RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/362288 / HA ZA 25-90
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
1 [eiseres 1],
te [plaats 1],2. [eiseres 2],
te [plaats 2],
beiden in hun hoedanigheid van erfgenaam van [erflater],
eiseressen in conventie, verweersters in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiseressen],
advocaat: mr. J. Jong,
tegen
1. DE ERVEN VAN [erflaatster], van wie één van haar erfgenaam is, en – voor zover vereist – in diens hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflaatster] voornoemd: [gedaagde 2],
2. [gedaagde 2], voor zichzelf en in hoedanigheid als erfgenaam van [erflater],
te [plaats 3],
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. M.P.J. Frederiks.
De zaak in het kort
Eiseressen vorderen dat de nalatenschap van de vader van partijen wordt verdeeld. Op grond van een verblijvingsbeding in het samenlevingscontract van erflater, is het saldo op de gemeenschappelijke betaalrekening echter verbleven aan zijn partner (de moeder van gedaagde), zodat eiseressen daarop geen aanspraak kunnen maken. Het saldo op de spaarrekening valt wel in de nalatenschap van erflater en moet daarom worden verdeeld. Daarbij moeten giften van vóór 1 januari 2003 ingebracht worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken;
- de door [gedaagden] in het geding gebrachte aanvullende producties 8 tot en met 12;
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waarbij partijen pleitaantekeningen hebben voorgedragen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiseressen] zijn de kinderen van [erflater] (hierna: erflater) uit zijn eerste huwelijk. Dat huwelijk is ontbonden door echtscheiding. Erflater is na de echtscheiding een relatie aangegaan met [erflaatster] (hierna: erflaatster). [gedaagden] is de zoon van erflater en erflaatster. Sinds circa 1974 vormden erflater, erflaatster, [gedaagden], [eiseressen] samen één gezin.
Op 14 september 1994 hebben erflater en erflaatster een (notarieel) samenlevingscontract gesloten. In het samenlevingscontract (artikel 8 lid 1) is kort samengevat vermeld dat in geval van overlijden van één van partijen, de gemeenschappelijke bezittingen verblijven aan de andere partij (hierna: het verblijvingsbeding).
Erflater is overleden op 11 november 2023. Bij testament van 14 september 1994 heeft erflater aan erflaatster een keuzelaat toegekend (onder de verplichting tot inbreng) en aan erflaatster een levenslang vruchtgebruik van zijn zuivere nalatenschap gelegateerd. De erfgenamen van erflater zijn [gedaagden], [eiseressen], ieder voor gelijke delen.
Op 12 december 2023 is een akte verklaring van verblijving opgesteld, waarin is vermeld dat alle gemeenschappelijke goederen verblijven aan erflaatster. Erflaatster heeft geen gebruik gemaakt van het keuzelegaat of het gelegateerde vruchtgebruik.
Erflaatster heeft op 2 januari 2024 een testament opgesteld. Daarin heeft zij [gedaagden] benoemd tot enig erfgenaam en executeur.
Kort daarna, op 16 februari 2024, is ook erflaatster overleden. [gedaagden] heeft de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard.
[eiseressen] hebben [gedaagden] gevraagd om informatie en een boedelbeschrijving. Uit de door [gedaagden] verstrekte informatie bleek onder meer dat de saldi van de twee en/of-bankrekeningen van erflater en erflaatster ten tijde van het overlijden van erflater € 7.555,99 en € 58.019,84 bedroegen, en dat die bankrekeningen ten tijde van het overlijden van erflaatster leeg waren.
Op 7 februari 2025 hebben [eiseressen] conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagden] en conservatoir derdenbeslag gelegd onder ABN AMRO en Rabobank, ten laste van [gedaagden], de erven van erflater en de erven van erflaatster.
3 Het geschil
In conventie
[eiseressen] vorderen - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [eiseres 1], [eiseres 2] en [gedaagden] ieder gerechtigd zijn tot één derde deel in de nalatenschap van erflater;
II. de omvang van de nalatenschap van erflater vaststelt op een bedrag van € 120.204,36;
III. primair: de erfgenamen van erflaatster, althans [gedaagden] in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap erflaatster, en in privé, hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres 2] en [eiseres 1] elk te betalen € 40.068,12, althans tot betaling van één derde deel van de nalatenschap van erflater, met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
IV. subsidiair: partijen beveelt over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van erflater en [gedaagden] veroordeelt tot betaling aan [eiseres 2] en aan [eiseres 1] van telkens één derde deel van de waarde van de nalatenschap;
een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de kosten en de nakosten, waaronder de beslagkosten.
[eiseressen] leggen hieraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. De nalatenschap van erflater bestond uit de saldi op de en/of-bankrekeningen, vermeerderd met de overboeking aan erflaatster van € 25.000,-, een lening aan [gedaagden] van € 13.350,- en de mutaties op de bankrekeningen na het overlijden van erflater. [gedaagden] heeft zich ten onrechte de volledige nalatenschap van erflater toegeëigend. Daarom moet hij twee derde van de waarde vergoeden aan [eiseressen].
De conclusie van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de vorderingen. Hij voert daartoe aan dat de en/of-bankrekeningen gemeenschappelijk waren en daarom op grond van het verblijvingsbeding in het samenlevingscontract zijn verbleven aan erflaatster. Dat geldt ook voor de mutaties op die bankrekeningen. Het saldo van de nalatenschap van erflater is daarom negatief. Als er wel iets te verdelen valt, moet daarbij bovendien rekening worden gehouden met in te brengen giften van erflater aan [eiseressen] in 2001 en het feit dat [eiseres 1] zich de auto van erflaatster heeft toegeëigend.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
[gedaagden] vordert - samengevat en na vermindering van eis ter zitting - dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseressen] veroordeelt om tot opheffing van de ten laste van [gedaagden] gelegde conservatoire beslagen over te gaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
[gedaagden] voert hiertoe (zakelijk weergegeven) aan dat er geen grondslag bestond voor het leggen van de conservatoir beslagen en dat het onbegrijpelijk is dat - naast het beslag op de woning van [gedaagden] - ook beslag is gelegd op de bankrekeningen.
De conclusie van [eiseressen] strekt tot afwijzing van de vordering. Zij betogen daartoe dat [gedaagden] hiermee vooruit loopt op een vonnis en een eventueel hoger beroep. De beslagen vormen voor [eiseressen] de enige zekerheid voor verhaal, terwijl [gedaagden] bovendien geen hinder ondervindt van het beslag op zijn woning.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
In conventie
Vast staat dat partijen ieder voor één derde erfgenaam zijn van de nalatenschap van erflater. De omvang van die nalatenschap staat tussen partijen (wel) ter discussie. Hierbij speelt de werking van het verblijvingsbeding in het samenlevingscontract van erflater met erflaatster een belangrijke rol. Daarin is samengevat bepaald dat in geval van overlijden van één van partijen (in dit geval: erflater), de gemeenschappelijke bezittingen verblijven aan de andere partij (in dit geval: erflaatster). Bezittingen die als gemeenschappelijk moeten worden aangemerkt, maken dus geen onderdeel uit van de te verdelen nalatenschap van erflater.
Beoordeeld moet daarom worden of de bezittingen van erflater gemeenschappelijk waren. Beslissend voor het antwoord op die vraag is wat erflater en erflaatster zijn overeengekomen, uitdrukkelijk of stilzwijgend. Daarbij komt het aan op de zin die zij over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex criterium).
En/of-betaalrekening
Erflater had geen bankrekeningen die alleen op zijn naam stonden. Wel had hij samen met erflaatster twee en/of-bankrekeningen. Over de vraag of de bankrekeningen gemeenschappelijk zijn, is in artikel 3 van het samenlevingscontract van erflater en erflaatster het volgende bepaald:
“2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto inkomsten bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.
3. Het hiervoor in lid 2 bedoelde gedeelte van de netto inkomsten of zoveel meer als partijen wensen wordt gestort op een gemeenschappelijke bankrekening en/of in een gemeenschappelijke kas.
Deze gemeenschappelijke bankgirorekening en/of gemeenschappelijke kas is/zijn mede-eigendom van partijen en wordt/worden op naam van beide partijen gesteld; zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd, voor zover nodig na verrekening in verband met het in artikel 4 sub 2 bepaalde. (…)”
De rechtbank is van oordeel dat de bankrekening met rekeningnummer eindigend op [rekeningnummer 1] (hierna: de en/of-betaalrekening) op grond van dit artikel als gemeenschappelijk bezit moet worden aangemerkt. Uit de overgelegde bankrekeningafschriften volgt voldoende duidelijk dat deze bankrekening door erflater en erflaatster werd gebruikt om de kosten van de gemeenschappelijke huishouding te betalen. Ook heeft [gedaagden] voldoende concreet toegelicht en met bankrekeningafschriften onderbouwd dat (naast erflater) ook erflaatster met enige regelmaat stortingen heeft gedaan op deze en/of-betaalrekening, tot een bedrag van (in ieder geval) € 25.000,-. Het standpunt van [eiseressen] dat de en/of-betaalrekening uitsluitend is gevoed door erflater en daarom niet gemeenschappelijk was, slaagt alleen al om die reden niet.
Weliswaar waren de stortingen van erflaatster minder hoog dan de stortingen van erflater, die zijn volledige inkomen op de en/of-betaalrekening liet overmaken, maar dat is in lijn met de afspraak tussen hen om naar evenredigheid van hun inkomsten bij te dragen: het inkomen van erflaatster was aanmerkelijk lager dan het inkomen van erflater. De vraag of erflaatster exact naar evenredigheid van haar inkomen heeft bijgedragen aan de en/of-betaalrekening, kan in dit kader onbeantwoord blijven. Zelfs als dat niet zo is, doet dit geen afbreuk aan het feit dat uit de handelwijze van erflater en erflaatster (zoals die blijkt uit de bankrekeningafschriften) voldoende duidelijk wordt dat zij de en/of-betaalrekening hebben gebruikt als gemeenschappelijke bankrekening voor kosten van de huishouding in de zin van artikel 3 lid 3 van het samenlevingscontract en dat erflaatster daaraan heeft bijgedragen.
Dit betekent dat het saldo op de en/of-betaalrekening (met nummer eindigend op [rekeningnummer 1]) op grond van het verblijvingsbeding in artikel 8 lid 1 van het samenlevingscontract is verbleven aan erflaatster en daarom geen onderdeel uitmaakt van de nalatenschap van erflater. [eiseressen] kunnen daarvan dus geen verdeling vorderen.
De en/of-spaarrekening
Het voorgaande geldt echter niet voor het saldo op de en/of-bankrekening met rekeningnummer eindigend op [rekeningnummer 2] (hierna: de en/of-spaarrekening). Uit de overgelegde bankrekeningafschriften en de toelichting van [eiseressen] blijkt namelijk dat erflater en erflaatster de en/of-bankrekeningen als volgt hebben gebruikt: erflaatster liet haar inkomen uitbetalen op een privérekening en maakte een (beperkt) gedeelte van haar inkomen over op de en/of-betaalrekening ten behoeve van specifieke kosten van de huishouding. Erflater liet echter zijn hele inkomen uitbetalen op de en/of-betaalrekening en boekte het saldo dat overbleef na het betalen van de kosten van de huishouding over naar de en/of-spaarrekening. Het deel van het saldo dat erflater vanaf de en/of-betaalrekening heeft overgemaakt naar de en/of-spaarrekening betrof dus vermogen dat niet nodig was voor de huishoudelijk kosten, maar wat hij wilde sparen.
Partijen hebben in het samenlevingscontract slechts voorzien in een beperkt regime van gemeenschappelijke eigendom. Artikel 3 lid 3 van het samenlevingscontract heeft naar het oordeel van de rechtbank geen betrekking op bedragen die partijen niet nodig hebben om de kosten van de gemeenschappelijke huishouding mee te voldoen, en die zij beogen te sparen en daarom op de en/of-spaarrekening zijn gestort. Het saldo op die rekening vormt op grond van artikel 3 lid 5 van het samenlevingscontract vermogen waarmee een tekort van partijen kan worden aangevuld, mochten hun inkomsten niet toereikend zijn voor de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.1 Dat vermogen is niet gemeenschappelijk. Uit de enkele omstandigheid dat dat vermogen van erflater via de (gemeenschappelijke) en/of-betaalrekening is gelopen, kan niet worden afgeleid dat erflater de bedoeling heeft gehad om dat vermogen alsnog gemeenschappelijk te laten zijn. Erflater beschikte simpelweg niet ook over een privébankrekening.
[gedaagden] stelt dat de spaarrekening (desondanks) gemeenschappelijk is, alleen al omdat het een en/of-rekening is. Op dit punt krijgt [gedaagden] geen gelijk. De tenaamstelling van een en/of-spaarrekening zegt op zichzelf namelijk niets over de onderlinge gerechtigdheid van de rekeninghouders tot het saldo, maar is slechts van belang voor de relatie van partijen in verhouding tot de bank. Uit de tekst van (artikel 3 van) het samenlevingscontract kan niet worden afgeleid dat erflater en erflaatster hebben bedoeld alle en/of-bankrekeningen gemeenschappelijk te laten zijn. Andere aanknopingspunten voor een dergelijke bedoeling van erflater en erflaatster heeft [gedaagden] niet gesteld.
Omdat het saldo op de en/of-spaarrekening niet gemeenschappelijk was, heeft het verblijvingsbeding daarop geen invloed. Vervolgens moet daarom worden beoordeeld aan wie het saldo toekwam. [gedaagden] heeft uitsluitend gesteld dat erflaatster via stortingen op de en/of-betaalrekening bijdragen heeft geleverd aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding (blijkens de betalingsomschrijvingen lijkt het te gaan om het betalen van specifieke belastingen en kosten van de auto), maar [gedaagden] heeft niet gesteld of onderbouwd dat erflaatster ook heeft bijgedragen aan het vermogen dat is overgeboekt aan de en/of-spaarrekening. Dat is ook in lijn met het feit dat erflaatster (anders dan erflater) beschikte over eigen (spaar-)rekeningen die alleen op haar naam stonden. [eiseressen] hebben bovendien concreet gesteld en met overzichten onderbouwd dat erflater de en/of-betaalrekening en dus ook de en/of-spaarrekening tot een bedrag van bijna € 100.000,- heeft gevoed, hetgeen [gedaagden] niet heeft betwist. Daarom staat voldoende vast dat het saldo op de en/of-spaarrekening (ter hoogte van € 58.019,84 ten tijde van het overlijden van erflater) volledig toebehoorde aan erflater. Dat saldo maakt dus onderdeel uit van de te verdelen nalatenschap van erflater.
Mutaties op de en/of-betaalrekening
Na het overlijden van erflater hebben op de en/of-betaalrekening verschillende mutaties plaatsgevonden (betalingen van SVB, Pensioenfonds, Alliantie, Zilveren Kuis, Interpolis en Essent). De rechtbank begrijpt het betoog van [eiseressen] aldus dat zij stellen dat die mutaties betrekking hebben op de periode vóór het overlijden van erflater en daarom bij zijn nalatenschap moet worden opgeteld.
Hierin worden [eiseressen] niet gevolgd. De en/of-betaalrekening was immers gemeenschappelijk en het saldo is dus verbleven aan erflaatster. Dat geldt daarom ook voor mutaties op die bankrekening. Dat die mutaties moeten worden aangemerkt als inkomen van erflater dat niet nodig was voor het betalen van de kosten van de huishouding en daarom (toch) privévermogen was van erflater, is door [eiseressen] niet gesteld of toegelicht. De mutaties blijven daarom buiten beschouwing bij de verdeling van de nalatenschap van erflater.
Geen vorderingen van erflater op erflaatster of [gedaagden]
[eiseressen] hebben aangevoerd dat vanaf de en/of-betaalrekening op 22 mei 2022 € 25.000,- is overgeboekt aan een privérekening van erflaatster.
[gedaagden] heeft gemotiveerd betwist dat de enkele betaling aan erflaatster vanaf de en/of-betaalrekening leidt tot een vordering van erflater op erflaatster, mede gelet op de verzorgingsplicht van erflater tegenover erflaatster en de mogelijkheid dat sprake was van een gift aan erflaatster. [eiseressen] hebben daarop onvoldoende gereageerd, terwijl het aan hen is om te stellen en te onderbouwen dat erflater een vordering had op erflaatster. Aan die stelplicht hebben zij niet voldaan. Dat bij de te verdelen nalatenschap van erflater een vordering van € 25.000,- op erflaatster moet worden opgeteld, zoals [eiseressen] stellen, is dus niet gebleken.
Het voorgaande geldt eveneens voor de door [eiseressen] gestelde vordering van erflater op [gedaagden]. Uit de bankrekeningafschriften blijkt dat [gedaagden] op 25 augustus 2021 een bedrag van € 650,- heeft betaald aan de en/of-betaalrekening. In de omschrijving is vermeld “13.350”, zonder verdere toelichting. Anders dan [eiseressen] betogen, is dit onvoldoende om vast te stellen dat [gedaagden] een bedrag van € 14.000,- heeft geleend van erflater en dus nog een bedrag van € 13.350,- schuldig was aan erflater. [gedaagden] heeft dat gemotiveerd weersproken. Volgens [gedaagden] was met de betaling op 25 augustus 2021 alles afgerond. Het lag op de weg van [eiseressen] om te stellen en onderbouwen dat er een vordering bestond van erflater op [gedaagden]. Dat [eiseressen] dat niet verder kunnen onderbouwen, is weliswaar begrijpelijk, maar komt voor hun risico. De rechtbank gaat hieraan daarom voorbij.
Schulden
De kosten van de uitvaart en lijkbewassing staan tussen partijen vast en strekken in mindering op de waarde van de te verdelen nalatenschap. [gedaagden] heeft aangevoerd dat dat ook geldt voor de kosten van de notaris. Omdat [eiseressen] dat niet hebben weersproken, zal de rechtbank daarvan uitgaan.
Giften in 2001
[eiseressen] hebben in 2001 ieder een gift ontvangen van (omgerekend) € 10.527,-, in verband met de uitkering van polissen bij Zwitserleven. Anders dan [eiseressen] betogen, geldt op grond van het destijds geldende recht2 als uitgangspunt dat die giften moeten worden ingebracht, tenzij de begiftigde bij authentieke akte of in de uiterste wil is ontheven van de verplichting tot inbreng. Van dat laatste is geen sprake, zodat de giften moeten worden ingebracht.
Voor zover [eiseressen] stellen dat [gedaagden] destijds (in 2001) een gelijkwaardige gift heeft ontvangen, hebben zij dat onvoldoende concreet onderbouwd. [gedaagden] heeft daarover aangevoerd dat hij de uitkering van Zwitserleven op verzoek van erflater heeft (terug)betaald aan erflater, zodat geen sprake was van een gift aan [gedaagden]. [gedaagden] heeft ter onderbouwing hiervan erop gewezen dat voor de giften aan [eiseressen] aangifte schenkbelasting is gedaan en niet voor een gift aan [gedaagden]. [eiseressen] hebben op dit gemotiveerde betoog van [gedaagden] onvoldoende gereageerd. Dat (ook) sprake is geweest van een gift aan [gedaagden] is daarom niet gebleken.
Auto
[gedaagden] stelt dat op het aandeel van [eiseres 1] in de nalatenschap van erflater een bedrag van € 5.000,- in mindering strekt, omdat [eiseres 1] zich de auto van erflater en erflaatster heeft toegeëigend. Ter zitting is echter gebleken dat [eiseres 1] al tijdens het leven van erflater en erflaatster de sleutels van auto heeft gekregen van erflater. [gedaagden] heeft dat onvoldoende concreet weersproken. [gedaagden] heeft wel aangevoerd dat hij het daarmee oneens was, maar dat neemt niet weg dat het kennelijk de bedoeling van erflater was dat [eiseres 1] de auto zou krijgen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de auto is geschonken aan [eiseres 1], zoals [eiseres 1] ook aanvoert. Dat betekent dat de waarde van de auto niet in mindering strekt op het aandeel van [eiseres 1].
Conclusie: saldo van de nalatenschap van erflater en vordering van [eiseressen]
Het saldo van de nalatenschap en het aandeel van [eiseressen] daarin bedragen dus:
|
Bezittingen |
|
|
Saldo en/of-spaarrekening |
€ 58.019,84 |
|
Schulden |
|
|
Kosten lijkbewassing |
€ 2.616,30 |
|
Kosten uitvaart |
€ 4.933,30 |
|
Kosten notaris |
€ 1.706,04 |
|
Saldo |
€ 48.764,20 |
|
Inbreng giften (2 x € 10.527) |
€ 21.054,00 |
|
Saldo na inbreng |
€ 69.818,20 |
|
Aandeel [eiseressen] (1/3 – gift € 10.527) ieder |
€ 12.745,73 |
De gevorderde verklaring voor recht en de vaststelling van de omvang van de nalatenschap zijn in zoverre toewijsbaar. Het betoog van [gedaagden] dat [eiseressen] bij die vorderingen geen belang hebben omdat de nalatenschap negatief is, gaat niet op.
[gedaagden] heeft niet betwist dat hij de bezittingen uit de nalatenschap van erflater (meer concreet: het saldo van de en/of-spaarrekening) onder zich houdt en daarom het aandeel van [eiseressen] aan hen moet betalen (een overbedelingsvergoeding). De gevorderde veroordeling van [gedaagden] tot betaling aan [eiseressen] is daarom eveneens toewijsbaar. Voor een (hoofdelijke) veroordeling van [gedaagden] in zijn hoedanigheid van erfgenaam/executeur in de nalatenschap van erflaatster, bestaat echter geen grondslag.
De wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding zal worden toegewezen. Het betoog van [gedaagden] dat geen ingebrekestelling is gestuurd slaagt niet, omdat de dagvaarding in dit geval als ingebrekestelling kan worden aangemerkt.
Gelet op de familierechtelijke verhouding tussen partijen zal de rechtbank de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Beslagkosten
De kosten van het beslag kunnen van de beslagene ([gedaagden]) worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was.3
Het verweer van [gedaagden] dat [eiseressen] geen beslag hadden mogen leggen omdat de nalatenschap van erflater negatief was en zij dus geen vordering hadden, slaagt niet gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen.
Verder voert [gedaagden] aan dat het onbegrijpelijk is dat naast beslag op de woning van [gedaagden], ook beslag is gelegd op de bankrekeningen. Als op veel meer goederen beslag wordt gelegd dan redelijkerwijs nodig is voor verhaal, kan worden geoordeeld dat het beslag gedeeltelijk onnodig is gelegd. Het had echter op de weg van [gedaagden] gelegen om toe te lichten dat het beslag op zijn woning voor [eiseressen] voldoende zekerheid biedt, bijvoorbeeld door inzicht te geven in de overwaarde van zijn woning, ook omdat uit de overgelegde beslagstukken blijkt dat slechts beslag is gelegd op het onverdeelde aandeel van [gedaagden] in de woning en op de woning een hypotheekrecht rust. [gedaagden] heeft over de waarde van de woning als verhaalsobject niets aangevoerd. Hij heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat het bankbeslag onnodig was. Dat betekent dat [gedaagden] ook de kosten van het bankbeslag aan [eiseressen] moet vergoeden.
De kosten van het conservatoir beslag op de woning en van de zes conservatoire beslagen onder Rabobank en ABN AMRO worden als volgt begroot:
- griffierecht: € 87,00
- salaris advocaat: € 1.214,00 (1 punt x tarief IV)
- explootkosten: € 2.350,76
- advertentiekosten: € 792.81
Totaal: € 4.444,57.
In reconventie
De gevorderde opheffing van de conservatoire beslagen is aan de orde als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld.4 Verder kan sprake zijn van opheffing van conservatoir beslag als het belang van de beslagene ([gedaagden]) bij opheffing van het beslag zwaarder weegt dan het belang van de beslaglegger ([eiseressen]) bij handhaving van het beslag.
Van dat alles is niet gebleken. Verwezen wordt naar hetgeen in conventie is overwogen in het kader van de beslagkosten: de ondeugdelijkheid van de vordering van [eiseressen] is niet gebleken en [gedaagden] heeft niet onderbouwd dat het bankbeslag onnodig is. Weliswaar heeft [gedaagden] toegelicht dat hij stress ervaart door het beslag op zijn woning, maar dat is bij deze stand van zaken onvoldoende om opheffing van het beslag te rechtvaardigen. Bovendien is niet gebleken dat [gedaagden] op korte termijn van plan zijn woning te verkopen. Evenmin heeft [gedaagden] toegelicht in hoeverre hij door het bankbeslag in zijn belangen wordt geschaad. Ook heeft hij geen vervangende zekerheid gesteld.
De vordering in reconventie wordt daarom afgewezen. Gelet op de familierechtelijke verhouding tussen partijen zal de rechtbank de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De rechtbank
In conventie
verklaart voor recht dat [eiseres 1], [eiseres 2] en [gedaagden] ieder gerechtigd zijn tot één derde deel in de nalatenschap van erflater, na inbreng van de giften uit 2001;
stelt de omvang van de nalatenschap van erflater (na inbreng van de giften uit 2001) vast op € 69.818,20;
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiseressen] te betalen ieder € 12.745,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagden] in de beslagkosten, ter hoogte van € 4.444,58;
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen in 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het anders of meer gevorderde;
In reconventie
wijst de vordering af;
compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
1538