ECLI:NL:RBNHO:2026:13619

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/15/370523
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Zaak over aanneming van werk. Niet is komen vast te staan dat partijen betaling van het merendeel van het meerwerk voor de oplevering hadden afgesproken. De vorderingen in reconventie wijst de rechtbank af. De vorderingen in conventie wijst de rechtbank gedeeltelijk toe. Proceskosten worden gecompenseerd, omdat het grootste gedeelte van de door eisers gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/370523 / HA ZA 25-663

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

te [plaats 1] ,

hierna te noemen: [eiser 1] ,2. [eiser 2],

te [plaats 1] ,

hierna te noemen: [eiser 2] ,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

advocaat: mr. M.C. van Kamp,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats 3],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. Ch.P.A.T. van Goethem.

De zaak in het kort

[gedaagde] heeft in opdracht van [eisers] meubelen, zoals maatkasten en een bed, vervaardigd en geïnstalleerd in de woning van [eisers] Ook heeft [gedaagde] schilder- en behangwerk uitgevoerd in de woning. [gedaagde] heeft het werk niet op de afgesproken datum opgeleverd en het werk niet afgemaakt. Volgens [gedaagde] moesten [eisers] eerst betalen voor het meerwerk. Volgens [eisers] heeft [gedaagde] het werk ondeugdelijk uitgevoerd. [eisers] hebben de overeenkomst vervolgens ontbonden. In deze procedure vorderen [eisers] onder meer een verklaring voor recht dat zij de overeenkomst hebben ontbonden. Ook vorderen zij vergoeding van de kosten die zij stellen te hebben gemaakt voor het herstel van de gebreken in het werk van [gedaagde] en schadevergoeding, onder meer als gevolg van de tekortkoming in de uitvoering van het werk van [gedaagde] .

De rechtbank is van oordeel dat partijen niet hebben afgesproken dat [eisers] voor de oplevering van het werk moesten betalen voor het meerwerk. [gedaagde] had daarom het werk op de afgesproken datum moeten opleveren en moeten afmaken. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. [eisers] hebben daarom terecht de overeenkomst ontbonden. De rechtbank wijst een klein deel van de gevorderde herstelkosten toe. Ook wijst de rechtbank een deel van de gevorderde schadevergoeding toe. De vordering in reconventie van [gedaagde] tot betaling voor het meerwerk wijst de rechtbank af, omdat de rechtbank die al heeft verrekend met de vordering van [eisers] in conventie.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 38

- de conclusie van antwoord in conventie tevens inhoudende eis in reconventie met producties 1 en 2

- de conclusie wijziging van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van [eisers]

- de beslissing van de rolrechter, waarbij paragraaf 3 van de conclusie van antwoord in reconventie niet wordt toegelaten

- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald

- de akte overlegging productie 39 van [eisers]

- de akte uitlating productie en akte overlegging productie 3 van [gedaagde]

- het bericht van de rechtbank aan partijen met een agenda voor de mondelinge behandeling

- de mondelinge behandeling van 21 augustus 2026, waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] ontwerpt, produceert en installeert op maat gemaakte kasten. De enige bestuurder van [gedaagde] is [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ).

2.2.

Op 23 oktober 2023 heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd naar [eisers] dat zij voor hen aan de slag gaat met als bijlage een factuur voor een aanbetaling van € 1.500,00 inclusief btw en onder vermelding van “timmerwerkzaamheden op maat”. [eisers] hebben dit bedrag betaald.

2.3.

Op 13 maart 2024 heeft [gedaagde] een (aangepaste) offerte aan [eisers] gestuurd voor timmer- en schilderwerkzaamheden in de woning van [eisers] . De betalingsvoorwaarden volgens de offerte zijn: 25% aanbetaling, 50% bij aanvang werkzaamheden en de laatste 25% bij oplevering. De offerte sluit op € 69.998,50 inclusief btw, bestaande uit € 57.898,50 inclusief 21% btw aan interieurwerkzaamheden en € 12.100,00 inclusief 9% btw aan schilderwerk. Bij de offerte heeft [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 17.499,63 inclusief btw met de omschrijving “Aanbetaling 25% volgens offerte incl. 21% btw”. [eisers] hebben hun akkoord op de offerte gegeven en het factuurbedrag betaald.

2.4.

[gedaagde] heeft onder meer maatwerkkasten, een maatwerkbed en twee bureaubladen voor [eisers] vervaardigd en gemonteerd. Daarnaast heeft zij in de woning schilder- en behangwerkzaamheden verricht. Als meerwerk heeft [gedaagde] een elektricien diverse elektrawerkzaamheden laten uitvoeren, waaronder het aanleggen van een LED-strip bij het maatwerkbed.

2.5.

Op 22 april 2024 heeft [gedaagde] vervolgens een factuur van € 17.499,63 inclusief btw naar [eisers] gestuurd met de omschrijving “2e betaling 25% volgens offerte incl. 21% btw”. [eisers] hebben de factuur betaald.

2.6.

Op 5 juni 2024 heeft [gedaagde] een derde factuur van 25% inclusief btw naar [eisers] verzonden. In de bij de factuur vergezelde e-mail heeft [betrokkene 2] van [gedaagde] geschreven “Hierbij de 3e factuur volgens de offerte. De laatste 25% en het meerwerk wat je besproken hebt met [betrokkene 1] (15%) komt na de oplevering.” [eisers] hebben de factuur betaald.

2.7.

Op 17 juli 2024 heeft [gedaagde] een factuur gestuurd voor de elektrawerkzaamheden van € 1.415,70. [eisers] hebben ook deze factuur betaald.

2.8.

[gedaagde] heeft op 29 juli 2024 de vierde factuur van 25% inclusief btw naar [eisers] gestuurd. In de bij de factuur behorende e-mail heeft [betrokkene 2] onder andere geschreven: “Hierbij de factuur 25%. He meerwerk laten wij open staan tot na de oplevering.” [eisers] hebben de factuur van € 17.499,63 inclusief btw betaald.

2.9.

Op 24 september 2024 hebben [eisers] per e-mail aan [gedaagde] bevestigd dat partijen de afgesproken opleveringsdatum van 1 oktober 2024 hebben verschoven naar 15 oktober 2024.

2.10.

Op 7 oktober 2024 heeft via WhatsApp en telefonisch overleg tussen partijen plaatsgevonden over het meerwerk en de eindfactuur van [gedaagde] . Partijen hebben afgesproken de eindfactuur voor het meerwerk op een bedrag van € 16.000,00 inclusief btw te zetten, waarvan [eisers] € 1.000,00 contant aan [gedaagde] betalen.

2.11.

Op 9 oktober 2024 hebben [eisers] een lijst gemaild aan [gedaagde] met punten die nog in de woning gedaan moeten worden voor de oplevering op 15 oktober 2024. Op dezelfde dag heeft [betrokkene 1] via WhatsApp aan [eisers] het volgende bericht:

“Goedemorgen, lijstje gekregen TOP Expertise gaan er meteen mee aan het werk. En denken het dan ook af te hebben. Zouden jullie die 1000 cash mee willen nemen. Is wel lekker kan ik iedereen zaterdag betalen fijne dag!”

2.12.

Op 12 oktober 2024 hebben partijen overleg met elkaar gevoerd in de woning van [eisers] . [eisers] hebben het gesprek met [betrokkene 1] opgenomen. [eisers] hebben die dag het bedrag van € 1.000,00 contant aan [gedaagde] betaald. [betrokkene 1] heeft in dat gesprek gesteld dat er nog een bedrag van € 15.000 open staat. Hij heeft aan [eisers] voogesteld dat hij de volgende dag een rekening stuurt voor een bedrag van € 12.500,00 en een bedrag van € 2.500,00 blijft staan tot “de montage en dat soort dingen geweest zijn allemaal”.

2.13.

Op 13 oktober 2024 hebben [eisers] een aangepaste lijst van afwerkpunten naar [gedaagde] gestuurd.

2.14.

De beoogde oplevering van het werk van [gedaagde] op 15 oktober 2024 heeft niet plaatsgevonden. [betrokkene 1] heeft die dag geweigerd het werk van [gedaagde] af te maken totdat [eisers] het bedrag van € 12.500,00 heeft betaald. De situatie tussen partijen is in de woning van [eisers] geëscaleerd. [eisers] hebben toen de politie ingeschakeld. [betrokkene 1] heeft vervolgens de tafel, de afstandsbediening voor de LED-verlichting in de slaapkamer en negentien kastendeuren uit de woning meegenomen. Ook heeft hij het gereedschap van [gedaagde] uit de woning gehaald.

2.15.

Op 16 oktober 2024 hebben [eisers] aan [gedaagde] bevestigd dat geen oplevering heeft plaatsgevonden en dat zij de sloten van hun woning hebben vervangen. Zij hebben [gedaagde] de gelegenheid geboden om haar openstaande werkzaamheden af te ronden. [gedaagde] heeft in haar antwoord op dezelfde dag geschreven dat zij pas komt nadat [eisers] de factuur van € 12.500,00 hebben betaald.

2.16.

In opdracht van [eisers] heeft een deskundige van TOP Expertise B.V. (hierna: TOP Expertise) op 20 november 2024 het werk van [gedaagde] onderzocht. [betrokkene 1] was hierbij aanwezig.

2.17.

Op 31 januari 2025 heeft TOP Expertise haar rapport naar [eisers] gestuurd. TOP Expertise heeft de herstelkosten begroot op € 97.655,57 inclusief btw.

2.18.

De advocaat van [eisers] heeft op 3 april 2025 een brief naar [gedaagde] gestuurd waarin [eisers] haar hebben gesommeerd tot:

  1. het binnen vijf dagen terugbrengen van de tafel, de negentien kastendeuren en de afstandsbediening;

  2. het geven van een verklaring binnen vijf dagen om bereid te zijn tot herstel, het sturen van een plan van aanpak voor het herstel binnen tien dagen, en het daadwerkelijk herstel van de gebreken zonder meerkosten binnen vier weken na goedkeuring van het plan van aanpak door [eisers] ;

  3. terugbetaling van laatste som van € 17.499,63 binnen vijf dagen;

  4. terugbetaling van het aanbetaalde bedrag van € 1.500,00 binnen vijf dagen;

  5. betaling van de vertragingsschade van € 27.598,79 binnen vijf dagen;

  6. betaling van de kosten van deskundige van TOP Expertise van € 3.630,00 binnen veertien dagen.

2.19.

Op 9 april 2025 heeft de advocaat van [eisers] [gedaagde] bericht dat zij niet (tijdig) aan de sommaties 1, 2, 3, 4 en 5 heeft voldaan op grond waarvan [eisers] de overeenkomst hebben ontbonden.

2.20.

De advocaat van [gedaagde] heeft in haar reactie op dit bericht geschreven dat voor ontbinding van de overeenkomst een rechtsgrond ontbreekt. Zij heeft daarnaast voorgesteld om op 17 april 2025 de tafel, kastendeuren en de afstandsbediening terug te brengen. Hiermee zijn [eisers] op 10 april 2025 akkoord gegaan.

2.21.

Op 17 april 2025 hebben [eisers] bevestigd dat de tafel en kastendeuren zijn teruggebracht, maar dat de afstandsbediening niet werkte en weer door [gedaagde] mee is teruggenomen.

2.22.

De advocaat van [gedaagde] heeft op 28 april 2025 per brief inhoudelijk op de brief van [eisers] van 3 april 2025 gereageerd. Zij heeft aangegeven dat [gedaagde] niet aan de sommaties zal voldoen. Wel heeft [gedaagde] erkend dat zij het bedrag van € 1.500,00 aan [eisers] moet terugbetalen. Zij heeft dit bedrag verrekend met haar vordering op [eisers] van € 15.000,00. Ook heeft [gedaagde] de wens geuit om een contra-expertise uit te voeren.

2.23.

De advocaat van [eisers] heeft per e-mail van 29 april 2025 bericht dat [eisers] bereid zijn de herstelwerkzaamheden uit te stellen tot 8 mei 2025. Ook hebben zij [gedaagde] gelegenheid gegeven om tot en met 7 mei 2025 een contra-expertise uit te laten voeren, onder de voorwaarde dat bij de contra-expertise niemand van de zijde van [gedaagde] aanwezig is. [gedaagde] heeft geen contra-expertise in de woning laten uitvoeren. Zij heeft wel [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) het rapport van TOP Expertise laten beoordelen.

2.24.

In augustus 2025 zijn [eisers] naar de woning verhuisd.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eisers] vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Onverschuldigde betaling van aanbetaling € 1.500,00

  1. voor recht verklaart dat [eisers] een bedrag van € 1.500,00 onverschuldigd hebben betaald;

  2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eisers] van € 1.500,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23 oktober 2023, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

(Toerekenbare) tekortkoming en ontbinding

3. voor recht verklaart dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten, althans is tekortgeschoten, in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, althans de overeenkomst;

4. voor recht verklaart dat de aanneemovereenkomst, althans de overeenkomst, tussen [gedaagde] en [eisers] is ontbonden, althans – subsidiair – de aanneemovereenkomst, althans de overeenkomst, tussen [gedaagde] en [eisers] ontbindt;

Gevolgen ontbinding

5. als gevolg van de ontbinding bepaalt dat [gedaagde] aan [eisers] herstelkosten en schadevergoeding betaalt, althans de gevolgen van de ontbinding in goede justitie bepaalt;

6. primair: [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eisers] van € 121.151,21, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2024, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, althans;

7. subsidiair: voor recht verklaart dat [gedaagde] gehouden is schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat;

Voorwaardelijk: terugbetaling laatste termijn van € 17.499,63

8. voorwaardelijk: onder de voorwaarde dat vorderingen 7 en 8 zijn afgewezen: voor recht verklaart dat de rechtshandeling die leidt tot betaling van de laatste termijn van € 17.499,63 is vernietigd, althans de rechtshandeling die leidt tot betaling van de laatste termijn van € 17.499,63 vernietigt, althans voor recht verklaart dat de laatste termijn van € 17.499,63 onverschuldigd is betaald;

9. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eisers] van € 17.499,63, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 juli 2024, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

Buitengerechtelijke kosten

10. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eisers] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.988,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na dit vonnis, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

Proceskosten

11. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eisers] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Zij hebben het bedrag van € 1.500,00 onverschuldigd aan [gedaagde] betaald. [gedaagde] moet dit bedrag daarom aan [eisers] terugbetalen.

[eisers] stellen zich verder op het standpunt dat dat [gedaagde] toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat zij haar werk niet volgens afspraak op 15 oktober 2024 heeft opgeleverd, het werk gebreken vertoont en zij spullen van [eisers] heeft meegenomen. [gedaagde] is volgens [eisers] in verzuim, omdat de opleveringsdatum van 15 oktober 2024 een fatale termijn was. Een ingebrekestelling was niet nodig. Anders is [gedaagde] in verzuim, omdat zij niet aan de sommaties in de brief van 3 april 2025 heeft voldaan. Daarom hebben [eisers] de overeenkomst op 9 april 2025 ontbonden. [gedaagde] moet volgens [eisers] de schade vergoeden die zij lijdt doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgevonden. Het totale bedrag aan schade van € 121.151,21 bestaat uit de door TOP Expertise deels begrote en deels werkelijke kosten voor het herstel van de gebreken in het werk van [gedaagde] en de door [eisers] geleden vertragingsschade. [eisers] trekken daarvan af het openstaande bedrag van € 13.500,00 aan meerwerk, na aftrek van het onverschuldigd betaalde bedrag van € 1.500,00.

Indien de rechtbank de ontbinding van de overeenkomst niet vaststelt of niet zelf de overeenkomst zal ontbinden, stellen [eisers] zich op het standpunt dat zij de laatste termijn van € 17.499,63 onder bedreiging of misbruik van omstandigheden door [gedaagde] hebben betaald. In dat geval vernietigen zij op grond daarvan de overeenkomst en moet [gedaagde] het bedrag van € 17.499,63 terugbetalen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

In reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [eisers] in schuldeisersverzuim verkeert vanaf 15 oktober 2024 althans sedert 28 april 2025;

II. [gedaagde] bevrijdt van haar verplichtingen uit de overeenkomst, alsmede eventuele daaruit voortvloeiende verplichtingen tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden;

III. [eisers] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van € 13.500,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 15 oktober 2024 voor het bedrag van € 7.500,00 sedert 5 mei 2025 en voor het restant van € 5.500,00 met ingang van de datum van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, althans tot een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht; en

IV. [eisers] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

[gedaagde] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [eisers] verkeren vanaf 15 oktober 2024 dan wel 18 april 2025 in schuldeisersverzuim. Zij hebben niet de factuur van € 12.500,00 zoals afgesproken betaald. Daarom mocht zij haar verbintenis tot oplevering van haar werk op 15 oktober 2024 opschorten. [gedaagde] wil ook van alle verbintenissen uit de overeenkomst bevrijd zijn. [eisers] hebben namelijk, terwijl zij in schuldeisersverzuim verkeerden, besloten om het werk af te laten maken door derden en om [gedaagde] de toegang tot de woning te ontzeggen. Het is voor [gedaagde] onmogelijk om het werk af te maken en dit kan dan ook niet meer in redelijkheid van [gedaagde] worden gevraagd.

3.7.

[eisers] betwisten de vorderingen van [gedaagde] . Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.8.

Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

4 De beoordeling

Het beroep van [gedaagde] op artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) slaagt niet

4.1.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dat [eisers] in strijd met artikel 21 Rv hebben gehandeld, omdat zij een onvolledig en onjuist beeld hebben geschetst van de verhouding tussen partijen door relevante correspondentie tussen hen niet over te leggen. Zo laten [eisers] na om alle WhatsApp- en mailverkeer voorafgaand aan 24 oktober 2024 te delen. Uit dit WhatsAppverkeer volgt dat [eisers] het werk van [gedaagde] zeer waardeerden en voortdurend prezen.

4.2.

Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.1 Partijen mogen onder andere in elk geval geen feiten achterhouden waardoor de rechtbank (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers] niet de waarheids- en volledigheidsplicht zoals bedoeld in artikel 21 Rv hebben geschonden. [gedaagde] heeft gelijk dat [eisers] niet de volledige correspondentie tussen partijen hebben overgelegd, maar zij hebben hierdoor de rechtbank niet op het verkeerde been gezet. De rechtbank zal daaraan daarom geen gevolgen verbinden voor de beoordeling van de vorderingen van [eisers] . Het feit dat uit het deel van de correspondentie dat [gedaagde] vervolgens wel in het geding heeft gebracht, blijkt dat [eisers] eerder in het uitvoeringstraject wel tevreden waren over het (tot dan toe) door [gedaagde] uitgevoerde werk, maar zich pas later op het standpunt hebben gesteld dat het werk gebrekkig was, kleurt weliswaar de zaak, maar is voor de uiteindelijke beslissing door de rechtbank niet relevant. In deze zaak staat immers de vraag centraal of [gedaagde] te kort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst. Daarvoor moet de rechtbank beoordelen of het uiteindelijk door [gedaagde] uitgevoerde werk beantwoordt aan de overeenkomst.

Of de tussen partijen gesloten overeenkomst een overeenkomst is tot aanneming van werk is voor de beoordeling van de zaak niet van belang

4.4.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de tussen hen gesloten overeenkomst een overeenkomst tot aanneming van werk is. [eisers] stellen van wel. [gedaagde] betwist dit en voert daartoe aan dat zij slechts een leverancier is, omdat zij de zaken, zoals de kastdeuren, in haar atelier vervaardigt en daarna later op locatie monteert.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat de kwalificatie van de overeenkomst tussen partijen niet relevant is voor de beoordeling van de zaak. Het gaat in deze zaak immers om de vraag of [gedaagde] haar verplichtingen zoals die volgen uit de overeenkomst tussen partijen, hoe die ook moet worden gekwalificeerd, is nagekomen. [gedaagde] heeft op de zitting desgevraagd ook bevestigd dat zij geen consequenties verbindt aan haar standpunt dat volgens haar geen sprake is van een aanneemovereenkomst.

[eisers] zijn niet in schuldeisersverzuim

4.6.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eisers] in schuldeisersverzuim zijn, omdat zij niet volgens de afspraak van 12 oktober 2024 een bedrag van € 12.500,00 voor het meerwerk voorafgaand aan de oplevering op 15 oktober 2024 hebben betaald en zij daarom rechtsgeldig haar verbintenis tot oplevering van het werk heeft opgeschort. Volgens [gedaagde] kan zij daarom ook niet in verzuim zijn in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. [eisers] betwisten dat zij met [gedaagde] hebben afgesproken dat zij voor de oplevering € 12.500,00 zouden betalen (en het resterende bedrag voor het meerwerk van € 2.500,00 na de oplevering). Partijen verschillen niet van mening over de omvang en het (na de contante betaling van € 1.000,00 nog openstaande) bedrag van het door [gedaagde] verrichte meerwerk van € 15.000,00. Het gaat dus alleen om de vraag of partijen hebben afgesproken dat [eisers] een bedrag van € 12.500,00 voor het meerwerk vóór 15 oktober 2024 zouden betalen, of het totale bedrag voor het meerwerk van € 15.000,00 na de oplevering van het werk.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] tegenover de gemotiveerde betwisting van [eisers] niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat partijen op 12 oktober 2024 hebben afgesproken dat [eisers] voor de oplevering van 15 oktober 2024 een bedrag van € 12.500,00 voor het meerwerk van [gedaagde] zouden betalen. Het staat daarom niet vast dat partijen deze afspraak hebben gemaakt. De rechtbank zal dat hierna uitleggen.

4.8.

Uitgangspunt voor de afspraken van partijen over de betalingstermijnen is de offerte van [gedaagde] van 13 maart 2024. Daarin hebben partijen afgesproken dat [eisers] de laatste termijn van 25% voor het werk van [gedaagde] zal betalen na de oplevering van het werk. In aanvulling daarop heeft [betrokkene 2] van [gedaagde] op 5 januari 2024 aan [eisers] bericht dat het meerwerk samen met de betaling van de laatste termijn van 25% na de oplevering moet worden betaald. Weliswaar heeft [gedaagde] al op 29 juli 2024 - en dus voor de oplevering - een factuur gestuurd aan [eisers] voor de laatste termijn van 25%, en hebben [eisers] die ook betaald, maar [betrokkene 2] heeft bij die factuur van 29 juli 2024 bericht dat het meerwerk open blijft staan tot na de oplevering. Daarover hebben partijen in elk geval op dat moment geen andere afspraak gemaakt. [gedaagde] stelt dat partijen op 12 oktober 2024 mondeling hebben afgesproken dat [eisers] voorafgaand aan de afgesproken oplevering op 15 oktober 2024 een bedrag van € 12.500,00 voor het meerwerk zou betalen. [eisers] hebben dat betwist. Zij verwijzen naar het gesprek tussen partijen van 12 oktober 2024:

“[ [betrokkene 1] ] […] en dan dacht ik het zo te doen euh, [eiser 2]. Want er staat nog 15.000 euro staat er nog open. En dan stuur ik je morgen een rekening van 12,5 en dan laten we nog 2,5 duizend euro laten we nog even staan voor als de montage (?) en dat soort dingen geweest zijn allemaal. [ [eiser 2] ] euhm what do you think?

[[eiser 1]] euhm we can look at it yeah.[ [eiser 2] ] what?

[[eiser 1]] we can look at it

[ [eiser 2] ] Yeah ok. […]”

Hieruit blijkt dat [eisers] niet akkoord zijn gegaan met het voorstel van [betrokkene 1] om een bedrag van € 12.500,00 te betalen voor de oplevering. Er blijkt niet meer dan dat [eisers] naar het voorstel zullen kijken. Daaruit heeft [gedaagde] niet kunnen afleiden dat [eisers] ermee hebben ingestemd om het bedrag van € 12.500,00 te betalen. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat [eisers] later alsnog hebben ingestemd met het voorstel. Omdat deze afspraak niet is komen vast te staan, is de eerdere afspraak tussen partijen dat [eisers] het meerwerk zouden meebetalen na de oplevering van het werk, blijven staan. [eisers] zijn daarom niet in schuldeisersverzuim en [gedaagde] was daarom niet bevoegd om haar verbintenis om op 15 oktober 2024 haar werk op te leveren op te schorten.

4.9.

De rechtbank zal daarom de vordering van [gedaagde] in reconventie te verklaren voor recht dat [eisers] in schuldeisersverzuim zijn afwijzen.

[gedaagde] moet het bedrag van € 1.500,00 aan [eisers] terugbetalen

4.10.

[gedaagde] heeft erkend dat [eisers] het bedrag van € 1.500,00 op 23 oktober 2023 onverschuldigd aan [gedaagde] hebben betaald. De rechtbank zal daarom zoals gevorderd [gedaagde] veroordelen dit bedrag aan [eisers] terug te betalen. De gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW zal de rechtbank niet vanaf 23 oktober 2023 toewijzen, omdat [gedaagde] op dat moment nog niet in verzuim was met de betaling van dit bedrag. In hun sommatiebrief aan [gedaagde] van 3 april 2025 hebben [eisers] pas aanspraak gemaakt op terugbetaling van de € 1.500,00 en [gedaagde] hiertoe gesommeerd. Omdat [gedaagde] binnen de sommatietermijn van vijf dagen het bedrag niet heeft terugbetaald, is zij vanaf 9 april 2025 hiermee in verzuim. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf deze datum toewijzen.

4.11.

De gevorderde verklaring voor recht op dit punt zal de rechtbank afwijzen, omdat [eisers] door de erkenning van de vordering door [gedaagde] en toewijzing van de vordering tot terugbetaling door de rechtbank geen belang bij deze vordering hebben.

[gedaagde] is toerekenbaar te kort geschoten in de nakoming van haar opleveringsverplichting

4.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde] op 15 oktober 2024 het werk zou opleveren. Het staat ook vast dat de oplevering niet heeft plaatsgevonden. Omdat [eisers] niet in schuldeisersverzuim zijn komen te verkeren, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] in de nakoming van haar verplichting om op 15 oktober 2024 op te leveren toerekenbaar is te kort geschoten. Zij was niet gerechtigd om de oplevering van het werk op te schorten totdat [eisers] het bedrag van € 12.500,00 zouden betalen.

[eisers] mochten de overeenkomst ontbinden

4.13.

Nu sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis van [gedaagde] om het werk op te leveren, mochten [eisers] de overeenkomst tussen partijen ontbinden, als [gedaagde] in verzuim was.

4.14.

[eisers] stellen zich primair op het standpunt dat de afgesproken opleveringsdatum van 15 oktober 2024 een fatale termijn was. Door op die datum niet op te leveren is [gedaagde] volgens [eisers] in verzuim komen te verkeren. Subsidiair stellen zij zich op het standpunt dat [gedaagde] niet aan de sommaties uit de brief van 3 april heeft voldaan en daarom in verzuim is.

4.15.

[gedaagde] betwist dat zij in verzuim is komen te verkeren. De opleverdatum van 15 oktober 2024 was volgens haar geen fatale termijn. Gelet op de aard van het project – waarin voortdurend wijzigingen, aanvullend meerwerk en afhankelijkheden van derden speelden – was een vaste einddatum ook niet realistisch. Daarnaast ontbreekt een rechtsgeldige ingebrekestelling van [eisers] De sommatie van 3 april 2025 voldoet volgens [gedaagde] niet, omdat [gedaagde] steeds bereid is gebleven herstelwerkzaamheden uit te voeren.

4.16.

Verzuim treedt zonder ingebrekestelling in, wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.2

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat partijen met de opleverdatum van 15 oktober 2024 een fatale termijn zijn overeengekomen voor nakoming. Op 24 september 2024 hebben partijen namelijk afgesproken dat de afgesproken werkzaamheden op 15 oktober 2024 zouden zijn afgerond. [gedaagde] heeft op 9 oktober 2024 met zoveel woorden bevestigd dat het zou lukken om het werk op 15 oktober 2024 op te leveren. Ter zitting heeft [betrokkene 1] ook bevestigd dat hij ervan uitging dat [gedaagde] de afwerklijsten van 9 en 13 oktober 2024 zou kunnen uitvoeren en het werk op 15 oktober 2024 zou kunnen opleveren. Ook [eiser 2] heeft op de zitting verklaard dat [eisers] ervan uitgingen dat [gedaagde] het werk op die dag zou opleveren. De rechtbank maakt hieruit op dat partijen allebei ervan uitgingen dat het werk op 15 oktober 2024 zou zijn opgeleverd, niet tegenstaande punten die na de oplevering nog op zouden kunnen komen. De rechtbank is daarom van oordeel dat door het verstrijken van de termijn voor oplevering op 15 oktober 2024, [gedaagde] vanaf die datum in verzuim is komen te verkeren. [eisers] waren daarom bevoegd om de overeenkomst ontbinden.

De ontbinding van de overeenkomst was gerechtvaardigd; [eisers] hebben de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden

4.18.

[gedaagde] heeft tegen de ontbinding van de overeenkomst aangevoerd dat indien al sprake zou zijn van gebrekkig werk, haar tekortkoming de ontbinding van de gehele overeenkomst niet rechtvaardigt.

4.19.

De rechtbank is van oordeel dat de tekortkoming van [gedaagde] de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, omdat de tekortkoming niet alleen bestaat uit de door TOP Expertise geconstateerde gebreken in het werk van [gedaagde] , maar ook uit het feit dat [gedaagde] tot het moment van de ontbinding (maar ook daarna) heeft geweigerd de werkzaamheden uit de afwerklijsten van 9 en 13 oktober 2024 uit te voeren en ten onrechte afhankelijk heeft gesteld van de betaling van het bedrag van € 12.500,00. [eisers] hebben daarom rechtsgeldig de overeenkomst ontbonden. De rechtbank zal daarom, zoals [eisers] hebben gevorderd, in conventie voor recht verklaren dat de overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde] is ontbonden.

De gevolgen van de ontbinding van de overeenkomst en de verdere beoordeling

4.20.

[eisers] vorderen in totaal een vergoeding van € 121.151,21 van [gedaagde] voor de schade die zij stellen te hebben geleden door de ontbinding van de overeenkomst. Zij verwijzen daarvoor naar de door TOP Expertise begrote herstelkosten en zij stellen vertragingsschade te hebben geleden en schade bestaande uit de kosten van TOP Expertise. Van het schadebedrag hebben [eisers] het bedrag van € 13.500,00 afgetrokken. Zij erkennen dat zij voor het meerwerk van [gedaagde] nog een bedrag van € 15.000,00 verschuldigd waren. Met dit bedrag verrekenen zij het onverschuldigd betaalde bedrag van € 1.500,00.

4.21.

[gedaagde] betwist onder verwijzing naar de door haar ingeschakelde deskundige van [bedrijf] de aard en de omvang de van de door [eisers] gestelde schade. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat de vertragingsschade die [eisers] vorderen niet in causaal verband staat met de ontbinding van de overeenkomst. [eisers] konden volgens [gedaagde] in oktober 2024, voor ontbinding van de overeenkomst, al naar hun woning in [plaats 1] verhuizen.

4.22.

Na ontbinding van een overeenkomst ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van prestaties die zij al hebben ontvangen.3 Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats van de waarde op het tijdstip van de ontvangst. Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad.4

Daarnaast is de partij van wie de tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.5

4.23.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aard van de prestatie die [gedaagde] tot aan de ontbinding heeft geleverd, zich er niet voor leent om die prestatie ongedaan te maken. Daarom zijn [eisers] in beginsel gehouden de waarde te vergoeden van het werk dat [gedaagde] tot aan de ontbinding heeft gedaan. De vordering van [eisers] tot vergoeding van hun schade bestaande uit de herstelkosten, waarvan zij de kosten voor het meerwerk die zij nog aan [gedaagde] verschuldigd zijn, aftrekken, merkt de rechtbank aan als een vordering tot vergoeding van de werkelijke waarde die het werk voor [eisers] heeft gehad. De kosten die [eisers] moeten maken of al hebben gemaakt om de gebreken in het werk van [gedaagde] te herstellen, strekken in mindering op de waarde van het werk dat [gedaagde] heeft uitgevoerd. Voor zover [eisers] meer hebben betaald aan [gedaagde] dan de werkelijke waarde van haar werk, zal [gedaagde] dat meerdere aan [eisers] moeten vergoeden.

4.24.

[eisers] hebben in totaal een bedrag van € 69.998,50 aan [gedaagde] betaald. Daarnaast zijn partijen nog een bedrag van € 15.000,00 overeengekomen voor het meerwerk dat [gedaagde] heeft gedaan. De rechtbank zal daarom hierna eerst beoordelen of de door [eisers] gestelde herstelkosten tot de conclusie leiden dat de prestatie van [gedaagde] een lagere waarde heeft dan het bedrag dat [eisers] hebben betaald, en of [gedaagde] in het kader van een ongedaanmakingsverbintenis nog aanspraak kan maken op betaling voor het meerwerk of dat [eisers] in het kader van een ongedaanmakingsverbintenis aanspraak kan maken op terugbetaling van hetgeen zij teveel hebben betaald.

4.25.

Vergoeding van de werkelijke waarde van het werk dat [gedaagde] heeft verricht, sluit niet uit dat [eisers] daarnaast nog (aanvullende) schade hebben geleden die [gedaagde] moet vergoeden. Of [eisers] recht hebben op een schadevergoeding zal de rechtbank hierna vanaf 4.80 beoordelen.

De vergoeding van de werkelijke waarde van het werk dat [gedaagde] heeft verricht en de ongedaanmakingsverbintenis

4.26.

[eisers] hebben zich voor de aard en omvang van de door hen gestelde gebreken van het werk van [gedaagde] gebaseerd op de deskundigenrapportage van TOP Expertise. TOP Expertise heeft de herstelkosten van de door haar gestelde gebreken in het werk begroot op de kosten die [eisers] hebben betaald om het werk door een derde te laten herstellen, en voor zover het werk nog niet is hersteld, heeft TOP Expertise de kosten voor het herstel begroot. [gedaagde] heeft de door TOP Expertise gestelde gebreken betwist door te verwijzen naar de rapportage van [bedrijf] die het rapport van TOP Expertise heeft beoordeeld. Vervolgens hebben partijen reacties van de door hen ingeschakelde deskundigen op de rapportages van elkaar ingebracht.

Het zwarte hang- en sluitwerk

4.27.

TOP Expertise stelt dat er veel verfspatten en kitresten zichtbaar zijn op de zwarte scharnieren, het zwarte deurbeslag van de binnendeuren en de raamkrukken van de ramen in de gevelkozijnen doordat dit vooraf niet was afgeplakt. Volgens het door haar geraadpleegde schoonmaakbedrijf zijn deze spatten en resten niet schoon te maken en moeten vervangen worden. Volgens TOP Expertise is haar beoordeling gebaseerd op de informatie van het schoonmaakbedrijf, haar eigen waarnemingen en haar kennis van materiaalgedrag en hechting van verf. TOP Expertise begroot de kosten voor het vervangen van het hang- en sluitwerk op € 7.012,02.

4.28.

[bedrijf] betwist dat dat het zwarte hang- en sluitwerk vervangen moet worden. Alle gebruikte verf is op waterbasis. Alle verfresten op gladde materialen kunnen dan ook worden verwijderd, aangezien er geen hechting is met deze materialen. Zij begroot de kosten voor het schoonmaken van de verfresten op het hang- en sluitwerk op € 500,00.

4.29.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil dat sprake is van een gebrek in de schilderwerkzaamheden die [gedaagde] heeft uitgevoerd omdat verfresten zijn achterbleven op het hang- en sluitwerk. Partijen zijn het niet eens over de kosten van het herstel. Volgens [eisers] moet het hang- en sluitwerk volledig vervangen worden, volgens [gedaagde] volstaat het schoonmaken en verwijderen van de verfresten.

4.30.

De rechtbank zal uitgaan van de begroting van [bedrijf] voor de kosten van het schoonmaken en verwijderen van de verfresten op het zwarte hang- en sluitwerk van € 500,00. TOP Expertise heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat het noodzakelijk is om het hang- en sluitwerk volledig te vervangen. Zij stelt in haar rapport dat de verfspatten en kitresten op het deurbeslag op basis van het advies van het schoonmaakbedrijf en haar eigen waarneming niet schoon te maken zijn, maar uit haar rapport blijkt ook dat zij daarvoor zelf geen proefondervindelijk onderzoek heeft uitgevoerd. De bevindingen van het schoonmaakbedrijf maken geen onderdeel uit het van het rapport van [bedrijf], zodat niet kan worden nagegaan op basis waarvan dat bedrijf haar conclusie heeft getrokken. [bedrijf] stelt daartegenover dat het gaat om op water gebaseerde verf en dat op gladde materialen geen sprake is van hechting van de verf. TOP Expertise heeft dat niet gemotiveerd weersproken. Daarmee staat niet vast dat het niet mogelijk is de verfresten te verwijderen. [eisers] hebben daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het hang- en sluitwerk volledig vervangen moet worden.

De deuren van het meubelwerk inclusief scharnieren en de legplanken

4.31.

TOP Expertise heeft in haar rapportage aanvankelijk gesteld dat negentien nieuwe kastendeuren gemaakt moesten worden, omdat [gedaagde] de deuren had meegenomen. Op 17 april 2025 heeft [gedaagde] de kastdeuren teruggebracht en gemonteerd. Hierbij was volgens TOP Expertise de koop en montage van nieuwe scharnieren noodzakelijk. Daarnaast heeft TOP Expertise gesteld dat de legplanken in de kasten onvoldoende stevig zijn uitgevoerd. Zelfs zonder belasting op de planken, met een lengte van circa één meter, is volgens TOP Expertise zichtbaar dat deze doorbogen. Dit duidt volgens haar op onvoldoende stijfheid dan wel dikte van het toegepaste materiaal in relatie tot de overspanning, waarbij het eigen gewicht al tot doorbuiging leidt. De door [gedaagde] toegepaste planken van Medium Density Fibreboard (hierna: MDF) met harde persing in een dikte van 18 millimeter is volgens TOP Expertise ongeschikt om toe te passen voor planken met deze lengte. Voor kastplanken bestaat geen eenduidige, algemeen bindende norm voor dikte en overspanning. De beoordeling van TOP Expertise heeft daarom plaatsgevonden op basis van de eis dat maatwerk functioneel geschikt moet zijn. Dit houdt in dat planken onbelast en onder normaal gebruik niet zichtbaar mogen doorbuigen. In de praktijk worden volgens TOP Expertise voor houten kastplanken, afhankelijk van de overspanning, diktes toegepast van 18 millimeter bij lengtes tot ongeveer 0,6 meter, 25 millimeter bij lengtes tot ongeveer 0,8 meter en circa 30 millimeter bij lengtes vanaf circa één meter. De legplanken zijn inmiddels door een derde vervangen. [eisers] hebben daarvoor een bedrag van € 6.863,12 betaald.

4.32.

[bedrijf] betwist dat de legplanken een dikte zouden moeten hebben van 25 tot 30 millimeter in plaats van de toegepaste 18 millimeter. Voor legplanken met een overspanning van één meter is 18 millimeter MDF volgens [bedrijf] in beginsel toereikend, mits het materiaal van goede kwaliteit is en de legplank over de gehele breedte wordt ondersteund. Indien sprake is van een zwaardere belasting of indien de legplank niet over de gehele breedte wordt ondersteund, kan een grotere dikte aangewezen zijn. Uit de rapportage van TOP Expertise blijkt echter niet dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Bovendien heeft TOP Expertise volgens [bedrijf] geen enkel bewijs geleverd dat de door [gedaagde] toegepaste 18 millimeter MDF in de praktijk doorzakt of op een andere manier niet voldoet aan de gestelde eisen. TOP Expertise heeft geen foto’s overgelegd waarop daadwerkelijk doorzakking zichtbaar is, er zijn geen meetresultaten gepresenteerd en er is geen onafhankelijk technisch onderzoek uitgevoerd naar de draagkracht van de legplanken. De stelling van TOP Expertise dat de legplanken te dun zouden zijn, berust daarom volgens [bedrijf] op een theoretische veronderstelling die niet door feitelijke waarnemingen wordt ondersteund. Daarnaast heeft massief hout andere materiaaleigenschappen dan MDF, met name wat betreft de buigstijfheid en de gevoeligheid voor doorbuiging. De door TOP Expertise gestelde vuistregels voor plaatdiktes zijn daarom volgens [bedrijf] niet zonder meer toepasbaar op MDF-legplanken. De buigsterkte van MDF is afhankelijk van de dichtheid en de dikte van het plaatmateriaal.

De kastdeuren

4.33.

Het staat vast dat [gedaagde] de kastendeuren op 17 april 2025 heeft teruggebracht en gemonteerd. De rechtbank is van oordeel dat de door [eisers] gestelde kosten op dit punt niet toewijsbaar zijn, omdat een tekortkoming van [gedaagde] op dit punt niet is komen vast te staan. Er waren volgens TOP Expertise nieuwe scharnieren voor de kastendeuren nodig, maar zij heeft niet toegelicht waarom dit noodzakelijk was. [eisers] hebben deze kosten niet verder toegelicht en staan ook niet op de door hen ingebrachte factuur van € 6.863,12 gespecificeerd. De kosten voor vervanging van de (scharnieren voor) de kastdeuren komen daarom niet voor rekening van [gedaagde] .

De legplanken 4.34. Ten aanzien van de legplanken is de rechtbank van oordeel dat TOP Expertise tegenover de gemotiveerde betwisting van [bedrijf] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van doorzakking van de legplanken in de maatwerkkasten. Zo heeft zij geen bewijs geleverd dat de planken daadwerkelijk doorzakten omdat zij niet dik genoeg waren. Er zijn geen foto’s of meetresultaten waaruit dat blijkt. Voor zover TOP Expertise heeft bedoeld te stellen dat een risico bestaat op het doorzakken van de planken, heeft zij dat ook onvoldoende onderbouwd. Zij heeft zich bij haar conclusies over de stijfheid van de planken gebaseerd op planken van massief hout, terwijl [gedaagde] MDF heeft gebruikt. Het blijkt niet dat TOP Expertise de dichtheid van het MDF heeft onderzocht en rekening heeft gehouden met de ondersteuning voor de planken. De gestelde tekortkoming van de legplanken staat daarom niet vast. De door [eisers] gemaakte kosten voor vervanging van de planken komen daarom niet voor rekening van [gedaagde] .

De bureaubladen

4.35.

TOP Expertise schrijft in haar rapportage dat op de begane grond van de woning van [eisers] twee bureaubladen (één in de werkkamer en één in de bibliotheek van de woning) met een fineer toplaag zijn gemaakt. De bladen waren volgens TOP Expertise te kort en sloten daardoor niet netjes aan op de muren. Ook waren de bladen volgens TOP Expertise met een te grove zaag op maat gezaagd waardoor er beschadigingen zichtbaar zijn. Daarnaast bestaat de fineer toplaag van het licht eiken bureaublad niet uit één gedeelte, maar uit meerdere smalle stroken. Bij de onderlinge naden zijn volgens TOP Expertise oneffenheden zichtbaar. Ook waren de bureaubladen door [gedaagde] met een zwarte kit afgewerkt. Volgens TOP Expertise heeft [gedaagde] dat niet met [eisers] overlegd. Volgens TOP Expertise sluit de zwarte kit niet aan bij de kleuren van de bureaubladen en de aansluitende wanden. De bureaubladen moeten volgens TOP Expertise vervangen worden. Zij begroot de kosten daarvoor op € 6.834,47.

4.36.

[bedrijf] stelt dat zij op basis van de foto’s van TOP Expertise niet kan vaststellen dat de bureaubladen onvoldoende zijn afgewerkt. [bedrijf] stelt wel vast dat de randen van de bureaubladen door het zaagwerk van [gedaagde] beschadigd zijn. Volgens [bedrijf] is dit te herstellen door de rand licht op te schuren. Volgens [bedrijf] is op de foto’s van TOP Expertise niet te zien dat het fineer niet in geheel is gemaakt en oneffenheden bevat. Volgens [bedrijf] is altijd enige ruimte nodig tussen het werkblad en de wanden om deze ertussen te kunnen kantelen. [bedrijf] wijst erop dat zichtbaar is dat de muren niet haaks zijn. Daardoor is de naad aan de achterzijde veel kleiner dan aan de voorzijde. Volgens [bedrijf] is dit inherent aan dergelijk werk en kan dan niet als een gebrek worden aangemerkt. [gedaagde] stelt dat hij voor het bureaublad op de werkkamer nog een eiken afwerklat op het blad en tegen de wand zou plaatsen, zodat de kitnaad niet mee zichtbaar is. De kosten voor deze afwerkingen begroot [bedrijf] op € 200,00.

4.37.

De deskundigen van partijen zijn het eens dat de bureaubladen nog onvoldoende zijn afgewerkt, maar verschillen van mening hoe de gebreken moeten worden opgelost. De rechtbank volgt [eisers] niet in hun standpunt dat de bureaubladen volledig vervangen moeten worden. Het is niet komen vast te staan dat de bureaubladen zelf of de toplaag daarvan ondeugdelijk zijn. Wel staat vast dat de randen van de bureaubladen en de aansluiting op de muren niet goed zijn afgewerkt. [eisers] hebben niet gemotiveerd weersproken dat de randen van de bureaubladen hersteld kunnen worden door te schuren en de aansluiting op de muren kan worden afgewerkt met een afdeklat. De rechtbank zal daarom de door [bedrijf] begrote herstelkosten van € 200,00 in haar berekening van de omvang van de ongedaanmakingsverplichting meenemen.

Het wastafelmeubel

4.38.

TOP Expertise schrijft over de wastafelmeubel op de tweede verdieping dat deze in walnoothout is uitgevoerd. Dit materieel is volgens TOP Expertise ongeschikt voor toepassing in vochtige ruimtes omdat dit hout door vocht wordt aangetast. Daarnaast is volgens TOP Expertise de aftimmerlat bij de aansluiting tegen de wand te kort en rommelig met kit afgewerkt. Ook zijn volgens TOP Expertise de afvoeren van de twee waskommen ondeugdelijk aangesloten op de riolering. Het meubel moet volgens TOP Expertise worden vervangen. TOP Expertise begroot de kosten voor het vervangen van de wastafelmeubel op € 5.367,97.

4.39.

[bedrijf] stelt dat zij op de foto’s van TOP EXPERTISE geen aantastingen of vlekken als gevolg van onjuist materiaalgebruik ziet. Het materiaal is geschikt voor een wastafelmeubel. Volgens [bedrijf] is walnoothout een houtvorm met een natuurlijke weerstand tegen vochtinwerking en is, mits voorzien van een deugdelijke afwerking, goed bestand tegen de omstandigheden in een badkamer. Walnoothout is volgens [bedrijf] een veel toegepast materiaal in de meubelindustrie, ook voor toepassingen in vochtige omgevingen zoals badkamers en keukens. Vervanging is dan volgens [bedrijf] ook niet noodzakelijk. Wel constateert [bedrijf] op foto’s van TOP Expertise dat de afwerklat te kort is en rommelig met kit is afgewerkt. Ook stelt zij vast dat de waskommen niet goed op de riolering zijn aangesloten. Een loodgieter moet dit nog correct aansluiten. [bedrijf] begroot de kosten voor het plaatsen van de nieuwe afwerklat op € 120,00.

4.40.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers] met de verwijzing naar het rapport van TOP Expertise hebben onderbouwd dat het materiaal van de wastafelmeubel niet geschikt is. [gedaagde] heeft dat met verwijzing naar het rapport van [gedaagde] gemotiveerd weersproken. TOP Expertise heeft geen onderbouwing gegeven voor haar stelling dat walnoothout ongeschikt is voor een badkamer. Ook heeft zij de stellingen van [bedrijf] dat walnoothout een gebruikelijke toepassing is, ook in badkamers, en bestand is tegen vochtinwerking niet gemotiveerd weersproken. Bovendien is niet gebleken dat het wastafelmeubel daadwerkelijk is beschadigd door vochtinwerking. Van schade is dus geen sprake. [eisers] hebben daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het nodig is het wastafelmeubel te vervangen.

4.41.

Voor zover [eisers] erop hebben gewezen dat de afvoer in het wastafelmeubel niet (goed) zijn aangesloten, is de rechtbank van oordeel dat dat op zichzelf geen reden is voor gehele vervanging van het wastafelmeubel. Het staat vast dat deze werkzaamheden nog moeten worden uitgevoerd door een loodgieter. [gedaagde] zou kosten voor een loodgieter afzonderlijk bij [eisers] in rekening brengen, maar [eisers] hebben niet gesteld dat [gedaagde] dat al heeft gedaan. Zij hebben dus niet betaald voor het aansluiten van de afvoer. Het feit dat de afvoer niet is aangesloten, leidt dus niet tot een waardevermindering van het door [gedaagde] uitgevoerde werk.

4.42.

Wel staat vast dat de afwerking van het wastafelmeubel nog onvoldoende is. De kosten daarvoor heeft [bedrijf] begroot op € 120,00. De rechtbank is van oordeel dat dat bedrag kan worden betrokken bij de berekening van omvang van de ongedaanmakingsverbintenis.

De lattenbodem van het maatwerkbed

4.43.

Als onderdeel van haar werkzaamheden heeft [gedaagde] een vlakke houten boardplaat aangebracht in het maatwerkbed in de slaapkamer van [eisers] . Volgens TOP Expertise had [gedaagde] een lattenbodem moeten aanbrengen. Inmiddels hebben [eisers] een lattenbodem geplaatst voor € 100,00.

4.44.

[bedrijf] erkent dat een matras aan de onderzijde niet dicht moet zijn opgesloten. Een dichte plaat is daarom niet correct. Volgens [gedaagde] zou hij nog gaten in de bodem boren.

4.45.

[eisers] betwisten dat [gedaagde] dit nog gaten in de bodem van het bed zou boren. [gedaagde] heeft niet aangegeven dat nog aanpassingen aan de boardplaat zouden volgen.

4.46.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de door [eisers] gemaakte werkelijke kosten van € 100,00 moet vergoeden. [gedaagde] heeft niet onderbouwd gesteld dat partijen hebben afgesproken dat zij een plank zou aanbrengen in het maatwerkbed waar hij gaten in zou boren. Pas na het rapport van TOP Expertise heeft zij gesteld dat zij gaten zou boren in de boardplaat van het bed. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat [gedaagde] met een dichte boardplaat een ondeugdelijk bed heeft afgeleverd. [eisers] hebben daarom terecht een lattenbodem aangeschaft ter vervanging van de dichte boardplaat. De rechtbank de kosten van € 100,00 in haar berekening van de waarde van de prestatie van [gedaagde] meenemen.

Het schilder- en behangwerk

Het schilderwerk

4.47.

TOP Expertise schrijft dat [gedaagde] al het houtwerk aan de binnenzijde van de woning heeft geschilderd. Dit bestond onder andere uit de gevelkozijnen, maatwerkkasten, binnendeurkozijnen en deuren, aftimmeringen, verdiepingstrappen en het sausen van wanden en plafonds. De verdiepingstrappen zijn volgens TOP Expertise niet afgeschilderd. Al het schilderwerk is volgens TOP Expertise niet goed uitgevoerd en moet opnieuw gedaan worden. TOP Expertise heeft de werkzaamheden van [gedaagde] getoetst aan de NEN-leidraad “Goed en deugdelijk werk” 2022 (hierna: NEN-leidraad) en het Bouwbesluit. Inmiddels hebben [eisers] de schilder- en behangwerkzaamheden aan de muren, plafonds en kozijnen (opnieuw) laten uitvoeren door een derde, inclusief:

  • het opnieuw schilderen van de alsnog aangeleverde kastdeuren in verband met de afwijkende kleur ten opzichte van de kasten;

  • het vervangen van de meegeschilderde kit in het toilet en de badkamer;

  • het vervangen van het behang (arbeid).

De werkelijke kosten voor dit schilderwerk en behangwerk tot en met 14 juli 2025 bedragen € 28.486,16.

4.48.

[gedaagde] stelt dat was afgesproken dat zij de trappen pas na de verhuizing zou afschilderen. [bedrijf] heeft in reactie op het rapport van TOP Expertise gesteld dat nog diverse slordigheden in het schilderwerk afgewerkt moeten worden. Volgens [bedrijf] geeft het Bouwbesluit geen kwaliteitsniveaus van schilderwerk. De NEN-leidraad geeft aan dat de klant mag verwachten dat het schilderwerk vrij van beschadigingen, egaal dekkend en compleet is uitgevoerd. [bedrijf] wijst erop dat de deskundige van TOP Expertise schilderwerk met een bouwlamp heeft beoordeeld en foto’s heeft genomen zeer dichtbij de geschilderde delen. Op diverse foto’s is de reflectie van de bouwlamp te zien. Het keurmerk “De Betere Schilder” beschrijft hoe schilderwerk moet worden beoordeeld. Volgens [bedrijf] heeft TOP Expertise op niet geschikte wijze het schilderwerk beoordeeld. Verder vindt [bedrijf] de door [eisers] opgevoerde kosten voor het schilderwerk van € 28.486,16 onredelijk hoog. Alleen al het in rekening gebrachte materiaalgebruik beoordeeld [bedrijf] als onredelijk: circa 35 kwasten, 100 rollen afplaktape, 30 verfrollers, 500 vel schuurpapier, 35 liter buitenverf en lakken en circa 80 liter muurverf. [bedrijf] begroot de kosten voor het afmaken en herstellen van het schilderwerk op € 5.000,00.

4.49.

De rechtbank zal het door [eisers] gevorderde bedrag aan schilderwerk dat zij opnieuw hebben laten uitvoeren, niet toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van TOP Expertise onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie dat het volledige schilderwerk dat [gedaagde] heeft uitgevoerd, ondeugdelijk is, en daarom geheel opnieuw moest worden gedaan.

4.50.

Tussen de deskundigen is niet in geschil dat op de beoordeling van het schilderwerk het keurmerk “De Betere Schilder” van toepassing is. Daarin staat dat de beoordeling van schilderwerk moet gebeuren op een minimale, reële afstand van één meter ten opzichte van het object en op één meter onder en boven ooghoogte. De maximale hoek hierbij mag niet meer dan zestig graden zijn. Over de lichtbron voor de beoordeling van binnenschilderwerk zegt het keurmerk dat de normaal aanwezige verlichting gebruikt moet worden. Gelet daarop heeft TOP Expertise niet op de juiste afstand het schilderwerk gefotografeerd en beoordeeld en daarbij niet de juiste belichting gehanteerd. De stelling van de deskundige van TOP-Expertise dat zij geen bouwlamp heeft gebruikt, maar een led-lamp, maakt dat niet anders. Volgens het keurmerk moet de normaal aanwezige verlichting worden gebruikt, en in elk geval geen verlichting op korte afstand gericht op het schilderwerk. Het gaat immers om het vaststellen van gebreken die in het dagelijks gebruik waarneembaar zijn. De foto’s in het rapport van TOP Expertise bieden daarom onvoldoende aanknopingspunt om vast te kunnen stellen dat het schilderwerk van [gedaagde] gebrekkig is uitgevoerd, zoals [eisers] stellen, of slechts schoongemaakt moet worden, zoals [gedaagde] onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf] stelt.

4.51.

Voor zover TOP Expertise stelt dat zij - anders dan [bedrijf] - de ondeugdelijkheid van het schilderwerk zelf heeft waargenomen, is de rechtbank van oordeel dat het feit dat [bedrijf] het schilderwerk niet zelf heeft beoordeeld niet ten nadele van [gedaagde] worden gebracht. [bedrijf] kon niet anders dan het schilderwerk beoordelen aan de hand van de foto’s van TOP Expertise, omdat [eisers] [gedaagde] niet voldoende in de gelegenheid hebben gesteld om een contra-expertise uit te voeren zodat de deskundige van [bedrijf] in de gelegenheid was geweest het schilderwerk met eigen ogen te beoordelen. [eisers] hebben in hun brief van 29 april 2025 [gedaagde] tot 7 mei 2025 de gelegenheid gegeven om een contra-expertise uit te voeren, voordat zij het schilderwerk opnieuw lieten uitvoeren. Deze termijn was echter onredelijk kort. Ook hebben [eisers] naar het oordeel van de rechtbank de onredelijke voorwaarde voor de contra-expertise gesteld dat niemand van [gedaagde] bij het onderzoek aanwezig mocht zijn.

4.52.

[bedrijf] heeft daarnaast naar het oordeel van de rechtbank voldoende de redelijkheid van het bedrag voor de opnieuw uitgevoerde schilderwerkzaamheden van € 28.486,16 weersproken. De hoeveelheid materialen die daarbij zijn gebruikt, zoals [bedrijf] aan de hand van de facturen nader heeft gespecificeerd, komt tamelijk onwaarschijnlijk voor. [eisers] hebben ook niet nader toegelicht dat deze hoeveelheden aan kwasten, afplaktape en schuurpapier daadwerkelijk benodigd waren. Verder zijn kosten voor de buitenverf in rekening gebracht, terwijl het ging om schilderwerk binnen de woning.

4.53.

[bedrijf] heeft vastgesteld dat er enkele slordigheden zijn in het door [gedaagde] uitgevoerde werk, die nog afgeschilderd of hersteld hadden moeten worden. [bedrijf] raamt de kosten daarvoor op een bedrag van € 5.000,00. Omdat niet is komen vast te staan dat het gehele schilderwerk opnieuw moest worden gedaan, zal de rechtbank van die kosten voor herstel uitgaan. Daarnaast staat vast dat [gedaagde] de trap niet heeft afgeschilderd. [gedaagde] heeft gesteld dat was afgesproken de trap te schilderen nadat [eisers] zijn verhuisd. Door ontbinding van de overeenkomst is het zover niet gekomen. Dat neemt niet weg dat het schilderwerk van de trap niet is uitgevoerd en dat heeft gevolgen voor de aard van het uitgevoerde werk van [gedaagde] en dus de ongedaanmakingsverbintenis. De rechtbank zal uitgaan van de begroting van [bedrijf] voor het schilderen van de trap en het bedrag vaststellen op € 1.000,00.

Het behangwerk

4.54.

[eisers] niet hebben gesteld waar en hoeveel [gedaagde] behang heeft geplakt. [gedaagde] vindt zelf ook dat zij het behangwerk niet naar tevredenheid heeft uitgevoerd. Zij wil een vergoeding hiervoor geven, zo schrijft [bedrijf]. De kosten voor het behangwerk staan niet afzonderlijk gespecificeerd in de door [eisers] overgelegde facturen voor het vervangende schilder- en behangwerk. [bedrijf] heeft een bedrag van € 1.137,40 ter vervanging van het behangwerk genoemd. TOP Expertise heeft € 940,00 begroot voor de levering van het behang en € 1.137,40 voor het vervangen van de behang. De rechtbank zal daarom voor het vervangen van het behang uitgaan van een totaalbedrag van € 2.077,40.

De maatwerkkasten en de isolerende beglazing

4.55.

TOP Expertise stelt dat de maatwerkkasten aangepast moeten worden. Omdat TOP Expertise de legplanken van de maatwerkkasten van de kamer-en-suite al afzonderlijk in zijn herstelkostenbegroting heeft opgenomen (hiervoor beoordeeld onder 5.35), gaat de rechtbank ervan uit dat zij met de aanpassing van de maatwerkkasten doelt op de scharnieren van de maatwerkkast van de kamer-en-suite (zijde werkkamer) die volgens haar ondeugdelijk zijn bevestigd en op de kast in de slaapkamer, die volgens TOP Expertise niet met een schroef in de achterwand aan de muur gefixeerd had mogen worden, een beschadiging heeft in de achterwand, niet goed aansluit op de muur, en waarvan de legplanken niet netjes aansluiten. Daarnaast zitten er volgens TOP Expertise krasjes in de isolerende beglazing als gevolg van ondeskundig schuren van de glaslatten. De totale kosten voor deze beide posten schat zij op € 15.000,00. [bedrijf] voert daartegen aan dat slechts enkele aanpassingen aan de maatwerkkasten nodig zijn. Zij heeft de kosten voor deze aanpassingen begroot op € 1.500,00.

De maatwerkkasten

4.56.

Tussen de deskundigen van partijen is niet in geschil dat scharnieren in de maatwerkkasten van de kamer-en-suite niet goed zijn uitgevoerd, omdat een kantstuk ontbreekt waarop de scharnieren worden geplaatst. De deskundigen van partijen zijn het er ook over eens dat daarvoor (alsnog) kantstukken aangebracht moeten worden en dat het nodig is daarvoor de legplanken aan te passen.

4.57.

Volgens TOP Expertise beantwoordt het fixeren van de kast in de slaapkamer aan de muur met een schroef in de achterwand niet aan de eisen van een goed en deugdelijk werk. De kast dient volgens TOP Expertise stabiel en autonoom te staan. Volgens [bedrijf] is dit geen gebrek. TOP Expertise heeft niet nader toegelicht waarop zij baseert dat het fixeren van een maatwerkkast met een schroef in de wand, kwalificeert als een gebrek. [eisers] hebben ook niet gesteld dat zij met [gedaagde] hebben afgesproken dat de maatwerkenkasten niet gefixeerd zouden worden aan de muur. De rechtbank kan daarom niet ervan uitgaan dat sprake is van een gebrek.

4.58.

Het staat vast dat de achterwand van de kast op de slaapkamer beschadigd is. Volgens [bedrijf] kan dit worden bijgewerkt door plaatselijk te plamuren, schuren en schilderen. De deskundige van TOP Expertise heeft daartegen ingebracht dat dat afbreuk doet aan het karakter van een nieuwe kast. Daarmee heeft TOP Expertise naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weersproken dat het bijwerken van de beschadiging zoals door [bedrijf] voorgesteld een voldoende duurzame oplossing kan zijn. Zo heeft TOP Expertise bijvoorbeeld niet gesteld dat met deze bewerking de beschadiging bij normaal gebruik nog steeds zichtbaar zal blijven. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat het plamuren, schuren en schilderen van de beschadiging een afdoende oplossing biedt. Vervanging van (een deel van) de kast is daarmee niet noodzakelijk.

4.59.

TOP Expertise heeft er verder gewezen op een naad tussen de kast in de slaapkamer en de aansluiting met de muur. Volgens [bedrijf] is deze aansluiting met de wand normaal en is er geen buitensporige afwijking. Als oplossing stelt zij voor om de naad af te kitten. Volgens Top Expertise verdraagt een maatwerkkast geen naadtolerantie of afkitten. Gelet op de betwisting door [bedrijf], is de rechtbank van oordeel dat TOP Expertise onvoldoende heeft onderbouwd dat een (geringe) naad tussen de kastwand en de muur een gebrek is. Het enkele feit dat het om een maatwerkkast gaat, is daarvoor onvoldoende.

4.60.

Het staat verder vast dat de legplanken in de kast in de slaapkamer niet naadloos aansluiten op de wand van de kast. Volgens [bedrijf] kan dit verbeterd worden door in het midden een legplank als vaste plank te maken en te fixeren aan de buitenwand. Volgens TOP Expertise is dit geen acceptabele oplossing, omdat het om een maatwerkkast gaat die stabiel en autonoom moeten kunnen staan. Zoals hiervoor is hiervoor is overwogen, heeft TOP Expertise daarmee onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een gebrek.

4.61.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het door [bedrijf] begrote bedrag van € 1.500,00 voor aanpassing van de maatwerkkasten overnemen.

De isolerende beglazing

4.62.

TOP Expertise heeft onder verwijzing naar een foto van (de binnenzijde van) een raam gesteld dat langs de glasranden van de isolerende beglazing van de gevelkozijnen krasjes zichtbaar zijn. Volgens TOP Expertise zijn die ontstaan door het onvakkundig schuren van de glaslatten rondom de beglazing. [bedrijf] heeft gesteld dat zij op basis van de foto geen krassen heeft kunnen waarnemen. Ook de rechtbank kan dat aan de hand van de foto in het rapport van TOP Expertise niet vaststellen. Omdat het niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend dat [bedrijf] geen eigen onderzoek in de woning heeft kunnen doen (zie hiervoor onder 4.51), staat daarmee onvoldoende vast dat de gevelkozijnen van de woning daadwerkelijk zijn beschadigd. De rechtbank zal dus geen rekening houden met herstelkosten voor de beglazing, nog daargelaten dat [eisers] die kosten niet afzonderlijk hebben gespecificeerd.

De mengkraan en de spoelbak in de keuken

4.63.

Het staat vast dat er verfspatten op de mengkraan en de spoelbak in de keuken zitten. TOP Expertise stelt dat deze daarom vervangen moeten worden. Zij begroot de kosten hiervoor op € 1.250,00. [bedrijf] betwist dat de mengkraan en spoelbak vervangen moeten worden. Volgens [bedrijf] kunnen die voor € 50,00 worden schoongemaakt.

4.64.

De rechtbank is van oordeel dat TOP Expertise onvoldoende heeft onderbouwd dat het noodzakelijk is om de mengkraan en spoelbak te vervangen. [bedrijf] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat schoonmaken mogelijk is, nu het gaat om gladde materialen. De rechtbank verwijst naar wat zij daarover heeft overwogen onder 4.27 tot en met 4.30. De rechtbank zal daarom het door [bedrijf] begrote bedrag van € 50,00 voor het schoonmaken in haar berekening meenemen.

De reinigingskosten voor de vloeren, beglazing, etc.

4.65.

TOP Expertise heeft de reinigingskosten voor “vloeren, beglazing, etc.” begroot op € 8.698,63.

4.66.

Hoewel niet geheel duidelijk is waarop deze reinigkosten, naast de kosten voor het reinigen van het hang- en sluitwerk (zie 4.27 tot en met 4.30) en de mengkraan en spoelbak (zie 4.63 en 4.64), zien, erkent [gedaagde] kennelijk dat (aanvullende) schoonmaakwerkzaamheden moeten worden verricht, omdat [bedrijf] hiervoor een bedrag van € 960,00 heeft begroot, voor maximaal 24 uur schoonmaakwerk tegen een uurtarief van € 40,00.

4.67.

Omdat TOP Expertise niet heeft toegelicht en gespecificeerd hoe zij tot een bedrag van € 6.698,63 voor schoonmaakkosten komt, zal de rechtbank uitgaan van de door [bedrijf] begrote kosten en vaststellen op een bedrag van € 960,00. Het uitgangspunt van 24 uur aan werkzaamheden dat [bedrijf] heeft gehanteerd, komt de rechtbank redelijk voor.

Het aanrechtblad

4.68.

[eisers] stellen dat [gedaagde] ook de kosten voor het vervangen van aanrechtblad vanwege verontreiniging door verf moet betalen. Het blad moet volgens [eisers] op advies van het schoonmaakbedrijf vervangen worden. [eisers] hebben hiervoor een offerte van € 6.845,00 ontvangen.

4.69.

Volgens [bedrijf] kan niet worden geconcludeerd dat volledige vervanging van het aanrechtblad noodzakelijk is, zolang niet is aangetoond dat alternatieven zijn onderzocht en niet succesvol zijn gebleken,

4.70.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor vervanging van het aanrechtblad niet voor vergoeding in aanmerkingen komen. De stelling van TOP Expertise dat tijdens reinigingswerkzaamheden van het schoonmaakbedrijf is gebleken dat de verontreinigingen door verf niet volledig te verwijderen zijn, is niet verifieerbaar. Een toelichting van het schoonmaakbedrijf ontbreekt. De rechtbank verwijst verder naar hetgeen hiervoor is overwogen (4.66 en 4.27 tot en met 4.30), waaruit volgt dat voldoende aannemelijk is dat het mogelijk is de verfresten schoon te maken. [bedrijf] heeft de reinigingskosten van het aanrechtblad niet afzonderlijk in haar begroting van de herstelkosten opgenomen. Ook TOP Expertise heeft deze kosten niet (afzonderlijk) begroot. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat deze kosten zijn begrepen in de hiervoor besproken post van algemene reinigingskosten.

De kosten voor de bouwbegeleiding

4.71.

[eisers] vorderen een bedrag van € 1.542,75 voor het inschakelen van bouwbegeleiding voor de herstelwerkzaamheden. [bedrijf] heeft de noodzaak en redelijkheid van deze kostenpost betwist.

4.72.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de bouwbegeleiding niet voor rekening van [gedaagde] komen, omdat deze kosten niet redelijkerwijs aan het handelen van [gedaagde] toe te rekenen zijn. Voor de werkzaamheden van [gedaagde] hebben [eisers] geen bouwbegeleiding ingeschakeld. Het is daarom de eigen keuze van [eisers] om nu wel gebruik te maken van een bouwbegeleider. Daarbij komt dat de rechtbank een groot deel van de herstelwerkzaamheden niet noodzakelijk heeft geacht. Ook daarom is de inschakeling van een bouwbegeleider niet nodig om tot herstel van de gebreken in het werk van [gedaagde] te komen.

De elektrawerkzaamheden

4.73.

[eisers] hebben een bedrag van € 966,79 gevorderd voor het inschakelen van een elektricien om de elektra aan de inbouwkasten te herstellen. Er zijn volgens TOP Expertise een aantal aanpassingen aan het elektrawerk uitgevoerd:

  • de aanleg van een ontbrekende wandcontactdoos in de rode inbouwkast van het kantoor;

  • het herstellen van het elektrawerk in de wastafelmeubel zodat dit veilig gebruikt kan worden;

  • de aanleg van extra wandcontactdozen in de slaapkamer op de tweede verdieping voor nachtlampjes door een niet werkende LED lichtstrip vanwege het ontbreken van de afstandsbediening.

4.74.

[bedrijf] heeft gesteld dat de elektrotechnische werkzaamheden niet tot de opdracht van [gedaagde] behoorde. [gedaagde] heeft gesteld dat hij het voorbereidende werk voor de aanleg van de elektra heeft gedaan, en een elektricien die hij als onderaannemer inschakelde, de elektra zou aanleggen en aansluiten. Het elektrawerk is niet aangesloten omdat de elektricien was vertrokken. Volgens [gedaagde] heeft hij de afstandsbediening en ontvanger voor de verlichting bij het bed, beschikbaar gehouden voor [eisers]

4.75.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [bedrijf] dat de elektrawerkzaamheden niet tot de opdracht aan [gedaagde] behoorde. Het is immers komen vast te staan dat [gedaagde] voor de elektrawerkzaamheden een elektricien als onderaannemer inschakelde. [eisers] rekenden dat afzonderlijk met [gedaagde] af. Zo hebben zij de factuur van [gedaagde] van 17 juli 2024 voor elektrawerkzaamheden betaald. Maar [eisers] hebben niet toegelicht waarop de factuur van 17 juli 2024 betrekking heeft. Zo hebben zij niet gesteld dat zij met betaling van die factuur ook al hebben betaald voor de werkzaamheden die de elektricien nog moest verrichten, zoals de aanleg van een wandcontactdoos in de inbouwkast in het kantoor en het aansluiten van de elektra in het wastafelmeubel. Daarmee staat niet vast dat de kosten die [eisers] hiervoor hebben gemaakt, extra kosten zijn. Voor zover de gevorderde kosten van elektrawerkzaamheden hierop betrekking hebben, zal de rechtbank die daarom buiten de berekening van de hoogte van de ongedaanmakingsverbintenis laten.

4.76.

Voor de kosten voor de aanleg van wandcontactdozen voor verlichting bij het bed, ligt dat anders. [eisers] hebben daarvoor gekozen, omdat de led-verlichting bij het bed niet werkte door het ontbreken van de afstandsbediening en de ontvanger. Dat [gedaagde] stelt die beschikbaar te hebben gehouden voor [eisers] , doet er niet aan af dat zij die onderdelen niet heeft geleverd waardoor de verlichting niet werkt. De kosten die [eisers] hebben moeten maken voor het aanleggen van elektra voor alternatieve verlichting, komen daarom voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] heeft op de zitting nog gesteld dat hij de afstandsbediening bij [eisers] heeft achtergelaten. [eisers] hebben dat betwist. Bovendien is enkel de afstandsbediening onvoldoende, zolang de ontvanger ontbreekt.

4.77.

[eisers] hebben niet gespecificeerd wat de kosten zijn geweest voor de aanleg van extra wandcontactdozen op de slaapkamer. Ook uit de door hen overgelegde factuur van de uitgevoerde elektrawerkzaamheden is dat niet zonder meer af te leiden. Omdat de factuur betrekking heeft op drie onderdelen (wandcontactdoos in het kantoor, elektra van het wastafelmeubel en de wandcontactdozen in de slaapkamer), begroot de rechtbank de kosten voor de aanleg van de wandcontactdozen in de slaapkamer op een derde van het totale factuurbedrag. Dat komt neer op een bedrag van (966,79/3=) € 322,26.

Conclusie: [eisers] zijn op grond van de ongedaanmakingsverbintenis nog een bedrag aan [gedaagde] verschuldigd

4.78.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het volgende totaalbedrag voor de herstelkosten voor de werkzaamheden die [gedaagde] niet deugdelijk heeft uitgevoerd:

  • reinigen hang- en sluitwerk € 500,00

  • herstelkosten bureaubladen € 200,00

  • afwerken wastafelmeubel € 120,00

  • lattenbodem maatwerkbed € 100,00

  • herstel schilderwerk € 5.000,00

  • schilderen trap € 1.000,00

  • vervangen behangwerk € 2.077,40

  • aanpassing maatwerkkasten € 1.500,00

  • schoonmaken mengkraan en spoelbak € 50,00

  • schoonmaken vloeren en beglazing € 960,00

  • elektra slaapkamer € 322,26

Totaal: € 11.829,66

[eisers] hebben een bedrag van € 69.998,50 betaald voor het werk van [gedaagde] en hebben een bedrag van € 15.000,00 voor het meerwerk nog niet betaald. Daarmee stelt de rechtbank de werkelijke waarde van het door [gedaagde] uitgevoerde werk, rekening houdend met de tekortkomingen in het werk, op een bedrag van (69.998,50 + 15.000 – 11.829,66 =) € 73.168,84. Dat betekent dat [eisers] als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst en de daaruit ontstane ongedaanmakingsverbintenis nog een bedrag van (73.168,84 – 69.998,50 =) € 3.170,34 schuldig is aan [gedaagde] .

4.79.

[eisers] hebben zich beroepen op verrekening met hetgeen [gedaagde] nog aan hen verschuldigd is. Het bedrag van € 1.500,00 van de onverschuldigde aanbetaling zal de rechtbank niet in die verrekening betrekken, omdat de rechtbank [gedaagde] al afzonderlijk zal veroordelen dit bedrag (te vermeerderen met rente) aan [eisers] terug te betalen (zie 5.11). De rechtbank zal hierna de vordering van [eisers] tot vergoeding van haar schade beoordelen. De rechtbank zal vervolgens het bedrag dat [eisers] uit de ongedaanmakingsverbintenis schuldig zijn aan [gedaagde] verrekenen met het bedrag aan schade dat [gedaagde] aan [eisers] moet vergoeden.

De vergoeding van de schade

Het vervangen van de profielcilinders van de sloten

4.80.

[eisers] hebben de profielcilinders van de sloten van de woning vervangen naar aanleiding van het incident van 15 oktober 2024 in de woning van [eisers] , waarbij het gesprek tussen [eisers] en [gedaagde] is geëscaleerd. De kosten waren € 727,40. [eisers] vorderen de vergoeding van deze kosten.

4.81.

[gedaagde] betwist dat hij deze kosten verschuldigd is. Hij stelt dat hij de sleutel van de woning van [eisers] aan [eisers] heeft teruggegeven, waardoor al daarom het niet nodig was de sloten te vervangen. [eisers] betwisten dat [gedaagde] de sleutel heeft teruggegeven.

4.82.

Omdat deze kosten geen verband houden met het herstel van de tekortkomingen in het door [gedaagde] uitgevoerde werk en daarmee de waarde van het door [gedaagde] uitgevoerde werk, een geen verband houdt met schade als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst of een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, merkt de rechtbank deze vordering aan als een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van [gedaagde] . De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van [gedaagde] op 15 oktober 2024, waarbij hij tegen [eisers] is uitgevallen, eerder door hem geleverde spullen uit de woning heeft meegenomen en heeft gedreigd een tafel kapot te slaan, is aan te merken als onrechtmatig tegenover [eisers] . Het is begrijpelijk dat [eisers] daarna aanleiding hebben gezien de (cilinders van de) sloten van de woning te vervangen, zodat [gedaagde] alleen nog op afspraak de woning kon betreden (voor het afmaken van het werk). Dat [gedaagde] de sleutel al had teruggeven zoals hij stelt, heeft hij niet nader toegelicht of onderbouwd. Omdat [eisers] dat hebben betwist, kan de rechtbank daar niet vanuit gaan. De rechtbank zal daarom [gedaagde] veroordelen de kosten voor het vervangen van de sloten te vergoeden voor een bedrag van € 727,40.

De vertragingsschade

4.83.

[eisers] vorderen een vergoeding van de vertragingsschade die zij stellen te hebben geleden omdat zij niet voor augustus 2025 de woning konden betrekken. [gedaagde] had namelijk haar werk niet op 15 oktober 2024 opgeleverd en in de woning lag op dat moment nog rommel, zoals spijkers en stof op de vloer. De vertragingsschade van [eisers] bestaat uit:

  • dubbele lasten door doorlopende huur van hun woning in [plaats 2]: € 15.484,46;

  • dubbele kosten kinderopvang van [plaats 2]: € 22.219,34;

  • dubbele kosten gas en elektra van de woning in [plaats 2]: € 1.833,50;

  • parkeerkosten en gemeentebelasting [plaats 2]: € 848,10.

4.84.

[gedaagde] betwist dat zij aansprakelijk is voor de vertragingsschade van [eisers] Deze schade staat namelijk niet in causaal verband met het handelen van [gedaagde] . [eisers] konden volgens [gedaagde] in oktober 2024 al naar de woning verhuizen. Zij weigerden echter dit te doen totdat alles in de woning naar hun tevredenheid af was. Verder is de planning van het werk uitgelopen door omstandigheden waarop [gedaagde] geen enkele invloed had.

4.85.

De rechtbank merkt de door [eisers] gevorderde vergoeding voor de kosten van hun dubbele woonlasten aan als een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst.6 De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] voor de door [eisers] gestelde vertragingsschade niet aansprakelijk is, omdat [eisers] niet voldoende hebben onderbouwd dat hun woning vanaf 15 oktober 2024 niet bewoonbaar was. Het werk van [gedaagde] was op 15 oktober 2024 grotendeels gedaan. Tussen partijen bestond vooral nog discussie over de kwaliteit van het door [gedaagde] geleverde werk en het verrichten van herstelwerkzaamheden. Het verrichten van die herstelwerkzaamheden zou overlast meebrengen, maar dat is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat de woning onbewoonbaar was en daarom voor [eisers] noodzakelijk om in [plaats 2] te blijven wonen. Van [gedaagde] – en na ontbinding van de overeenkomst de derden die het werk hebben afgemaakt – konden [eisers] verwachten dat zij afdoende maatregelen zouden nemen om overlast tijdens de bewoning zoveel mogelijk te beperken. De keuze van [eisers] om elders te verblijven totdat alle werkzaamheden waren afgerond, kan daarom niet voor rekening van [gedaagde] worden gebracht. De gevorderde kosten vanwege dubbele woonlasten zal de rechtbank daarom afwijzen.

De kosten voor de deskundige

4.86.

[eisers] vorderen tot slot de kosten voor het inschakelen van de deskundige van TOP Expertise ten bedrage van € 3.630,00. [gedaagde] heeft deze kosten niet betwist.

4.87.

De rechtbank merkt ook deze vordering aan als een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van de deskundige van [eisers] voor vergoeding in aanmerking komen. Met behulp van TOP Expertise hebben [eisers] de gebreken in het werk van [gedaagde] kunnen vaststellen en de herstelkosten laten begroten. Het was daarom redelijk om deze kosten te maken. Dat de rechtbank de deskundige van TOP Expertise niet op alle onderdelen heeft gevolgd, doet daar niet aan af. Ook de omvang van de kosten is redelijk. De rechtbank zal [gedaagde] daarom veroordelen ook de kosten van de deskundige van € 3.630,00 te vergoeden.

Conclusie over de schadevergoeding

4.88.

De conclusie van het voorgaande dat [gedaagde] een bedrag van in totaal (727,40 + 3.630,00 =) € 4.357,40 als schade aan [eisers] moet vergoeden. De rechtbank zal dit bedrag verrekenen met het bedrag van € 3.170,34 dat [eisers] uit de ongedaanmakingsverbintenis aan [gedaagde] verschuldigd zijn. Dat betekent dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van (4.357,40 – 3.170,34 =) € 1.187,06.

4.89.

[eisers] vorderen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de schadevergoeding vanaf 15 oktober 2024. [gedaagde] hebben daartegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente toewijzen zoals gevorderd.

4.90.

Omdat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding van de schade (na verrekening met de ongedaanmakingsverbintenis), hebben zij geen belang bij hun vordering te bepalen dat [gedaagde] aan [eisers] herstelkosten en schadevergoeding moet betalen. Die vordering zal de rechtbank daarom afwijzen.

De buitengerechtelijke incassokosten

4.91.

[eisers] vorderen een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] betwist de vordering. Zij stelt dat niet is gebleken dat [eisers] deze kosten hebben gemaakt, omdat zij hiervoor zijn verzekerd. Omdat [eisers] dat niet hebben weersproken, zal de rechtbank de vordering afwijzen.

De overige vorderingen van [gedaagde] in reconventie

4.92.

[gedaagde] heeft gevorderd haar te bevrijden van haar verplichtingen uit de overeenkomst. De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat [eisers] de overeenkomst terecht hebben ontbonden. Met de ontbinding van de overeenkomst door [eisers] is [gedaagde] al bevrijd uit zijn verplichtingen uit de overeenkomst. [gedaagde] heeft daarom geen belang bij deze vordering. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

4.93.

[gedaagde] heeft in reconventie verder gevorderd [eisers] te veroordelen tot betaling van € 13.500,00 voor het meerwerk. De rechtbank heeft in conventie de kosten van het meerwerk betrokken bij het vaststellen van de ongedaanmakingsverbintenis van [eisers] en de verrekening met de schadevergoeding die [gedaagde] aan [eisers] verschuldigd is. [eisers] zijn daarom geen bedrag meer voor het meerwerk aan [gedaagde] verschuldigd. De rechtbank zal daarom die vordering afwijzen.

De rechtbank zal de proceskosten in conventie compenseren

4.94.

De rechtbank komt in conventie tot het oordeel dat [eisers] terecht de overeenkomst hebben ontbonden en wijst de verklaring voor recht die zij hebben gevorderd in die zin toe. Maar de geldvordering van [eisers] wijst de rechtbank voor een groot deel af. Geen van partijen is daarmee als in het ongelijk gesteld te beschouwen. De rechtbank zal daarom de proceskosten in conventie compenseren. Dat betekent dat elk van partijen de eigen proceskosten moeten betalen.

[gedaagde] moet de proceskosten in reconventie betalen

4.95.

[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. Omdat de eis in reconventie voortvloeit uit het verweer van [gedaagde] in conventie zal de rechtbank het aantal punten voor het salaris van de advocaat op grond van het toepasselijke liquidatietarief halveren. De rechtbank begroot de proceskosten van [eisers] op:

- salaris advocaat

€

2.051,00

(2 punten × 0,5 x € 2.051,00)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.240,00

4.96.

De gevorderde rente over de proceskosten zal de rechtbank toewijzen zoals vermeld in de beslissing.

De rechtbank verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad

4.97.

De rechtbank zal dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank op deze punten moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval in beginsel totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 april 2025 tot aan de dag van volledige betaling,

5.2.

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [gedaagde] en [eisers] is ontbonden,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van € 1.187,06, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.240,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.8.

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

in conventie en in reconventie

5.9.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis onder 5.1, 5.3, 5.7 en 5.8 tot uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

1835

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »