtoffer] van de trap af viel
-
die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal met zijn vuist(en)/hand(en) in het gezicht/op het hoofd te slaan (terwijl die [slachtoffer] bewusteloos op de grond lag)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 mei 2026 te Wijster, gemeente Midden-Drenthe, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
-
die [slachtoffer] heeft geduwd waardoor die [slachtoffer] van de trap af viel
-
die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal met zijn vuist(en)/hand(en) in het gezicht/op het hoofd heeft geslagen (terwijl die [slachtoffer] bewusteloos op de grond lag)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 mei 2026 te Wijster, gemeente Midden-Drenthe, althans in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld, door
-
die [slachtoffer] te duwen waardoor die [slachtoffer] van de trap af viel
-
die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal met zijn vuist(en)/hand(en) in het gezicht/op het hoofd te slaan (terwijl die [slachtoffer] bewusteloos op de grond lag)
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.
De officier van justitie heeft daartoe verwezen naar de verklaringen van verdachte en van de getuigen [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en naar de forensisch geneeskundige letselbeschrijving inzake slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar voornoemde bewijsmiddelen op het standpunt gesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer en dat dit door toedoen van verdachte is ontstaan.
Verdachte kan zich niet beroepen op noodweer nu geen sprake was van een ogenblikkelijke aanranding waartegen verdachte zich heeft moeten verweren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of de poging daartoe kan door een tweetal handelingen zijn veroorzaakt, te weten door duwen (en daardoor vallen) en/of door slaan in het gezicht (terwijl [slachtoffer] bewusteloos op de grond lag).
Verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer] van zich af heeft geduwd maar niet dat [slachtoffer] daardoor is komen te vallen. Ook als dit wel wordt aangenomen was er bij verdachte geen opzet op het toebrengen
van zwaar lichamelijk letsel, ook niet via de voorwaardelijk opzet variant. Met betrekking tot het slaan heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte het slaan weliswaar heeft ontkend maar dat hij er gelet op de getuigenverklaringen in het dossier wel van uit gaat dat dit is gebeurd. Niet is duidelijk geworden hoe er precies is geslagen (met de vlakke hand of met de vuist), of er met kracht is geslagen en of dit slaan tot enige verwonding heeft geleid. Dit leidt er volgens de raadsman toe dat alleen het meer subsidiair ten laste gelegde - de eenvoudige mishandeling - wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair (zware mishandeling) en subsidiair (poging zware mishandeling) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Vaststaande feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte en [slachtoffer] waren op 1 mei 2026 aanwezig in chalet nummer [nummer] van het chaletpark aan de [adres] te Wijster waarin zij beiden op dat moment woonden. In het chalet waren ook aanwezig de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Er ontstond onenigheid tussen verdachte en [slachtoffer] waarna verdachte naar buiten is gegaan, kort hierna gevolgd door [slachtoffer] . Voor de ingang van het chalet bevindt zich een trapje dat bestaat uit twee traptreden. De getuigen hoorden op enig moment lawaai buiten het chalet en toen zij gingen kijken zagen zij dat [slachtoffer] bewegingsloos op de grond lag en dat verdachte over hem heen gebogen stond en dat verdachte [slachtoffer] sloeg.
Getuige [getuige 2] heeft de hulpdiensten gebeld en [slachtoffer] is met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd.
Uit de Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving d.d. 25 mei 2026 inzake [slachtoffer] blijkt, kort gezegd, dat [slachtoffer] ernstig gewond is geraakt aan met name zijn hoofd en dat er een sterk vermoeden is van uitgebreid schedelhersenletsel. Nadere informatie over de huidige medische toestand van [slachtoffer] ontbreekt. Een letselinterpretatierapportage ontbreekt eveneens.
Ten aanzien van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde
Verdachte wordt verweten dat hij het letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Dit verwijt is primair tenlastegelegd als toebrengen zwaar lichamelijk letsel, subsidiair als poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel en meer subsidiair als mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
Ter terechtzitting heeft de verdachte, evenals bij zijn eerdere verhoren bij de politie, alleen verklaard dat hij [slachtoffer] een duw heeft gegeven maar ontkend dat daardoor letsel zou zijn ontstaan en ook voor het overige het hem ten laste gelegde stellig ontkend.
De vraag die thans als eerste voorligt is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is en overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank kan op basis van de verklaringen van verdachte en de stukken in het dossier niet vaststellen wat er precies is gebeurd en waardoor het letsel is ontstaan.
Gelet op hetgeen als vaststaand is aangenomen kan ten aanzien van het handelen van verdachte enkel worden vastgesteld dat hij [slachtoffer] , terwijl deze op de grond lag, meerdere keren met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen. Niet duidelijk is geworden met welke kracht, gerichtheid en intensiteit dit slaan in het gezicht heeft plaatsgevonden. Uit de letselbeschrijving blijkt niet waardoor het letsel is ontstaan en
een letselinterpretatierapportage ontbreekt. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat dit slaan van verdachte geleid heeft tot het letsel bij [slachtoffer] .
Of het letsel op andere wijze door verdachte aan [slachtoffer] is toegebracht kan niet worden vastgesteld. Verdachte heeft steeds ontkennend verklaard, [slachtoffer] is tot op heden niet in staat gebleken om een verklaring af te leggen en overig bewijs ontbreekt.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde zware mishandeling en de subsidiair ten laste gelegde poging daartoe.
De rechtbank acht wel het meer subsidiair ten laste gelegde (eenvoudige mishandeling) wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 mei 2026, opgenomen op pagina 88 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026116641 d.d. 5 juni 2026, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Ik zag dat [slachtoffer] op de grond lag, hij lag op zijn rug en buitenkennis. [verdachte] stond met zijn benen wijd over [slachtoffer] heen en sloeg [slachtoffer]
[slachtoffer] , ik weet niet meer hoe hij dat deed maar ik zag dat hij ongeveer drie keer hard op het gezicht van [slachtoffer] sloeg.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 mei 2026, opgenomen op pagina 94 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2] :
Toen ik naar buiten liep zag ik dat [slachtoffer] op de grond lag, vlakbij het trappetje van onze woning. Ik zag dat [verdachte] boven hem stond en met zijn rechtervuist [slachtoffer] twee keer in zijn gezicht sloeg, aan de linkerkant van zijn gezicht.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 mei 2026, opgenomen op pagina 97 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2] :
We hebben na afloop gepraat. [verdachte] vertelde mij wat er gebeurd was. Dat hij naar buiten liep en daar [slachtoffer] twee keer geslagen heeft.
Gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich op 1 mei 2026 te Wijster schuldig heeft gemaakt aan (eenvoudige) mishandeling, gepleegd tegen [slachtoffer] , op de wijze zoals volgt uit voornoemde bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 1 mei 2026 te Wijster, gemeente Midden-Drenthe, [slachtoffer] heeft mishandeld door
die [slachtoffer] meerdere malen met zijn vuist in het gezicht te slaan terwijl die [slachtoffer] bewusteloos op de grond lag.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
meer subsidiair: mishandeling
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primaire feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken.
Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte inmiddels lang genoeg, te weten bijna drie maanden, heeft vastgezeten. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte met het oog op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 juli 2026 en het uittreksel uit het European Criminal Records Information System (ECRIS) Polen d.d. 4 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] . Hij heeft die [slachtoffer] met zijn vuist in het gezicht geslagen terwijl deze al bewusteloos op de grond lag. Daarmee heeft hij de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden. Van mishandeling is voorts in meer algemene zin bekend dat dit bij direct betrokken slachtoffers nog langere tijd gevoelens van angst en onveiligheid kan veroorzaken. Verdachte heeft voorts geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, hoewel geruime tijd geleden, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsmisdrijven, in zowel Nederland als Polen.
Verdachte heeft niet met de reclassering willen spreken waardoor de reclassering niet over de persoonlijke omstandigheden en over de strafafdoening heeft kunnen adviseren.
Strafoplegging
Gelet op wat de rechtbank bewezen heeft verklaard en hiervoor heeft overwogen, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
Ter terechtzitting van 28 juli 2026 heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar artikel 67a lid 3 Sv, op 28 juli 2026 het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van 29 juli 2026 om 10:00 uur. Hiervan is een aparte beslissing opheffing voorlopige hechtenis opgemaakt.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak geldt.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.B. Soppe, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. J. Faber, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.
Mr. J. Faber is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.