ECLI:NL:RBNHO:2026:13036

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
HAA 25/3645 en HAA 25/5347
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep tegen omgevingsvergunningen waarmee de bouwhoogte van een dakopbouw op een garage wordt gelegaliseerd. Tevens beroep tegen gedeeltelijke handhaving van de afwijking van een eerder verleende omgevingsvergunning. In 2021 is omgevingsvergunning verleend voor een dakopbouw met dakkapel, op een garage die grenst aan de garage van eiseres. De vergunning is onherroepelijk. De dakopbouw blijkt over de perceelsgrens heen te zijn gebouwd en hoger te zijn uitgevoerd dan eerder vergund. Het verzoek om handhaving van eiseres wordt toegewezen voor wat betreft de afwijkende maatvoering van de dakopbouw. Gedurende de handhavingsprocedure worden twee legaliserende omgevingsvergunningen verleend. De stelling van eiseres dat sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering wordt niet gevolgd. Niet in geschil is dat sprake is van een overschrijding van de perceelsgrens. Omdat de omgevingsvergunning van 2021 onherroepelijk is, heeft deze formele rechtskracht. Van zeer bijzondere omstandigheden om die te doorbreken, is niet gebleken, mede omdat eiseres privaatrechtelijke kwesties bij de civiele rechter aan de orde kan stellen. De later aangebrachte dakgoot overschrijdt de perceelsgrens verder. De dakgoot is echter aan te merken als een ondergeschikt onderdeel. Artikel 22.27 van het Omgevingsplan beoogt de systematiek van artikel 3, bijlage II van het Bor voort te zetten. De dakgoot is daarom vergunningvrij. Het college hoefde (privaatrechtelijke) aspecten van de dakgoot niet in de etfal-toets van de gewijzigde maatvoering van de dakopbouw te betrekken. De dakkapel bevindt zich op een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak. Eiseres heeft niet gemotiveerd bestreden dat de dakkapel niet aan de vereisten voldoet om deze vergunningvrij te plaatsen. Het college is alleen bevoegd om handhavend op te treden bij een overtreding van de regels die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Het college is niet bevoegd om handhavend op te treden tegen privaatrechtelijke overtredingen. Beroep ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/3645 en HAA 25/5347

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland

(gemachtigden: mr. I.A.A. van Galen en mr. B.C. Slijkerman),

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [plaats] (de vergunninghouders)

(gemachtigde: mr. J. van Bergen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het legaliseren van de bouwhoogte van een dakopbouw op de garage van [adres 1] te [plaats] . Het college heeft hiervoor twee omgevingsvergunningen verleend. Daarnaast gaat deze uitspraak over het verzoek om handhaving vanwege het bouwen door de vergunninghouders van de dakopbouw, waarvoor volgens eiseres eerder ten onrechte een omgevingsvergunning is verleend. Dit verzoek is gedeeltelijk afgewezen en er is een daarmee overeenkomende last onder dwangsom opgelegd. Eiseres is het niet eens met de verleende omgevingsvergunningen, het gedeeltelijk afwijzen van haar verzoek om handhaving en de opgelegde last onder dwangsom. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunningen voor het legaliseren van de hoogte van de dakopbouw heeft mogen verlenen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college de besluiten over het handhavingsverzoek en de last onder dwangsom, zoals gewijzigd bij het desbetreffende bestreden besluit, eveneens heeft mogen nemen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 22 juli 2024, tezamen met haar echtgenoot [naam 1] , een verzoek ingediend tot handhaving. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 6 december 2024 gedeeltelijk toegewezen. Voorts heeft het college bij besluit van 20 januari 2025 aan de vergunninghouders een last onder dwangsom opgelegd. Eiseres en haar echtgenoot hebben tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. De vergunninghouders hebben ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 januari 2025. Met de besluiten van 15 juli 2025 op de bezwaren van eiseres en haar echtgenoot en van de vergunninghouders heeft het college de last onder dwangsom aangepast.

2.1.

Op 6 mei 2025 hebben de vergunninghouders een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, namelijk een bouwactiviteit in de zin van het omgevingsplan. Op 17 juni 2025 hebben de vergunninghouders een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit.

2.2.

Met de besluiten van 26 juni 2025 heeft het college een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteiten bouwen en afwijken van regels in het omgevingsplan en een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit verleend. Met het besluit van 15 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres en haar echtgenoot is het college bij deze besluiten gebleven.

2.3.

Eiseres heeft, tezamen met haar echtgenoot, beroep ingesteld tegen het hen betreffende besluit van 15 juli 2025 (HAA 25/3645) en tegen het besluit van 15 oktober 2025 (HAA 25/5347). Zij hebben hun beroepen met nadere stukken aangevuld. Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

2.4.

De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde (tevens dochter) van eiseres, de gemachtigden van het college, bijgestaan door [naam 2] , en de gemachtigde van de vergunninghouders.

2.5.

Ter zitting is gebleken dat [naam 1] recentelijk is overleden. Dit heeft tot gevolg dat thans uitsluitend [eiseres] als eisende partij wordt aangemerkt.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten

3. Eiseres woonde tot eind 2025 aan [adres 2] in [plaats] . Zij is inmiddels verhuisd maar nog steeds eigenaar van deze woning. Tussen haar woning en de woning van de vergunninghouders aan [adres 1] bevinden zich twee garages. Deze grenzen aan elkaar door middel van een gemeenschappelijke (mandelige) muur. Op 29 oktober 2020 hebben de vergunninghouders een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakopbouw met een dakkapel op hun garage. Op 7 januari 2021 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt waardoor de omgevingsvergunning nu onherroepelijk is. Volgens de bij de vergunningaanvraag behorende bouwtekening zijn de vijf ramen van de dakkapel draaikiepramen waarvan drie in melkglas behoren te worden uitgevoerd.

3.1.

Eiseres kan zich niet vinden in de gerealiseerde dakopbouw. Sinds de bouw blijft er (te) veel water blijft staan op haar garagedak. Daarnaast heeft eiseres geconstateerd dat de dakopbouw, alsook de later toegevoegde dakgoot, over de erfgrens heen is gebouwd. De dakkapel is dichter bij de erfgrens gebouwd en de ramen van de dakkapel zijn niet vast en ook niet van melkglas, maar van doorzichtig glas. Toen overleg tussen eiseres en de vergunninghouders niet tot een voor partijen bevredigende oplossing leidde, heeft eiseres zich tot het college gewend met een verzoek tot herstelmaatregelen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een toezichthouder van de gemeente Drechterland geconstateerd dat de dakopbouw niet is gebouwd volgens het vergunde bouwplan. De dakvoet en de nokhoogte van de dakopbouw zijn hoger uitgevoerd en de ramen van de dakkapel zijn niet met melkglas uitgevoerd.

3.2.

Eiseres heeft vervolgens op 22 juli 2024, nader toegelicht per mail van 9 september 2024 en 24 november 2024, een formeel verzoek om handhaving ingediend. Eiseres stelt hierin dat het oorspronkelijke bouwplan in strijd was met regelgeving (bestemmingsplan, Bouwbesluit 2012, het eigendomsrecht en het privacyrecht). Daarnaast is volgens haar in afwijking van de omgevingsvergunning gebouwd wat betreft de overbouw en afwatering, de ramen van de dakkapel en de gewijzigde hoogte van de dakvoet waardoor het totale bouwwerk groter, hoger en dichter op de erfgrens is uitgekomen dan is toegestaan. Eiseres vraagt het college om vast te stellen of er ten aanzien van de dakopbouw overtredingen zijn in relatie tot de omgevingsvergunning en geldende regelgeving en afhankelijk van de constateringen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke herstelsanctie te nemen.

3.3.

Naar aanleiding van de aanvullingen op het verzoek hebben toezichthouders nadere controles uitgevoerd op het perceel van de vergunninghouders.

3.4.

In het besluit van 6 december 2024 heeft het college het verzoek om handhaving gedeeltelijk toegewezen. Het college heeft geoordeeld dat de dakopbouw niet voldoet aan de verleende omgevingsvergunning ten aanzien van de maatvoering van de dakopbouw en de doorzichtigheid van drie van de vijf ramen van de dakkapel. Voor het overige heeft het college het verzoek afgewezen. Om de twee geconstateerde overtredingen te doen beëindigen, heeft het college de vergunninghouders bij besluit van 20 januari 2025 een daartoe strekkende last onder dwangsom opgelegd. Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

3.5.

Tijdens de bezwaarprocedure hebben de vergunninghouders twee aanvragen om een omgevingsvergunning ingediend om de hoogte van de dakopbouw te legaliseren. De eerste aanvraag dateert van 6 mei 2025 en ziet op een bouwactiviteit in de zin van het omgevingsplan. De tweede dateert van 17 juni 2025 en ziet op een technische bouwactiviteit. Het college heeft beide omgevingsvergunningen verleend.

3.6.

In zijn besluit van 26 juni 2025 inzake de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit heeft het college overwogen dat het project in strijd is met het omgevingsplan, voor zover de dakopbouw een oppervlakte heeft van 35 m². Desondanks kan de omgevingsvergunning worden verleend op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) omdat volgens het college sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In zijn besluit van 26 juni 2025 inzake de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit heeft het college overwogen dat de vergunninghouders aannemelijk hebben gemaakt dat de aanvraag voldoet aan de voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

3.7.

Met de besluiten van 15 juli 2025 (inzake de last onder dwangsom) en 15 oktober 2025 (inzake de omgevingsvergunningen) zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit van 15 juli 2025

4. Het college heeft overwogen dat met de omgevingsvergunningen van 26 juni 2025 de afwijking van de omgevingsvergunning van 7 januari 2021 wat betreft de hoogte van de dakopbouw is gelegaliseerd. Het college heeft daarom de last onder dwangsom aangepast zodat deze uitsluitend nog betrekking heeft op de ramen van de dakkapel. Het college heeft ten aanzien van de bezwaren van eiseres over (de ligging van) de dakgoot/afvoer overwogen dat voor zover tussen partijen een geschil bestaat over eigendom, de erfgrens of toestemming voor de aanwezigheid van een dakgoot, dit een civiele kwestie betreft die in deze handhavingsprocedure niet beoordeeld kan worden.

Het bestreden besluit van 15 oktober 2025

5. Het college heeft overwogen dat de vergunningen van 26 juni 2025 uitsluitend zien op de dakvoet- en nokhoogte, terwijl de overige delen (zoals ramen in de dakkapel en de dakgoot) al zijn vergund met het besluit van 7 januari 2021 en daarmee onherroepelijk zijn. Volgens het college is bij de overbouw en de dakgoot geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het college handhaaft zijn standpunt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ruimtelijke gevolgen van de dakopbouw zijn meegewogen en aanvaardbaar geacht. Volgens het college heeft eiseres geen objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt dat haar belangen onevenredig zijn geschaad. Daarom is er volgens het college geen grond om te oordelen dat de belangenafweging onzorgvuldig is geweest.

Toepasselijk recht

6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van de vergunninghouders geldt het Omgevingsplan gemeente Drechterland. Dat omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel: de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en de omgevingsplanregels van rechtswege.1

6.1.

Op het perceel was tot 1 januari 2024 het bestemmingsplan “ Hoogkarspel 2014” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt daarom nu deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Op grond van het bestemmingsplan gelden op het perceel de bestemmingen “Wonen-1” en “Waarde Archeologie-4”.

Heeft het college de feiten juist vastgesteld?

7. Eiseres stelt dat er geen zorgvuldige en juiste feitenvaststelling ten grondslag ligt aan het besluit op het handhavingsverzoek en de opgelegde last onder dwangsom. Ondanks meerdere bezoeken van de toezichthouders mist eiseres een controlerapport dat alle, dus ook de privaatrechtelijke, overtredingen bevat. Volgens eiseres borduurt het college voort op fouten met betrekking tot de maatvoering en is onvoldoende vastgesteld in welke mate de bouwoppervlakte wordt overschreden.

7.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt hierbij voorop dat gezien de publiekrechtelijke rechtsverhouding tussen het college enerzijds, en eiseres en/of de vergunninghouders anderzijds, de toezichthouders zich hebben te beperken tot overtredingen van publiekrechtelijke aard. Uit de rapporten van de toezichthouders blijkt welke publiekrechtelijke overtredingen zijn vastgesteld. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van eiseres ligt om aan te tonen dat deze bevindingen niet juist of niet volledig zijn, al dan niet op basis van een contra-expertise. Dit heeft zij niet gedaan.

Heeft het college de omgevingsvergunningen van 26 juni 2025 mogen verlenen?

8. Eiseres stelt dat het college de dakopbouw op 26 juni 2025 niet had mogen vergunnen omdat daaraan verschillende privaatrechtelijke overtredingen in de weg staan.

8.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep van eiseres geen gronden bevat die zijn gericht tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit. Eiseres heeft immers niets aangevoerd tegen het standpunt van het college dat aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan het Bbl. Binnen het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit is geen ruimte voor een belangenafweging of een toets aan het privaatrecht.2 De beroepsgronden zijn uitsluitend gericht tegen de omgevingsvergunning inzake de omgevingsplanactiviteit. Het gaat hierbij volgens eiseres om de overschrijding van de perceelsgrens door de dakopbouw, de extra overschrijding van de perceelsgrens door het aanbrengen van een dakgoot, de locatie van de dakkapel in relatie tot de erfgrens en de uitvoering van de ramen in de dakkapel.

Overschrijding van de perceelsgrens door de dakopbouw

8.2.

Met het besluit van 7 januari 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en voor het planologisch strijdig gebruik op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Op grond van artikel 22.2.2, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan is een dakopbouw op een bijgebouw toegestaan en mag de bouwhoogte daarvan, in afwijking van artikel 22.2.2, aanhef en onder d, maximaal 7,00 m bedragen. Vereist is dan wel, voor zover hier van belang, dat de dakopbouw een oppervlakte heeft van ten hoogste 30 m². De vergunninghouders hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor een dakopbouw met een oppervlakte van 35 m². Het college heeft daarom beoordeeld of het mogelijk is om de omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. Het college heeft geoordeeld dat de overschrijding niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Als gezegd is deze omgevingsvergunning inmiddels onherroepelijk.

8.3.

Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl kan het college met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een omgevingsvergunning verlenen voor een omgevingsplanactiviteit die niet in overeenstemming is met het omgevingsplan, waarvan het bestemmingsplan deel uitmaakt. Bij de toets of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan een evidente privaatrechtelijke belemmering een rol spelen.3 Hetzelfde gold ten tijde van het onder de Wabo geldende toetsingscriterium van een goede ruimtelijke ordening.4 Ter zitting heeft het college erkend dat het bij de beoordeling van de aanvraag destijds niet heeft onderkend dat de dakopbouw uitsteekt over het perceel van eiseres. Als dat wel was gebeurd, dan zou deze overschrijding volgens het college zijn aangemerkt als een evident privaatrechtelijke belemmering. Het college had de omgevingsvergunning dan niet verleend zonder aanpassing of zonder de expliciete toestemming van eiseres. De ongedateerde handtekening van wijlen de echtgenoot van eiseres op de bouwtekening kan namelijk volgens het college niet als toestemming voor de overschrijding worden aangemerkt, maar alleen voor de ramen. Eiseres en haar echtgenoot hebben echter tegen de omgevingsvergunning van 7 januari 2021 geen bezwaar gemaakt. Deze is daardoor nu onherroepelijk. Dit betekent dat het de vergunninghouders publiekrechtelijk is toegestaan om te bouwen, ook als het bouwwerk in kwestie de perceelsgrens overschrijdt. Uitsluitend in zeer bijzondere omstandigheden kan de rechtskracht van een onherroepelijk besluit worden doorbroken.5 Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht zulke omstandigheden niet aanwezig geacht, mede gelet op de mogelijkheid voor eiseres om privaatrechtelijke kwesties bij de civiele rechter aan de orde te stellen.

8.4.

De omgevingsvergunning van 26 juni 2025 voor een omgevingsplanactiviteit heeft uitsluitend betrekking op de hoogte van de dakopbouw. De oppervlakte van de dakopbouw is niet gewijzigd ten opzichte van de onherroepelijke omgevingsvergunning van 7 januari 2021. Deze bedraagt nog steeds 35 m². Met het college is de rechtbank van oordeel dat de hogere dakvoet- en nokhoogte daarom niet zorgen voor een aanvullende strijdigheid met het bestemmingsplan. Ook is geen sprake van een verdere overschrijding van de perceelsgrens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in de reeds bestaande overschrijding van de perceelsgrens daarom geen aanleiding hoeven te zien om de omgevingsvergunning van 26 juni 2026 te weigeren.

Een verdere overschrijding van de perceelsgrens door de dakgoot

8.5.

Eiseres betoogt voorts dat de door de vergunninghouders aangebrachte dakgoot onder de reeds uitstekende dakvoet de perceelsgrens verder overschrijdt. Volgens haar vormt dit een nieuwe evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de verlening van de omgevingsvergunning van 26 juni 2025 voor een omgevingsplanactiviteit in de weg staat.

8.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de dakgoot de perceelsgrens (verder) overschrijdt. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar stelling dat het college daarom de omgevingsvergunning van 26 juni 2025 niet heeft mogen verlenen.

8.7.

Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit wordt, voor zover hier relevant, verstaan een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten. In artikel 22.26 van het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Op grond van artikel 22.27, aanhef en onder i, van het omgevingsplan geldt dit verbod niet voor deze activiteiten als die betrekking hebben op een te veranderen bouwwerk, voor zover er geen sprake is van uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, geen sprake is van uitbreiding van het bouwvolume, en geen sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Bbl dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen. Ingevolge artikel 22.24 van het omgevingsplan blijven uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing bij het meten voor de toepassing van de artikelen 22.26 en 22.27 van het omgevingsplan.

8.8.

Artikel 22.27 van het omgevingsplan beoogt bouwactiviteiten die voorheen als vergunningvrij waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken.6 Blijkens de Nota van Toelichting op het Bor kunnen ondergeschikte onderdelen tot een omvang van 0,5 m achterwege blijven bij het bepalen of sprake is van een toename van het bouwoppervlak en/of bouwvolume en of daarom sprake is van een vergunningplichtige activiteit. De wetgever noemt een regengoot als voorbeeld van een ondergeschikt onderdeel.7

8.9.

De dakgoot in kwestie is niet meer dan 0,5 m breed en kan daardoor als een ondergeschikt onderdeel worden gezien. Daarmee voldoet de dakgoot aan de vereisten van artikel 22.27, aanhef en onder i, van het omgevingsplan. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het plaatsen van de dakgoot onder de dakopbouw vergunningvrij is. Dit brengt met zich dat het college de (privaatrechtelijke aspecten van de) dakgoot niet hoefde te betrekken bij zijn oordeel of de gewijzigde maatvoering van de dakopbouw voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het feit dat de dakgoot de perceelsgrens (verder) overschrijdt, hoefde dan ook niet aan de verlening van de omgevingsvergunning van 26 juni 2025 voor een omgevingsplanactiviteit in de weg te staan.8

De gewijzigde locatie van de dakkapel en de uitvoering van de ramen in de dakkapel

8.10.

Eiseres meent voorts dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gewijzigde locatie van de dakkapel. Door de hogere uitvoering van de dakopbouw bevindt de dakkapel zich nu (nog) dichter bij de erfgrens. Eiseres kan zich daarnaast niet vinden in het feit dat de ramen in de dakkapel niet vast zijn en dat zij bovendien niet allemaal in melkglas zijn uitgevoerd

8.11.

De rechtbank volgt deze stelling niet. De dakkapel bevindt zich op een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak. Op grond van artikel 2.29, aanhef en onder b, van het Bbl is het plaatsen van de dakkapel op een dergelijk zijdakvlak een vergunningvrije omgevingsplanactiviteit wanneer is voldaan aan de daarin genoemde afstanden ten opzichte van, kort gezegd, de onder-, boven- en zijkanten van de dakkapel. Eiseres heeft niet gemotiveerd bestreden dat de dakkapel niet aan deze vereisten voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college reeds daarom in het aangevoerde over de dakkapel geen aanleiding hoeven te zien om de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit af te wijzen.

Handhaving

9. In haar beroep betreffende de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om handhaving en de daarbij behorende last onder dwangsom aan de vergunninghouders stelt eiseres dat het college ten onrechte de privaatrechtelijke overtredingen buiten beschouwing heeft gelaten. Eiseres is van oordeel dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook stelt eiseres dat het college de bezwaartermijn van de omgevingsvergunningen had moeten afwachten alvorens het bestreden besluit van 15 juli 2025 te nemen.

9.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt allereerst dat er geen rechtsregel is die bepaalt dat het college de bezwaartermijn van de nieuwe omgevingsvergunningen moest afwachten alvorens de beslissing op bezwaar inzake het handhavingsbesluit te nemen. Ten tijde van het bestreden besluit van 15 juli 2025 had het college inmiddels twee omgevingsvergunningen verleend waarmee de maatvoering van de dakopbouw is gelegaliseerd. In dit bestreden besluit heeft het college de maatvoering van de dakopbouw daarom terecht niet langer als overtreding aangemerkt en heeft het college de last onder dwangsom terecht dienovereenkomstig aangepast. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft eiseres ook verder niet aannemelijk gemaakt dat op het perceel van de vergunninghouders sprake is van bouwwerken waarvoor geen vergunning is verleend of die niet vergunningvrij zijn en waartegen het college niet is opgetreden. Het college is alleen bevoegd om handhavend op te treden als er een overtreding is van de regels die onder de verantwoordelijkheid van het college vallen. Het college is niet bevoegd om handhavend op te treden tegen privaatrechtelijke overtredingen. De civiele rechter is bevoegd om privaatrechtelijke geschillen te beslechten. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank in deze zaken, als bestuursrechter, niet de instantie is om te oordelen over de aspecten die eiseres feitelijk dwarszitten.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Wat betreft het beroep in de zaak HAA 25/5347 betekent dit dat de twee omgevingsvergunningen van 26 juni 2025 in stand blijven. Wat betreft het beroep in de zaak HAA 25/3645 betekent dit dat de last onder dwangsom en de gedeeltelijke afwijzing van het handhavingsverzoek van eiseres in stand blijven. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt eiseres het griffierecht niet terug en krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.W. Neleman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »