RECHTBANK Noord-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Leeuwarden
zaaknummer: C/18/26/1111 R
Vonnis van 24 april 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
PROCESGANG
[verzoeker] heeft op 12 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 april 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen tezamen met de heer [medewerker van schuldhulpverlener] en mevrouw [medewerker van bewindvoeringsbedrijf].
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. [verzoeker] heeft een totale schuldenlast van € 110.860,40. De schulden zijn ontstaan vanuit gokproblematiek. Daarnaast dreef [verzoeker] tot april 2025 een eigen onderneming. Na het staken van deze onderneming is [verzoeker] in loondienst getreden en heeft hij om hulp gevraagd voor zijn gokproblematiek maar ook voor zijn financiële situatie. Vanaf 18 november 2025 staat [verzoeker] onder beschermingsbewind. De rechtbank stelt vast dat [naam] ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat de schulden recent zijn en ontstaan uit gokproblematiek. Ook na het beschermingsbewind zijn er nog schulden ontstaan, te weten WAHV-boetes.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin [verzoeker] nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Het uitgangspunt is dat deze keer ten goede gedurende 1 jaar bestendig moet zijn. Hoewel dat in de situatie van [verzoeker] niet het geval is, ziet de rechtbank dat [verzoeker] op de goede weg is. Hij maakt gebruik van beschermingsbewind, zijn behandeling voor de verslavingsproblematiek verloopt goed en hij heeft zijn ondernemingsactiviteiten gestaakt. Ter zitting is gebleken dat er op dit moment sprake is van een stabiele situatie, zowel financieel als psychisch. Dit alles maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Omdat [verzoeker] nog in behandeling is voor zijn problematiek is hij momenteel niet in staat om fulltime te werken. De looptijd zal worden verlengd met de resterende duur van zijn behandeling, afgerond naar 3 maanden. Dat betekent dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling 21 maanden zal zijn.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
voorheen handelend onder de naam: bouw en metaalwerken Friesland,
voorheen gevestigd te [adres],
KvK nummer [KvK nummer];
- stelt de termijn van de regeling vast op 21 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
- benoemt tot rechter-commissaris mr.C.H. Beuker,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder],
gevestigd te [adres]
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.1