RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12038614 \ EJ VERZ 25-449 (rvk)
Beschikking van 30 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] of verzoeker,
gemachtigde: N.J. Evertze-Zonneveld,
[belanghebbende] ,
te [woonplaats] ,
belanghebbende,
hierna te noemen: [belanghebbende] .
in de nalatenschap van:
[erflater]
geboren op [geboortedatum] 1941 en overleden op 26 mei 2025
laatst gewoond hebbende te Castricum
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- aanvullende brief van [verzoeker] van 17 maart 2026.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De feiten
Op 26 mei 2025 is overleden de heer [erflater], geboren te Bandoeng, Nederlands Indië op [geboortedatum] 1941, laatstelijk wonende te Castricum.
Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt en tot zijn enig erfgenaam benoemd, [belanghebbende] , belanghebbende.
Erflater heeft aan zijn twee kleinkinderen, de kinderen van [belanghebbende] , een bedrag van ieder € 22.000,- gelegateerd.
Uit een akte afgegeven door de griffier van de rechtbank Noord-Holland van 8 september 2025 blijkt dat [belanghebbende] de nalatenschap van erflater beneficiair heeft aanvaard.
3 Het verzoek
Verzoeker verzoekt dat de kantonrechter vaststelt dat [belanghebbende] de nalatenschap van erflater ofwel beneficiair, ofwel zuiver heeft aanvaard.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Er zijn voorafgaand aan de beneficiaire aanvaarding handelingen verricht en uitgaven gedaan door [belanghebbende] rondom het regelen van de uitvaart. Verzoeker neemt geen standpunt in of dit een zuivere aanvaarding vormt. Verzoeker vraagt de kantonrechter een standpunt in te nemen of de gedragingen maken dat [belanghebbende] zuiver heeft aanvaard, of dat er sprake is van een beneficiaire aanvaarding. Er is volgens verzoeker in deze zaak geen wederpartij.
4 De beoordeling
Verzoeker baseert zijn verzoek op artikel 4:194 a Burgerlijk Wetboek (BW) en stelt dat hij er een belang bij heeft dat de kantonrechter vaststelt of uitlegt wat de rechtsgevolgen zijn van de handelingen van [belanghebbende] .
De kantonrechter is van oordeel dat artikel 4:194a BW daar niet voor is geschreven, in dat artikel staat dat erfgenamen die zuiver hebben aanvaard, na ontdekking van een onbekende schuld (een schuld die zij niet kenden of behoorden te kennen) alsnog met machtiging van de kantonrechter beneficiair kunnen aanvaarden. Gesteld noch gebleken is dat de erfgenaam kennis heeft gekregen van een schuld.
Belangrijker nog is dat verzoeker het aan de kantonrechter overlaat om een standpunt in te nemen of zuiver is aanvaard of dat beneficiair is aanvaard door de erfgenaam. Verzoeker neemt daarover zelf geen standpunt in. Dat moet verzoeker echter wel doen, het behoort niet tot de taak van de kantonrechter om daar in het kader van een verzoek een standpunt over in te nemen. Op deze manier kan uit het verzoek ook niet opgemaakt worden op welke juridische grondslag het verzoek gebaseerd is -er worden immers twee mogelijkheden opengelaten. Ook na het opvragen van nadere informatie bij verzoeker is dit niet duidelijk geworden. De kantonrechter heeft er begrip voor dat verzoeker zijn moeder, de erfgename, niet wil belasten, maar dat doet er niet aan af dat het aan verzoeker is om een juridisch standpunt in te nemen.
Daarbij komt dat de kantonrechter niet bevoegd is vast te stellen of de erfgenaam door gedragingen de nalatenschap zuiver heef aanvaard. Verzoeker kan, indien hij van mening is dat de erfgenaam zuiver heeft aanvaard, daarover een verklaring voor recht vragen. Dit moet bij de rechtbank gebeuren en hierbij moet de dagvaardingsprocedure gevolgd worden. De kantonrechter zal niet overgaan tot het verwijzen van de zaak naar de rechtbank omdat het verzoek te onduidelijk is.
De conclusie is dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek.
5 De beslissing
De kantonrechter
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.