ECLI:NL:RBNNE:2026:2519

Datum uitspraak
24-04-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Zaaknummer
C/18/26/1113 R
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toewijzing toelating tot de Wsnp met geslaagd beroep op de hardheidsclausule en eerdere ingangsdatum.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer: C/18/26/1113 R

Vonnis van 24 april 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres ] ,

[verzoeker] , hierna te noemen [verzoeker] ,

tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

PROCESGANG

[verzoeker] heeft op 9 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 april 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener] bij Kredietbank Nederland.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.

Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat [verzoeker] zijn schulden niet ouder zijn dan drie jaar. [verzoeker] zijn totale schuldenlast is €38.012,12. Het grootste gedeelte van de schuldenlast vloeit voort uit de onderneming die [verzoeker] dreef tot 1 juli 2024.

Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin [verzoeker] nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. [verzoeker] maakt sinds augustus 2024 gebruik van budgetbeheer bij Kredietbank Nederland. De onderneming is uitgeschreven in het handelsregister en [verzoeker] onderneemt geen activiteiten meer als ondernemer. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen.

De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.

[verzoeker] heeft verzocht om de Wsnp eerder in te laten gaan, omdat hij sinds 15 mei 2025 (al dan niet door middel van beslag) heeft afgedragen ten behoeve van de schuldeisers. De rechtbank ziet aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 15 mei 2025. Op die datum is een aanbod voor een minnelijke regeling gedaan richting de schuldeisers. Sinds april 2014 heeft [verzoeker] een Wajong uitkering van het UWV, waarop sinds 1 juli 2024 beslag op ligt. [verzoeker] heeft geen sollicitatieplicht vanwege zijn beperkingen. Gedurende de looptijd van het minnelijk traject heeft [verzoeker] gespaard ten behoeve van de schuldeisers, dit naast het beslag op zijn uitkering. Dit alles maakt dat [verzoeker] aan de verplichtingen heeft voldaan.

BESLISSING

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres ] ,

- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 15 mei 2025, waardoor deze termijn eindigt op 15 november 2026;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.H. Beuker,

en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,

gevestigd te [adres ] ;

- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar/schuldenares gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op

24 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »