RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/358688 / HA ZA 24-617
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
STICHTING EERLIJKE PRIJZEN & MARKTWERKING,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: STEP,
voormalig advocaat: mr. K.E.L. van Haastrecht,
tegen
LG ELECTRONICS BENELUX SALES B.V.,
gevestigd te Schiphol,
gedaagde partij,
hierna te noemen: LG,
advocaat: mr. S. Beeston, mr. N.M. Korstenbroek, mr. E.A.J. Schoenmakers
De zaak in het kort
Deze zaak betreft een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). STEP wenst op te komen voor de belangen van – kort gezegd – Nederlandse kopers van een televisie, omdat LG volgens STEP jarenlang op ongeoorloofde wijze (online) verkoopprijzen van televisies heeft beïnvloed. STEP meent dat Nederlandse consumenten daardoor in de betreffende periode te veel hebben betaald voor een televisie. Deze gedragingen zijn door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) gekwalificeerd als een schending van het (Europese) mededingingsrecht, waarvoor LG een boete opgelegd heeft gekregen van bijna acht miljoen euro.
In deze fase gaat het over de ontvankelijkheid van STEP. De rechtbank oordeelt dat STEP niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor ontvankelijkheid, omdat bij gebreke van onder andere een bestuur en voldoende financiering niet voldaan is aan het waarborgvereiste. De rechtbank verklaart STEP in dit vonnis daarom niet-ontvankelijk.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 16 april 2025 en de daarin genoemde stukken,- de conclusie van antwoord van LG ten aanzien van de ontvankelijkheid, met 2 producties
- de onttrekking van de advocaat van STEP op 25 maart 2026
- het B16-formulier met uitlaten ex. artikel 7.2 van het Landelijk Procesreglement (LPR) van LG.
Na onttrekking van de advocaat van STEP heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de geplande mondelinge behandeling op 20 mei 2026 geen doorgang vindt en een datum voor vonnis bepaald.
2 De feiten
STEP is opgericht op 16 januari 2024 voor deze zaak tegen LG alsmede een vergelijkbare zaak tegen Samsung (bij de rechtbank geregistreerd onder nummer C/15/351200). STEP heeft voor deze collectieve actie een financieringsovereenkomst gesloten met [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]).
Op 23 maart 2026 is de op dat moment enig bestuurder van STEP afgetreden als bestuurder.
Op 26 maart 2026 heeft [bedrijf] de rechtbank bericht dat de financiering door haar is beëindigd.
3 Het geschil
STEP heeft tegen LG vorderingen ingesteld op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: WAMCA). Zij vordert onder meer en kort gezegd dat de rechtbank:
-
voor recht verklaart dat LG in strijd heeft gehandeld met artikelen 6 lid 1 Mededingingswet (Mw) en artikel 101 lid 1 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);
-
voor recht verklaart dat LG aansprakelijk is jegens alle personen in Nederland die in de betreffende periode een televisie van het merk LG, of een televisie van een ander merk, hebben aangeschaft, en uit dien hoofde de door die persoon geleden schade dient te vergoeden;
-
LG veroordeelt tot betaling van de ten gevolge van haar onrechtmatig handelen geleden schade.
LG voert verweer. LG concludeert tot niet-ontvankelijkheid van STEP, met veroordeling van STEP in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Voor het instellen van een collectieve vordering onder de WAMCA moet STEP onder meer voldoen aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW. Een van de vereisten is dat de gelijksoortige belangen van degenen waarvoor de belangenorganisatie opkomt voldoende dienen te zijn gewaarborgd (lid 1, uitgewerkt in lid 2). Vereist is onder meer dat de belangenorganisatie beschikt over voldoende middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen (artikel 3:305a lid 1 sub a en sub c BW).
De rechtbank is van oordeel dat niet voldaan is aan het waarborgvereiste, al vanwege het feit dat bij STEP een bestuursvacuüm is ontstaan en het na beëindiging van de financieringsovereenkomst met de procesfinancier ontbreekt aan voldoende financiële middelen voor deze procedure. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan een verdere beoordeling van de ontvankelijkheidsvereisten. Bovendien is STEP bij gebreke aan een advocaat niet in staat proceshandelingen te verrichten. De rechtbank zal STEP niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen.
STEP is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LG worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
9.825,00 |
(geheven in de procedure met zaaknummer C/15/351200, waarna de zaak is gesplitst) |
|
- salaris advocaat |
€ |
4.631,00 |
(1 punt × € 4.631,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
14.645,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank
verklaart STEP niet-ontvankelijk in haar vordering,
veroordeelt STEP in de proceskosten van € 14.645,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als STEP niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt STEP tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs, mr. W.S.J. Thijs en mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
1604