RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/26/1028 R
vonnis 11 februari 2026
in de zaak van:
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster
PROCESGANG
Verzoekster heeft op 5 november 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 28 januari 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener] (schuldhulpverlener) van Kredietbank Nederland en mevrouw [naam] van het gebiedsteam gemeente Sudwest Fryslan.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, en dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoekster heeft een totale schuldenlast van € 35.851,58, waaronder een vordering van de belastingdienst van in totaal € 244,00 en een vordering van CJIB van € 494,00 en een deel van de vorderingen heeft betrekking op consumptieve bestedingen.
Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij thans onder budgetbeheer staat en rond moet komen van leefgeld en dat zij eveneens ondersteuning krijgt van mevrouw Faber van het gebiedsteam en dat zij een gedragsverandering heeft ondergaan. Het contact met budgetbeheerder is goed en vanmorgen is verzocht om budgetbeheer om te zetten in beschermingsbewind.
BEOORDELING
De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. Dit geldt met name voor de vordering van de belastingdienst, alsmede de CJIB vordering.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft sinds november 2025 budgetbeheer, hetgeen zal worden omgezet in beschermingsbewind en ontvangt daarnaast ondersteuning van het gebiedsteam. Zij ontvangt een Wajong uitkering waardoor vaste lasten opgebracht kunnen worden. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen.
INGANGSDATUM WSNP
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis
- benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
11 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.1