ECLI:NL:RBNHO:2026:13537

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
15-031941-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering onttrekking aan het verkeer (552f Sv) en klaagschrift beslag (552a SV) hond. Ondanks sepot strafzaak wel sprake van verband met een begaan strafbaar feit a.b.i. artikel 425 Sr. Vordering onttrekking aan het verkeer toegewezen en klaagschrift beslag ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Alkmaar

parketnummer : 15-031941-26

raadkamernummers : 26-001064 (klaagschrift beslag) en 26-005794 (vordering onttrekking aan het verkeer)

datum : 24 september 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op de vordering onttrekking aan het verkeer (artikel 552f Sv) van de officier van justitie en het daarmee samenhangende klaagschrift beklag (artikel 552a Sv) van:

[klager],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage (Joseph Ledelstraat 116, 2518 KM 's-Gravenhage),

hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.

Feiten

Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) blijkt dat op 10 januari 2026 onder klager een hond (type Pitbullachtige, genaamd [naam hond]) in beslag genomen.

De vordering en het verzoek lenen zich voor een gezamenlijke en samenhangende beoordeling. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Procedure

Op 10 januari 2026 heeft een bijtincident plaatsgevonden, waarbij een 13-jarig buurmeisje van klager gewond is geraakt, waarna de hond in beslag is genomen. Op 13 januari 2026 is namens klager een klaagschrift ingediend strekkende tot opheffing van het beslag.

Op 6 februari 2026 heeft het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht een risicoanalyse opgesteld, met als conclusie dat een zeer hoog risico bestaat op nieuwe bijtincidenten, dat de hond niet terug kan naar klager, dat de hond niet herplaatsbaar is en dat euthanasie de enige dierwelzijnsvriendelijke optie is.

Op 17 februari 2026 heeft de officier van justitie een (afzonderlijke) vordering tot onttrekking aan het verkeer (artikel 552f Sv) ingediend.

Op 27 februari 2026 heeft de raadsman bij de rechter commissaris een verzoek ingediend tot het verrichten van een aantal onderzoekshandelingen.

Bij beslissing van 13 april 2026 heeft de rechter-commissaris dit verzoek afgewezen.

Op 20 april 2026 heeft de raadsman een bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing van de rechter-commissaris.

Bij beslissing van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 29 juni 2026 heeft de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 2 september 2026 heeft het openbaar ministerie de strafzaak geseponeerd.

De rechtbank heeft op 10 september 2026 de vordering tot onttrekking aan het verkeer en het klaagschrift gelijktijdig in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft daarbij klager, zijn advocaat mr. J. Biemond, en de officier van justitie, mr. H.W. van der Ploeg op zitting gehoord.

Standpunt klager

Namens klager is aangevoerd dat de hond terug moet naar klager. Nu klager geen verdachte meer is en de strafzaak is geseponeerd wegens een gebrek aan bewijs, is er geen sprake van een strafbaar feit. Dat maakt dat een onttrekking aan het verkeer niet mogelijk is, nu de toepasselijke regelgeving gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad, vereist dat de onttrekking aan het verkeer in relatie staat tot een begaan strafbaar feit. Er is volgens de raadsman geen sprake van een gevaarlijke hond in de zin van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er heeft geen eerder bijtincident plaatsgevonden en er is geen sprake van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan de hond als gevaarlijk kan worden aangemerkt. Anders dan de officier van justitie stelt, betreft het enkele bijtincident op zichzelf, geen strafbaar feit op grond waarvan de onttrekking mogelijk is. Voor zover de rechtbank dit niet volgt heeft de raadsman subsidiair zijn verzoek herhaald om een tegenonderzoek te laten uitvoeren, omdat er aanleiding is te twijfelen aan de conclusies van de risicoanalyse door het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft met betrekking tot de vordering tot onttrekking aan het verkeer

ter zitting toegelicht dat de strafzaak tegen klager op 02 september 2026 is geseponeerd wegens onvoldoende bewijs, omdat er geen sprake is geweest van eerdere bijtincidenten. Aangevoerd is vervolgens dat gelet op het bijtincident en de uitslag van de risicoanalyse de hond echter niet terug kan naar klager. Hoewel de onderliggende strafzaak is geseponeerd, is de hond gevaarlijk en niet herplaatsbaar. Dat maakt dat de hond vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat het inbeslaggenomen goed van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, waarbij de officier van justitie heeft verwezen naar artikel 552f Sv en de artikelen 36b, c en d, Sr. Verder heeft de officier van justitie verwezen naar beslissingen van respectievelijk de rechtbank Overijssel (parketnummer 08/249612-25 d.d. 3 december 2025) en de rechtbank Gelderland (raadkamernummer 24-013219 d.d. 10 juli 2024) waarbij in soortgelijke situaties de (afzonderlijke) vordering tot onttrekking aan het verkeer is toegewezen. Desgevraagd heeft de officier van justitie zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bijtincident van 10 januari 2026 maakt dat de onttrekking aan het verkeer in relatie staat tot een strafbaar feit.

Wat betreft het klaagschrift heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit in navolging van de onttrekking aan het verkeer, ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.

Vordering onttrekking aan het verkeer (552f Sv)

Op grond van artikel 552f, eerste lid, Sv is het gerecht waarvoor de zaak in eerste aanleg zal worden vervolgd, is vervolgd of had kunnen vervolgd, bevoegd tot het geven van beschikkingen als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4, Sr

Op grond van artikel 36b, eerste lid, onder 4, Sr kan onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen worden opgelegd bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie.

Op grond van artikel 36c, aanhef en onder 2, Sr zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer alle voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan, een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Op grond van het bepaalde in artikel 36d Sr zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Het openbaar ministerie heeft de afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer ingediend op grond van voornoemd artikel 36b, eerste lid, onder 4, Sr. Voor de toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer, wordt niet met zoveel woorden verlangd dat vast moet staan dat een strafbaar feit is begaan. Echter, uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook voor de toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer een relatie tot een begaan strafbaar feit is vereist. Immers, met ‘het feit’ in artikel 36c en 36d Sr wordt een begaan strafbaar feit bedoeld (zie HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:349).

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de enkele verwijzing van de officier van justitie naar het bijtincident op 10 januari 2026 onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat sprake is van ‘een relatie tot een begaan strafbaar feit’, zoals is vereist gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad.

De raadsman wordt echter niet gevolgd in de stelling dat, nu de klager niet (verder) zal worden vervolgd voor de overtreding van artikel 425 Sr, vaststaat dat geen sprake is van een strafbaar feit en om die reden geen onttrekking aan het verkeer kan volgen. Immers, de afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer is juist bedoeld voor situaties als deze, waarin vaststaat dat er geen vervolging (meer) plaatsvindt. Dit laatste betekent niet automatisch dat er geen relatie bestaat tot een strafbaar feit.

Op grond van artikel 552f Sv is de rechtbank bevoegd een afzonderlijke beschikking tot onttrekking aan het verkeer te geven in een zaak die – onder meer – in eerste aanleg vervolgd had kunnen worden.

In de beschikking moet de rechtbank aangeven van welk begaan strafbaar feit wordt uitgegaan, en tevens vaststellen dat het in beslag genomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d beschreven verband staat tot een strafbaar feit.

Dit maakt dat de rechtbank zelfstandig moet vaststellen of sprake is van een begaan strafbaar feit, ook in het geval het openbaar ministerie heeft besloten de zaak te seponeren.

De rechtbank staat hier geplaatst voor de vraag of de hond in verband staat met een strafbaar feit als bedoeld in artikel 425 Sr. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat de hond van klager op 10 januari 2026 ontsnapt is uit klagers woning op het moment dat zijn partner de deur niet goed heeft afgesloten. De hond is vervolgens direct op het 14-jarige slachtoffer afgerend en heeft haar meerdere malen in het gezicht en in haar arm en been gebeten, met ernstige bijtwonden in haar gezicht en een noodzakelijke operatie tot gevolg. Daarnaast zijn zowel de moeder als de stiefvader van het slachtoffer gebeten, toen zij hun dochter probeerden te ontzetten. Getuige [getuige], een buurman, heeft verklaard dat enkele dagen eerder op 2 januari 2026 de hond hem ook heeft proberen te bijten, waarna [getuige] een melding over de hond heeft gedaan bij de gemeente en de politie. [getuige] heeft aangegeven dat de hond recht naar zijn gezicht sprong en een happende beweging maakte. Volgens [getuige] wordt de hond steeds agressiever en onvoorspelbaarder. Ook heeft [getuige] eind december 2025 gezien dat de hond los over straat liep en hoorde hij via zijn ringdeurbel mensen roepen dat de hond achter kinderen aanzat, terwijl klager vanuit de tuin naar zijn hond op straat aan het roepen en schelden was.

Uit de risicoanalyse van het Riskassessmentteam volgt na onderzoek – samengevat en voor zover hier relevant – dat de hond een pitbullachtige reu betreft van ongeveer een jaar oud. Er is sprake van een zeer hoog bijtrisico naar mensen, in elk geval bij snel bewegen en incidentsituaties zoals met het bijtincident van 10 januari 2026, naar kinderen en naar andere honden. De invloed van de huidige eigenaar wordt als risicoverhogend ingeschat waarbij is toegelicht dat bekend is dat de hond loslopend wordt uitgelaten door een eigenaar die in een rolstoel zit. Een getuige heeft verklaart over eerder op kinderen in een speeltuin afrennen en over bijtgedrag naar een volwassen persoon. Een risico van de hond zou dus bekend kunnen en moeten zijn bij de eigenaar en een kundig hondeneigenaar had voor voldoende preventie gezorgd en voor overdracht van de zorg voor de hond op een persoon die afdoende kundig en vaardig is om deze zorg te dragen, wat in het onderhavige geval niet is gebeurd, aldus het Riskassessmentteam.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat sprake is van een gevaarlijk dier als bedoeld in artikel 425, aanhef en onder 2, Sr. Verder volgt uit voornoemde feiten en omstandigheden dat klager niet voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van het onder zijn hoede staande dier. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit vaste rechtspraak volgt dat een hond niet alleen ‘gevaarlijk’ in de zin van artikel 425 Sr kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. Ook een hond waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert, moet als gevaarlijk in de zin van die wetsbepaling worden aangemerkt (zie HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3579).

In de zaak van klager geldt dat ook vóór het bijtincident van 10 januari 2026 al sprake geweest van feiten en omstandigheden op grond waarvan er een aanmerkelijk risico bestond dat de hond zonder afdoende voorzorgsmaatregelen gevaarlijk voor personen kon zijn. Niet gebleken is dat klager, zijnde de eigenaar, afdoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen.

Het vorenstaande betekent dat sprake is van een strafbaar feit en dat klager hiervoor vervolgd had kunnen worden. Dat het openbaar ministerie anders heeft besloten, maakt dit niet anders. Verder blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 36c, aanhef en onder 2, Sr, nu juridisch gezien sprake is van een voorwerp waarmee het feit is begaan, terwijl de risico’s van het aanwezig zijn van de hond in het maatschappelijk verkeer te groot zijn en daarom het ongecontroleerd bezit van de hond in strijd is met het algemeen belang.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de vordering toewijzen en bepalen dat de hond [naam hond] wordt onttrokken aan het verkeer.

Herhaald verzoek tot tegenonderzoek

De rechtbank wijst het herhaalde verzoek tot het doen van een contraexpertise af. Daartoe overweegt de rechtbank dat de rechter-commissaris en de meervoudige kamer in de bezwaarschiftprocedure reeds uitgebreid gemotiveerd hebben aangegeven waarom er niet getwijfeld hoeft te worden aan de betrouwbaarheid van het onderzoek door het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht en de kwaliteit van de deskundigen. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd en de rechtbank volstaat hier met een verwijzing naar die beslissingen.

Klaagschrift strekkende tot teruggave van de in beslaggenomen hond [naam hond]

Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen de twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.

Het vorenstaande laat geen andere beslissing toe dan dat de rechtbank het beklag ongegrond zal verklaren en het verzoek tot teruggave van hond [naam hond] zal afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen hond, genaamd [naam hond], toe;

- verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. A. Buiskool, rechter,

in tegenwoordigheid van D. Bokma, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »