RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11950563 \ CV EXPL 25-3255/MdV
Vonnis van 4 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak draait het om de vraag of een aannemer een deel van de door een consument betaalde aanneemsom moet terugbetalen. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is, omdat de aannemer ondanks meerdere verzoeken heeft nagelaten een deel van de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 16 oktober 2025
- het mondelinge antwoord van [gedaagde] van 6 november 2025 en 4 december 2025
- het tussenvonnis van 18 december 2025
- de reactie op het verweer van 12 december 2025 met productie(s) van [eiser]- de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen hebben een overeenkomst gesloten uit hoofde waarvan [gedaagde] werkzaamheden zou verrichten in de tuin van [eiser] en vijf dubbele beglazingsramen zou plaatsen in de woning van [eiser] , tegen een aanneemsom van € 25.379,75 inclusief btw.
Uit de factuur die [eiser] op 21 juli 2024 van [gedaagde] heeft ontvangen volgt dat de kosten van de ramen € 13.000,00 exclusief btw (zijnde € 15.730,00 inclusief btw) en de kosten van de werkzaamheden aan de tuin € 7.975,00 exclusief btw (zijnde € 9.649,75) bedragen. Verder staat in de factuur het volgende vermeld:
‘Advanced payment by sign € 15.379,75, € 5000,00 half way of work 25-08-2024 the rest € 5.000 at end of the work 03-09-2024 extra work cost € 75 per hour excluding taxes and materials.’
[eiser] heeft in totaal € 21.379,75 aan [gedaagde] betaald.
De werkzaamheden in de tuin zijn door [gedaagde] uitgevoerd. Omdat [gedaagde] naliet de nieuwe ramen te plaatsen, heeft [eiser] [gedaagde] veelvuldig verzocht dit alsnog te doen. [eiser] heeft [gedaagde] uiteindelijk op 31 mei 2025 schriftelijk in gebreke gesteld en [gedaagde] gesommeerd alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen, dan wel een deel van het door [eiser] betaalde bedrag terug te betalen.
3 Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 11.730,00, vermeerderd met rente en de proceskosten.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, doordat [gedaagde] de overeengekomen werkzaamheden niet volledig heeft uitgevoerd. Ondanks verzoeken om de ramen alsnog te plaatsen, heeft [gedaagde] dit nagelaten. [gedaagde] is daardoor in verzuim komen te verkeren en is verplicht de schade die [eiser] als gevolg van het tekortschieten heeft geleden te vergoeden. Deze schade bestaat uit het door [eiser] betaalde bedrag verminderd met de kosten van de tuinwerkzaamheden die wel zijn uitgevoerd.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat de speciaal voor de woning van [eiser] gemaakte ramen klaar staan bij de leverancier. De leverancier wil deze echter pas leveren als hij volledig is betaald. [gedaagde] heeft [eiser] daarom meerdere malen verzocht om het resterende deel van de aanneemsom te betalen, maar dat heeft [eiser] nagelaten. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat zijn neef degene is geweest die de opdracht heeft aangenomen en verantwoordelijk is. Zijn neef heeft alleen de kvk-gegevens van [gedaagde] gebruikt, omdat zijn eigen bedrijf failliet is verklaard.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
In deze zaak draait het om de vraag of [gedaagde] een deel van de door [eiser] betaalde aanneemsom moet terugbetalen. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Dit wordt als volgt toegelicht.
Uit de factuur die [eiser] van [gedaagde] heeft ontvangen volgt dat de werkzaamheden uiterlijk op 3 september 2024 zouden worden afgerond. Vast staat dat dit niet is gebeurd, aangezien [gedaagde] tot op heden heeft nagelaten de ramen te plaatsen. [gedaagde] is dan ook tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Dat dit volgens [gedaagde] komt doordat [eiser] heeft nagelaten het restant van de aanneemsom te betalen, is niet relevant. Uit de factuur volgt immers dat [eiser] het restant van de aanneemsom pas hoefde te betalen op het moment dat de werkzaamheden volledig waren afgerond. Omdat dat niet is gebeurd, is het restant van de aanneemsom nog niet opeisbaar en kan [gedaagde] nog geen aanspraak maken op betaling daarvan. De omstandigheid dat hij de ramen niet heeft kunnen plaatsen, omdat de leverancier de ramen pas wil leveren als deze zijn betaald komt dan ook voor rekening en risico van [gedaagde] en kan hij niet aan [eiser] tegenwerpen.
Doordat [gedaagde] ondanks sommaties daartoe de ramen niet heeft geplaatst, is hij in verzuim komen verkeren en verplicht de schade die [eiser] als gevolg van het tekort schieten heeft geleden te vergoeden.1 [eiser] heeft de door hem geleden schade begroot op het deel van de door hem betaalde aanneemsom dat betrekking had op de ramen, te weten € 11.730,00. [gedaagde] heeft de hoogte van dit bedrag niet weersproken, zodat het door [eiser] gevorderde bedrag in beginsel toewijsbaar is.
[gedaagde] heeft echter nog aangevoerd dat niet hij, maar zijn neef verantwoordelijk is voor de ontstane schade, omdat die de werkzaamheden uit zou voeren en alleen zijn kvk-gegevens heeft gebruikt. Dit verweer faalt. [eiser] mocht erop vertrouwen dat de neef met instemming van [gedaagde] handelde en dat [gedaagde] als eigenaar van de onderneming de eindverantwoordelijke was. Mocht dit niet zo zijn, dan kan [gedaagde] dit niet aan [eiser] tegenwerpen en dient hij dat met zijn neef op te lossen.
De conclusie is dat de vordering wordt toegewezen. Omdat [gedaagde] het door [eiser] gevorderde bedrag tot op heden niet heeft voldaan, is hij tevens wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente zal worden toegewezen, zoals gevorderd.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
149,71 |
|
|
- griffierecht |
€ |
257,00 |
|
|
- verletkosten |
€ |
50,00 |
|
|
Totaal |
€ |
456,71 |
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.730,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 456,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.