RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/312528-25 (P)
Uitspraakdatum: 30 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R.H.I. van Dongen, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Stam, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het onverhoeds (tong)zoenen in/op haar mond en/of haar gezicht;
en welke aanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer]
- bij haar arm vast te pakken en/of haar te beletten weg te gaan en/of
- haar te sommeren mee te lopen;
2.
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/of een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] , getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
- zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer] te tonen en/of
- daarbij tegen die [slachtoffer] te zeggen zij zijn, verdachtes, urine moest drinken en/of een kusje op zijn, verdachtes, penis moest geven en/of zijn, verdachtes, penis moest aanraken.
2 Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3 Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. [slachtoffer] heeft consistent verklaard en dat maakt haar verklaring betrouwbaar. Daarnaast is er steunbewijs voor haar verklaring nu uit ander bewijs volgt dat zij lijkt in te stappen in de bestelbus, de verdachte geen pakketten heeft bezorgd in de tijd met het contact met [slachtoffer] , de verdachte zijn shirt voor het contact met [slachtoffer] uit zijn broek heeft en kort erna deels in zijn broek en het DNA van verdachte is aangetroffen op de lippen en wangen van [slachtoffer] .
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaringen van aangeefster dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Onduidelijk is of aangeefster de juiste woorden heeft gebruikt voor wat zij heeft bedoeld. Aangeefster heeft in Tigrinja met de verdachte gesproken en is in het Nederlands verhoord door de politie. Sommige woorden in het Tigrinja kunnen niet één op één worden vertaald naar het Nederlands. Daarnaast is het DNA van verdachte mogelijk op de mond en wang van aangeefster gekomen omdat zij hem een knuffel zou hebben gegeven. Het aangetroffen DNA op de mond en wang van aangeefster bewijst daarom niet dat verdachte haar daar heeft gezoend. Tot slot is voor feit 2 de verklaring van aangeefster het enige bewijsmiddel.
Het standpunt van de raadsvrouw zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering
Bewijsminimum
Artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat de rechter niet uitsluitend op de verklaring van één getuige kan aannemen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Niet vereist is echter dat het bedoelde steunbewijs betrekking heeft op alle onderdelen van de tenlastelegging. Ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen geldt dat de feiten en omstandigheden die in een getuigenverklaring (aangifte) worden genoemd, ook voldoende steun kunnen vinden in het overige bewijsmateriaal als dat geen betrekking heeft op de ten laste gelegde gedragingen. Er mag evenwel geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen de verklaring en dat overige bewijsmateriaal. Het vereiste van voldoende steun wordt wel omschreven als een eis van inhoudelijk verband die er vooral toe strekt dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.
Verklaring [slachtoffer] betrouwbaar
Het tenlastegelegde contact heeft plaatsgevonden in de taal Tigrinya. Na het tenlastegelegde contact is [slachtoffer] naar huis gegaan en heeft zij daar haar verhaal gedaan. Haar vader heeft 112 gebeld waarna de politie naar de woning is gekomen. De zus van [slachtoffer] heeft tegen de politie toen in het Nederlands verklaard wat [slachtoffer] zojuist heeft verteld en de vader heeft daarvan aangifte gedaan met behulp van een tolk Tigrinya. Deze verklaringen van de zus en de vader komen overeen met de eigen consistente en gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer] die zij op de dag van de tenlastegelegde gedragingen en kort daarna in het Nederlands bij de politie heeft afgelegd (tijdens het informatief gesprek, de voorbereiding op het studioverhoor en het studioverhoor). De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] daarom betrouwbaar en geloofwaardig.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande ook vast dat de verklaringen van aangeefster die in het Nederlands zijn afgelegd consistent zijn met de aangifte van haar vader die met behulp van een tolk Tigrinya tot stand is gekomen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat de verklaring van aangeefster mogelijk onjuist zou zijn door vertalingsproblemen van het Tigrinya naar het Nederlands.
De verklaring van [slachtoffer] vindt voldoende steun in overig bewijsmateriaal
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake is van voldoende steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] .
[slachtoffer] heeft verklaard dat in de avond van 27 juni 2025 een pakketbezorger haar heeft gezegd mee te komen, hij zijn broek heeft uitgetrokken en zijn penis aan haar heeft getoond en heeft gezegd dat zij zijn urine moest drinken, een kusje op zijn penis moest geven en zijn penis moest likken. Ze heeft verklaard dat de pakketbezorger daarna haar tanden, tong en tandvlees heeft gelikt, kusjes op haar wangen heeft gegeven. Toen zij wilde wegrennen, heeft hij haar bij haar arm vastgepakt.
Getuige [getuige] , woonachtig op de [straatnaam 1] 34, heeft verklaard dat zij op 27 juni 2025 omstreeks 18:15 uur voor de woning een transport-bus zag staan en vermoedde dat dit de bus van de pakketbezorger was. Ze zag door het raam een heel jong meisje dat het portier van de bus probeerde open te maken.
Uit het bezorgoverzicht van DHL volgt dat de verdachte om 18:15 uur een pakketje heeft bezorgd op de [straatnaam 1] 34. Ook volgt uit dat overzicht dat de verdachte het eerstvolgende pakketje 9 minuten later om 18:24 uur heeft bezorgd op de [straatnaam 1] 33. Uit het bezorgoverzicht volgt dat tussen de andere bezorgingen die plaatsvonden tussen 18:00 en 18:40 uur telkens 1 tot 4 minuten zit.
Op de camerabeelden van de ringdoorbel op de [straatnaam 1] 34 is te zien dat het shirt van de pakketbezorger om 18:15 uur volledig uit zijn broeksband zit. Verdachte herkent zichzelf op die beelden. Op de camerabeelden van de ringdoorbel op de [straatnaam 1] 27 om 18:26:03 is te zien dat de linker voorzijde van het shirt in de broeksband van de bezorger zat.
De broer van [slachtoffer] heeft verklaard dat zij om 18:25 uur thuis was gekomen. Zij wonen op de [adres slachtoffer] , dat is vlakbij de [straatnaam 1] 34.
Op 21 augustus 2025 zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschikbaar gekomen. In de bemonstering van de lippen en wangen van [slachtoffer] is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee respectievelijk drie personen. Vervolgens heeft de deskundige de bewijskracht van de hypotheses berekend. De deskundige heeft in zijn rapport geconcludeerd dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek ongeveer 1 miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer en de verdachte respectievelijk van het slachtoffer, de verdachte en één onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer en één willekeurige onbekende persoon respectievelijk twee willekeurige onbekende personen.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank het volgende vast. [slachtoffer] heeft op 27 juni 2025 om 18:15 uur de verdachte ontmoet toen hij pakketjes bezorgde, vlakbij haar woning. Zij is om 18:25 uur thuisgekomen. Dat tijdslot komt precies overeen met het tijdslot van 18:15 tot 18:24 uur waarin de verdachte geen pakketjes heeft bezorgd. Het betreft daarbij een tijdslot van 9 minuten dat de verdachte geen pakketjes heeft bezorgd terwijl tussen de rest van de bezorgingen die avond telkens een tijd zit van 1 tot 4 minuten. De verdachte heeft wel een algemene mogelijkheid genoemd, maar geen concrete verklaring gegeven waarom hij die dag meer dan twee keer zo lang nodig heeft gehad tussen de twee bezorgingen van 18:15 en 18:24 uur, terwijl de bezorgingen in dezelfde straat zijn gelegen. Het voorgaande ondersteunt de verklaring van [slachtoffer] dat zij de verdachte op 27 juni 2025 heeft ontmoet en dat zij in die tijdsperiode samen zijn geweest. Daar komt bij dat op de camerabeelden te zien is dat de verdachte vlak voor zijn contact met [slachtoffer] zijn shirt uit zijn broek draagt en op beelden kort na het contact met [slachtoffer] te zien is dat hij zijn shirt deels in zijn broeksband draagt. Dit biedt steun aan de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte tijdens hun contact zijn broek heeft uitgedaan. Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek gaat de rechtbank er verder vanuit dat het op de wang en lippen van het slachtoffer aangetroffen materiaal mede van de verdachte afkomstig is. Het DNA-onderzoek ondersteunt daarmee de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte haar op de lippen en wang heeft gezoend. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsvrouw dat het DNA van de verdachte mogelijk op de lippen en wang van [slachtoffer] is gekomen omdat [slachtoffer] hem een knuffel heeft gegeven. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij haar mogelijk heeft geknuffeld toen anderen erbij waren, maar op de dag van het tenlastegelegde was [slachtoffer] alleen en heeft hij, zo de rechtbank begrijpt, haar niet geknuffeld.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw dat de verklaring van [slachtoffer] het enige bewijsmiddel is voor feit 2. Zoals hierboven overwogen vindt de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun in de overige bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
ten aanzien van feit 1
hij op 27 juni 2025 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het onverhoeds tongzoenen in/op haar mond en haar gezicht;
en welke aanranding werd voorafgegaan door en vergezeld van dwang, door die [slachtoffer]
- bij haar arm vast te pakken en haar te beletten weg te gaan en
- haar te sommeren mee te lopen;
ten aanzien van feit 2
hij op 27 juni 2025 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] , getuige heeft doen zijn van een handeling van seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
- zijn , verdachtes, penis aan die [slachtoffer] te tonen en
- daarbij tegen die [slachtoffer] te zeggen zij zijn, verdachtes, urine moest drinken en een kusje op zijn, verdachtes, penis moest geven en zijn, verdachtes, penis moest aanraken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Gelet op het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1
gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;
ten aanzien van feit 2
een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling van seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde ontbreekt. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5 Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6 Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden en dat aan de verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, inhoudende dat de verdachte zich niet mag ophouden in het gebied dat wordt begrensd door en inclusief de [straatnaam 2] , [straatnaam 1] , [straatnaam slachtoffer] en [straatnaam 3] te Hoogkarspel voor een periode van 2 jaar met een vervangende hechtenis van 3 dagen per keer dat de verdachte de maatregel overtreedt.
Standpunt van de verdediging
Bij veroordeling heeft de verdediging een taakstraf bepleit gelet op het blanco strafblad en het werk van verdachte. De verdediging heeft verzocht het gevorderde locatieverbod niet op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde aanranding en het seksueel corrumperen van een 9-jarig meisje. Hij heeft haar gesommeerd met hem mee te lopen en heeft zijn penis aan haar laten zien en daarbij gezegd dat zij zijn plas moest drinken, een kusje op zijn penis moest geven en zijn penis moest aanraken. Zij vond dat vies en heeft het niet gedaan. Vervolgens heeft de verdachte haar getongzoend en gekust op haar wang. Zij vond dit niet leuk en heeft geprobeerd weg te rennen, maar hij heeft haar toen bij haar arm vastgepakt.
De verdachte heeft zich laten leiden door zijn seksuele lusten en zich daarbij niet bekommerd om de ernstige inbreuk die hij daarmee heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het meisje. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen in deze levensfase zich nog in de voorfase van de ontwikkeling van hun seksualiteit bevinden. Dergelijke delicten maken een forse inbreuk op hun integriteit en kunnen een gezonde seksuele ontwikkeling doorkruisen. Slachtoffers van dit soort delicten kunnen nog lang psychische gevolgen ondervinden van wat hen is overkomen. Het slachtoffer klaagt sinds de aanranding over nek- en buikpijn.
De aanranding heeft in de woonwijk van het slachtoffer plaatsgevonden. Haar gevoel van veiligheid en dat van haar familie dat zij zonder zorgen kan buitenspelen, is door het handelen van verdachte aangetast. Daarnaast levert aanranding van kinderen tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 4 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld. Uit het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 19 februari 2026 volgt dat de reclassering geen interventies of toezicht nodig acht. De reclassering heeft daarom geen bijzondere voorwaarden geadviseerd. Verder volgt uit het rapport dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een gevangenisstraf.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen de oplegging van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het gaat om een minderjarig meisje van 9 jaar oud die door het handelen van de verdachte veel te jong getuige heeft moeten zijn van seksuele handelingen en deze ook heeft moeten ondergaan.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van drie maanden onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van langere duur opleggen dan door de officier van justitie is geëist, te weten zes maanden. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, drie maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Contact- en locatieverbod
De rechtbank acht een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor een gedeelte van de wijk waar het slachtoffer woont zoals door de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting is toegelicht, noodzakelijk. Een dergelijk verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.
Nu de rechtbank een locatieverbod als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke straf zal verbinden, acht de rechtbank het niet nodig om de door de officier van justitie gevorderde maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een locatieverbod, aan verdachte op te leggen.
7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
.1 Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige [slachtoffer] hebben zich als benadeelde partij gevoegd en hebben mr. L. Wagemaker, advocaat te Westwoud, gemachtigd om hen in dit kader te vertegenwoordigen. Namens de benadeelde partij is een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering vanwege de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de vordering gedeeltelijk toe
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Uit de toelichting van mr. Wagemaker ter terechtzitting volgt dat de vordering van de benadeelde partij op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de voor het slachtoffer nadelige gevolgen daarvan. Deze gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, de uitgangspunten vermeld in de ‘Rotterdamse schaal’ en de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW’ is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst over het schadebedrag van € 1.000,- de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 27 juni 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Veroordeling van de verdachte in de proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 1.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
9 Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 [zes] maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 [drie] maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
-
de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] . De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod; en
-
de verdachte zich niet zal bevinden op de [straatnaam 2] voor zover deze de [straatnaam 4] met de [straatnaam 5] verbindt, [straatnaam 4] , [straatnaam 3] , Anemonenlaan, [straatnaam 1] en [straatnaam 5] voor zover deze de [straatnaam 1] met de [straatnaam 2] verbindt, allen te Hoogkarspel inclusief het gebied dat deze straten/lanen omsluiten. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer] , geleden schade tot een bedrag van € 1.000,- [duizend euro] als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer] , de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,- [duizend euro], bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.H.B. Budde, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. D.J. Straathof, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.T. Sluis en mr. M.H.A. Sluiter,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juli 2026.