ECLI:NL:RBNNE:2026:3353

Datum uitspraak
21-07-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
18-202373-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor zware mishandeling (artikel 302 Sr). Overwegingen over voorwaardelijk opzet en noodweer. Voorwaardelijke gevangenisstraf 6 maanden, proeftijd 2 jaren, met als bijz vw contactverbod en taakstraf 240 uren. Benadeelde partijen zijn in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18-202373-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] ,

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juli 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Vlug, advocaat te Deventer. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 juni 2025 te Dedemsvaart, althans in de gemeente Hardenberg, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een of meer (snij)verwondingen in het gezicht en/of blijvende blindheid/beschadiging aan een oog heeft toegebracht, door met (veel) kracht een (wijn)glas tegen het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer] te slaan en/of te gooien.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet het vol opzet heeft gehad om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dat zwaar lichamelijk letsel door verdachte. Door met een glas in zijn hand aangeefster in het gezicht te hebben geslagen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van het vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar dat verdachte ook niet het voorwaardelijk opzet daartoe heeft gehad. Ondanks dat er sprake kan zijn geweest van een aanmerkelijke kans op dat zwaar lichamelijk letsel, heeft verdachte die aanmerkelijke kans door zijn handelen niet bewust aanvaard.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

  1. De door verdachte ter terechtzitting van 7 juli 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik blijf bij mijn verklaring zoals ik die bij de politie heb afgelegd.

  2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL0600-2025254043-15, d.d. 1 juni 2026, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0600-2025254043 d.d. 14 december 2025, inhoudend als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :

Op 1 juni 2025 zat ik op een bankje buiten op het terras in café “ [bedrijf] ” in Dedemsvaart. Ik zag en voelde dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) kennelijk opzettelijk en met kracht een glas in mijn gezicht gooide. Ik voelde gelijk dat er glas in mijn oog zat. Ik ben geopereerd in het [ziekenhuis 1] . Er is glas uit mijn oog verwijderd en de dokters hebben gezegd dat ik nooit meer met mijn linkeroog zal kunnen zien.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten een door dr. [arts 1] , forensisch arts van de GGD [plaats] , op 10 december 2025 opgemaakte forensisch geneeskundige letselbeschrijving, als bijlage gevoegd bij het

proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2025254043-46, d.d. 14 december 2025, opgenomen op pagina 127 e.v. van voornoemd dossier, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van dr. [arts 1] voornoemd:

Betrokkene: [slachtoffer] Geboortedatum: [geboortedatum] 2001.

Betrokkene werd op 01-06-2025 gezien op de spoedeisende hulp van [ziekenhuis 2] vanwege traumatisch oogletsel. In verband met de ernst van het oogletsel werd betrokkene overgebracht naar het [ziekenhuis 1] . In het [ziekenhuis 1] werd betrokkene op 01-06-2025 aan het linkeroog geopereerd. Tijdens de operatie werden meerdere (5+) glasscherven verwijderd uit het oog. Er was sprake van een perforatie van de oogbol van voor naar linksachter.

Het letsel was aan de achterzijde van de oogbol niet toegankelijk, waardoor de oogbol niet volledig met hechtingen gesloten kon worden. Hierdoor bleef vocht uit de oogbol lekken waardoor er sprake was van een infauste prognose (van het linkeroog met permanent zichtverlies) en de operatie werd beëindigd. Naast het oogletsel was er tevens sprake van een scheur in een oogspier, een defect aan het onderooglid en een barstwond op de neus. Deze letsels werden gehecht. Betrokkene werd met antibiotica opgenomen op de afdeling en mocht na 48 uur, op 03-06-2025, met antibioticabehandeling naar huis. Bij de poliklinische controle op 06-06-2025 werd gezien dat het hoornvlies gesloten was en er sprake was van beginnende staarvorming.

Bij de poliklinische controle op 13-06-2025 werd een stabiel beeld gezien ten opzichte van de eerdere controle. Middels echo van het linkeroog werd een netvliesloslating gezien rondom het gebied van de perforatie. In een addendum op 16-06-2025 wordt geschreven dat de prognose infaust 'lijkt' te zijn.

Vanwege het addendum d.d. 16-06-2025 is op 18-11-2025 telefonisch contact opgenomen met oogarts [arts 2] .

[arts 2] bevestigt dat de prognose van het linkeroog infaust is en betrokkene blind is aan haar linkeroog. Blijvende beperking: betrokkene is permanent blind aan het linkeroog.

Bewijsoverweging

Het incident van 1 juni 2025

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde stelt de rechtbank ten aanzien van het incident op 1 juni 2025 het volgende vast.

Op 1 juni 2025 bevonden aangeefster en verdachte zich op het dakterras van café “ [bedrijf] ” in Dedemsvaart. Aangeefster zat op een bankje, verdachte zat gehurkt naast haar. Aangeefster en verdachte kregen een woordenwisseling, waarna aangeefster boos/geïrriteerd werd. Aangeefster probeerde verdachte een klap te geven. Verdachte is niet geraakt door die klap. Vervolgens ging verdachte staan. Hij had toen een wijnglas in zijn hand. Verdachte heeft, met dat wijnglas in zijn rechterhand, een onderhandse beweging gemaakt met zijn rechterhand in de richting van het gezicht van aangeefster. Het wijnglas heeft daarbij het gezicht van aangeefster geraakt. Aangeefster heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van snijverwondingen in haar gezicht en blijvende blindheid aan haar linkeroog.

(Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte het vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat zijn opzet was gericht op het gooien van de inhoud van dat wijnglas in het gezicht van aangeefster.

Hoewel er causaal verband bestaat tussen het gooien met dat wijnglas in het gezicht van aangeefster door verdachte en de verwondingen in haar gezicht en aan haar linkeroog is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte niet de bedoeling heeft gehad en dus geen vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster.

Vervolgens moet worden beoordeeld of verdachte daartoe het voorwaardelijk opzet heeft gehad.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier: het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel- aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Voorwaardelijk opzet: aanmerkelijke kans

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank stelt op basis van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte een wijnglas in het gezicht van aangeefster heeft gegooid. Gelet op het feit dat dit gooien ertoe heeft geleid dat aangeefster zwaargewond is geraakt aan haar linkeroog en er glassplinters in haar oogbol zijn aangetroffen, kan het niet anders dan dat dit gooien met veel kracht heeft plaatsgevonden. De kans dat, als iemand die een wijnglas met veel kracht in het gezicht gegooid krijgt, hij of zij daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Een wijnglas is immers breekbaar en het dan kapotte glas kan dan scherp zijn.

Als een dergelijk glas met veel kracht in het gezicht van een persoon wordt gegooid, dan kunnen de dan rondvliegende glasscherven naast ontsierend letsel, zoals snijwonden in het gezicht, ook ernstig letsel aan en/of in de ogen veroorzaken, waarbij (blijvend) zichtverlies kan optreden en medisch ingrijpen noodzakelijk kan zijn. Doordat verdachte met veel kracht en op korte afstand een wijnglas in het gezicht van aangeefster heeft gegooid, bestond naar het oordeel van de rechtbank voor aangeefster een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.

Voorwaardelijk opzet: bewuste aanvaarding

De vervolgvraag is dan of verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behalve contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard nu hij van korte afstand en met veel kracht een wijnglas in het gezicht van aangeefster heeft gegooid.

Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht en dat verdachte hier voorwaardelijk opzet op heeft gehad. Verdachte heeft zich dus schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde zware mishandeling.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 1 juni 2025 te Dedemsvaart aan een ander, te weten: [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten: snijverwondingen in het gezicht en blijvende blindheid aan een oog heeft toegebracht, door met veel kracht een wijnglas tegen het gezicht van die [slachtoffer] te gooien.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweer/noodweerexces

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces, waardoor hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

Aangeefster heeft verdachte aangevallen door hem in zijn gezicht te slaan, waarna verdachte zich heeft verdedigd en de inhoud van zijn wijnglas in haar gezicht heeft gegooid. Deze verdediging was ook proportioneel.

Als de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake van noodweer is geweest, dan heeft de raadsman zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep toekomt op noodweerexces. Na de

ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van aangeefster in de vorm van de aan verdachte door aangeefster gegeven klap is er een hevige gemoedstoestand bij verdachte ontstaan en deze was nog niet geëindigd op het moment van het gooien van de inhoud van het wijnglas in het gezicht van aangeefster door verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aangeefster verdachte niet in het gezicht heeft geslagen. Uit verklaringen van getuigen, maar ook uit de verklaring van verdachte zelf, blijkt dat aangeefster weliswaar een slaande beweging in de richting van verdachte heeft gemaakt, maar dat één van die getuigen de hand van aangeefster heeft tegengehouden voordat deze verdachte raakte. Nu er geen sprake was van een noodweersituatie, komt verdachte geen beroep op noodweer en noodweerexces toe.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) eerst de vraag moet worden beantwoord of er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, en vervolgens of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (anders gezegd: of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan). Ten slotte moet worden beoordeeld of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (met andere woorden: of aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan).

Naar het oordeel van de rechtbank is een enkele tegengehouden slaande beweging van aangeefster niet zondermeer een dusdanige ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding dat er op grond van dat enkele gegeven kan worden gesteld dat er sprake was van een noodweersituatie. Dat kan onder omstandigheden anders zijn. Nu door de raadsman ten aanzien van de noodweersituatie niets anders is aangevoerd dan dat aangeefster verdachte heeft proberen te slaan, was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een noodweersituatie. Hiervoor dienen meer feiten en omstandigheden te worden aangevoerd. De stelling van de raadsman dat sprake is geweest van een noodweersituatie, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt. Zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces worden verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangeefster.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hij heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf is mogelijk, maar

niet aangewezen. Als de rechtbank wel een voorwaardelijke straf oplegt, dan kan aan die voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met aangeefster worden gekoppeld.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door zwaar en onherstelbaar letsel aan aangeefster toe te brengen. Hij heeft aangeefster met veel kracht en op korte afstand een wijnglas in haar gezicht gegooid. Het gevolg hiervan is dat aangeefster -naast dat zij snijverwondingen in haar gezicht heeft opgelopen- ook blijvend blind aan haar linkeroog is geworden. Aangeefster moet haar verdere leven de gevolgen hiervan dragen en is daardoor gehinderd in haar dagelijkse bezigheden en haar verdere ontplooiing. Zij wordt iedere dag met de gevolgen van het handelen van verdachte geconfronteerd. Uit de verklaring die zij tijdens de terechtzitting heeft voorgelezen, blijkt dat zij ook mentaal nadelige gevolgen van het handelen van verdachte heeft ondervonden en nog steeds ondervindt. De gebeurtenis heeft een grote impact gehad op aangeefster en haar directe omgeving, maar ook op de andere cafébezoekers die aanwezig waren bij het incident. Zij zijn ongewild getuige geweest van het door verdachte gepleegde geweld.

Het strafblad

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest ter zake het plegen van strafbare feiten.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft daarnaast gelet op het reclasseringsadvies. De reclassering concludeert dat er bij verdachte voorafgaand aan het feit sprake was van een verslechterde gemoedstoestand door verschillende situaties, waaronder problemen in de privésfeer. Daarnaast waren er tussen verdachte en aangeefster spanningen sinds het beëindigen van hun relatie. Hoewel er geen sprake lijkt te zijn van alcoholproblematiek, heeft zijn alcoholgebruik op de avond van het feit mogelijk wel invloed gehad op zijn handelen. Ook lijkt het erop dat er in onderhavige verdenking sprake was van gebrekkige zelfbeheersing, mogelijk als gevolg van zijn emotionele toestand. Voor het overige is sprake van stabiliteit in het leven van verdachte; hij heeft een woning, werk, een stabiel inkomen, heeft geen schulden en heeft een steunend netwerk en een stabiele relatie. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Alles overwegend adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De op te leggen straf

Het landelijk gehanteerde oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor “zware mishandeling met zeer zwaar lichamelijk letsel” is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. De ernst van het feit rechtvaardigt dus in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet daarentegen in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om van het genoemde oriëntatiepunt af te wijken. Hierbij is gelet op het feit dat verdachte een

volledig blanco strafblad heeft, dat hij zijn leven op orde lijkt te hebben en dat de reclassering het recidiverisico als laag inschat. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden die aan het gooien van het wijnglas zijn voorafgegaan.

Hij is niet degene geweest die als eerste fysiek geweld heeft gebruikt.

Dit alles brengt de rechtbank ertoe om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar de maximale taakstraf van 240 uren. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient om de ernst van het feit te benadrukken en dient ook als waarschuwing aan verdachte, om te voorkomen dat hij zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Conform de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbinden van een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] .

Benadeelde partijen

Ten aanzien van 18-202373-25:

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  1. [slachtoffer] , tot een bedrag van 4.925,61 ter zake van materiële schade en 55.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

  2. [naam 1] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

  3. [naam 2] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de benadeelde partijen [slachtoffer] , [naam 1] en [naam 2] :

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] :

De raadsman heeft primair in verband met de door hem bepleite vrijspraak voor het ten laste gelegde betoogd dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade ten aanzien van de posten “toekomstige schade” en “verlies arbeidsvermogen” in die delen van de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. De post “reis- en parkeerkosten” is toewijsbaar tot een lager bedrag dan is gevorderd in verband met een rekenfout.

De posten “zonnebril” en “scleralensvloeistoffen” zijn onvoldoende onderbouwd en om die reden moet de benadeelde partij ten aanzien van deze delen van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Omdat in de berekening van het aan immateriële schadevergoeding gevorderde bedrag dubbeltellingen en onzekerheden zitten, kan aan immateriële schade een bedrag van 40.000,00 worden toegewezen.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] :

Ten aanzien van deze beide vorderingen heeft de raadsman verzocht om beide vorderingen af te wijzen. Hij heeft daartoe het volgende betoogd.

De benadeelde partijen zijn de ouders van het slachtoffer, dat meerderjarig is, maar nog wel thuiswonend is. Zij vallen binnen de kring van gerechtigden die op grond van artikel 6:107, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schade kunnen vorderen als er sprake is van ernstig en blijvend letsel in de zin van voornoemd wetsartikel.

Gezien de toelichting van de wetgever is het letsel van het slachtoffer, te weten: eenzijdige blindheid, onvoldoende om ernstig en blijvend letsel in de zin van voornoemd wetsartikel aan te nemen.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] :

De vordering van de benadeelde partij betreft een omvangrijke vordering die is ingediend in een situatie waarin medisch gezien nog geen eindsituatie is.

De benadeelde partij betreft een jonge vrouw die naar aanleiding van het handelen van verdachte onder andere een ernstige visuele beperking heeft opgelopen. Deze beperking kan van invloed zijn op haar verdere carrièrekansen, maar de exacte omvang van de schade die dat met zich brengt is thans nog onduidelijk. Gelet op de gecompliceerde aard en omvang van de vordering beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan vast te kunnen stellen of te schatten. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de exacte aard, omvang en hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in haar vordering niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] :

De rechtbank constateert dat de jurisprudentie over de vraag in hoeverre ouders aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade nog volop in ontwikkeling is. Gelet hierop en gelet op de samenhang van de vorderingen van de ouders met die van de benadeelde partij [slachtoffer] , zijnde hun dochter, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen of benadeelde partijen recht hebben op vergoeding van affectieschade. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partijen alsnog hun recht op affectieschadevergoeding te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal daarom ook de ouders in hun vorderingen niet ontvankelijk verklaren. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2001, wonende aan [adres] .

Een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Ten aanzien van 18-202373-25:

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk in de vordering. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam 1] :

Verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet ontvankelijk in de vordering. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam 1] haar eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam 2] :

Verklaart de benadeelde partij [naam 2] niet ontvankelijk in de vordering. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam 2] haar eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. E.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door L. Palstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.

Mr. Van den Berg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »