RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/379364 / KG ZA 26-360
Vonnis in kort geding van 24 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Sarioglu,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Toughza.
1 De zaak in het kort
Tussen partijen speelt een geschil over de taxatie van de voormalige echtelijke woning in Nederland en over het taxatieproces van de (vakantie)woning in Marokko.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het overschrijden van de termijn waarbinnen de taxatie van de woning in Nederland had moeten plaatsvinden er niet toe leidt dat, zoals de vrouw stelt, wordt teruggevallen op een niet actuele taxatiewaarde. Omdat de vertraging in beginsel door de man is veroorzaakt en de vrouw daar geen nadeel van mag ondervinden door tussentijdse waardestijging, zal worden bepaald dat taxatie plaatsvindt per 1 maart 2026. De vrouw wordt veroordeeld mee te werken aan de taxatie onder straffe van een dwangsom. De overige vorderingen van de man worden afgewezen.
De vorderingen van de vrouw worden ook afgewezen. Zij heeft onvoldoende betwist dat de taxatie van de woning in Marokko volgens de regelen der kunst en in overeenstemming met de in de beschikking neergelegde afspraken heeft plaatsgevonden. Ten slotte is er onvoldoende aanleiding om de man te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 9 producties
- de aanvullende producties 10 tot en met 19 en productieoverzichten van de kant van de man
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met 21 producties
- de vertaling van productie 14 van de kant van de man
- de aanvullende productie 22 van de kant van de vrouw
- de mondelinge behandeling van 7 augustus 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnotitie van [eiser]- de pleitaantekeningen van [gedaagde]
- aanhouding van de zaak tot 4 september 2026
- de aanvullende producties 16 tot en met 23 met gedeeltelijk dezelfde nummering van eerdere producties maar andere inhoud van de kant van de man
- de aanvullende producties 1 tot en met 9 met dezelfde nummering van eerdere producties maar andere inhoud van de kant van vrouw
- een begeleidende schrijven van de kant van de vrouw.
Vervolgens is vonnis bepaald.
3 De feiten
Partijen zijn op 22 december 2004 gehuwd te Amsterdam op huwelijkse voorwaarden.
Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.
Uit het huwelijk is geboren het thans nog minderjarige kind, [minderjarige], hierna te noemen: ‘[minderjarige]’, geboren op [geboortedatum] 2012 te [plaats 1]. [minderjarige] is 14 jaar oud.
Bij beschikking van 14 augustus 2024 is de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken. De echtscheiding is op 16 december 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen hebben gedurende het huwelijk een aantal goederen gemeenschappelijk gekocht, waaronder de echtelijke woning aan de [adres] [plaats 2] (hierna: de woning). De vrouw verblijft thans met [minderjarige] in de woning.
De woning is een onderdeel van de eenvoudige gemeenschap die tussen partijen
bestaat.
Bij beschikking van deze rechtbank locatie Alkmaar van 26 januari 2026 (hierna: de beschikking) is de op de zitting van 4 december 2025 tussen partijen bereikte overeenstemming opgenomen over de wijze van verdeling van onder meer de woning. Voor zover van belang luiden de afspraken als volgt (onderstreping voorzieningenrechter):
Partijen hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de (wijze van)
verdeling van de eenvoudige gemeenschappen. Partijen hebben aangegeven dat zij ieder een gelijk aandeel in deze gemeenschappen hebben en zij hebben hierover de volgende afspraken gemaakt:
- De woning in [plaats 3] te Marokko wordt aan de man toebedeeld (…)
- De Volkswagen T2 bus wordt aan de man toebedeeld (…)
- het perceel in [plaats 4] te Marokko wordt aan de man toebedeeld (…)
- De echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] wordt aan de vrouw toebedeeld tegen een nog te taxeren waarde, onder de opschortende voorwaarde dat zij in staat is om de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en de helft van de overwaarde (waarde woning minus hoogte hypotheekschuld) aan de man te vergoeden . De man zal op eigen kosten bij een erkend bedrijf een verzoek indienen om het energielabel van de woning te wijzigen van C naar B. Nadien zal de woning op kosten van de man opnieuw worden getaxeerd, waarbij de waarde moet worden bepaald op de taxatiedatum. De man zal hiervoor drie taxateurs aan de vrouw voorstellen, waaruit de vrouw één taxateur kiest. De getaxeerde waarde is bindend tussen partijen. Voor de op deze waarde in mindering te brengen hypotheekschuld wordt uitgegaan van de stand van de hypotheek op 31 december 2023, aangezien de hypotheekaflossingen na deze datum door de vrouw zijn verricht. Ook zal een bedrag van € 11.675,- op de getaxeerde waarde in mindering worden gebracht, vanwege herstelkosten voor de woning. De labeling van de woning en de opvolgende taxatie dienen binnen twee
maanden na de zittingsdatum plaats te vinden .
- Partijen zullen na de verschillende taxaties de balans opmaken en berekenen welk bedrag na verrekening van de waardes per saldo nog betaald moet worden door de één aan de ander;
- De verwachting is dat de man na verrekening van de waarde van de aan hem toe te bedelen woning in [plaats 3], het Volkswagen T2 busje en het perceel in [plaats 4] met de waarde van de aan de vrouw toe te bedelen echtelijke woning nog een bedrag aan de vrouw moet betalen . De man krijgt de gelegenheid om de financiering van dit bedrag binnen twee maanden na de taxatie van de echtelijke woning te regelen. De man zal dit bedrag op de rekening van een Marokkaanse notaris storten en hiervan een bewijs aan de vrouw verstrekken.
- De vrouw zal binnen twee maanden na de taxatie van de echtelijke woning nagaan of zij de man kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan deze woning verbonden hypotheek en of zij de overname van de woning kan financieren .
- Binnen één maand na de termijn in het vorige gedachtestreepje zullen voormelde
vermogensbestanddelen na betaling van het verrekeningsbedrag aan partijen worden
geleverd .
- Indien partijen niet in staan zijn om voormelde vermogensbestanddelen binnen de
genoemde termijn over te nemen dan moeten deze vermogensbestanddelen worden verkocht .
(…)
Voor de echtelijke woning geldt dat dat de vrouw binnen één week drie makelaars aan de man dient voor te stellen waaruit de man één makelaar kiest. Binnen één week nadien dienen partijen deze makelaar een opdracht tot verkoop te verstrekken. Partijen zijn gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen voor wat betreft de vraag- en laatprijs, alsmede alle verdere adviezen van de makelaar, voor zover zij daar samen niet uitkomen. De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypotheek te worden aangewend. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen. Voorts dient de man de helft van de door de vrouw gedane aflossingen op de hypotheek na 31 december 2023 en de helft van de door de vrouw betaalde herstelkosten voor de echtelijke woning van € 5.624,51 aan haar te
vergoeden. Deze vergoedingen mag de man indien mogelijk verrekenen met zijn aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning.
(…)
Gelet op de overeenstemming is de rechtbank op grond van artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek immers niet (meer) bevoegd om de (wijze van) verdeling vast te stellen. Dit laat onverlet dat partijen gehouden zijn om zich aan de onderling gemaakte afspraken te houden.
(…)
De man heeft op 9 januari 2026 drie taxateurs benaderd en deze taxateurs op 23 januari 2026 per e-mail aan de vrouw voorgesteld waaronder [bedrijf]. De vrouw heeft daarop diezelfde ochtend geantwoord: Dit zijn makelaars die doen de taxatie niet. We zouden dezelfde taxateur kunnen nemen als de vorige x. De man heeft daarop geantwoord dat hij contact met ze heeft opgenomen en dat ze wel taxaties doen. De vrouw heeft vervolgens geantwoord: Dan [bedrijf].
De man heeft op 11 februari 2026 per email aan de vrouw de beschikbare data van de taxateur heeft voorgelegd.
Op 13 februari 2026 heeft de vrouw per e-mail aan de man laten weten dat de datum die zij voor de taxatie hebben afgesproken is verlopen.
Op de vraag aan de vrouw of zij nog wil meewerken aan taxatie van de woning, heeft de vrouw op 24 mei 2026 geantwoord: Ik heb daar al antwoord op gegeven. Je hebt van mij (…) de tijd gekregen om de taxatie te doen. Dus nee er komt geen andere taxatie. Je had dat voor 4 februari moeten doen.
4 Het geschil in conventie
De man vordert - samengevat - dat de vrouw wordt veroordeelt tot nakoming van de in de beschikking van 26 januari 2026 vastgelegde afspraken en mee te werken aan taxatie van de woning aan de [adres] te [plaats 2], aan de vaststelling van de financiële afwikkeling van de verdeling, en - als zij de woning kan financieren - aan de levering van de woning aan haar. Als de vrouw de woning niet kan financieren, vordert de man dat de vrouw wordt veroordeeld mee te werken aan verkoop van de woning en dat het de vrouw wordt verboden de woning aan zich zelf of een derde te leveren tegen een niet op de nieuwe taxatie gebaseerde waarde. De man vordert ook een dwangsom aan de vrouw op te leggen voor het geval zij niet aan de veroordelingen voldoet.
De man legt aan de vorderingen ten grondslag dat de vrouw uitvoering van de afspraken blokkeert door vast te houden aan de twee maanden termijn voor taxatie van de woning en door zich op het standpunt te stellen dat de oude taxatiewaarde uit 2024 geldt. Omdat de huidige waarde van de woning veel hoger ligt, tracht zij de man te benadelen en handelt zij onrechtmatig jegens- en in strijd met de gerechtvaardigde belangen van de man, althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid die partijen bij de uitvoering van de afspraken jegens elkaar in acht moeten nemen. De vrouw gaat voorbij aan de overmacht aan de zijde van de man en heeft zowel het notariskantoor als de bank niet geïnformeerd dat partijen het over de waarde van de woning nog niet eens zijn. De vrouw verbindt eenzijdig gevolgen een het verstrijken van de (niet fatale) termijn voor taxatie die niet zijn overeengekomen en maakt zo ook misbruik van haar bevoegdheid. De vrouw moet de afspraken in de beschikking over taxatie, waardering, verdeling en levering van de woning nakomen, aldus de man.
De vrouw voert aan dat partijen conform het spoorboekje duidelijke afspraken hebben gemaakt over de verdeling c.q. de waardering van de vermogensbestanddelen en de termijnen waarbinnen de verschillende rechtshandelingen moeten worden verricht. De gevolgen van het niet nakomen van de (afgesproken) termijnen, opgenomen in de beschikking, dienen voor rekening en risico van de man te komen. Hij heeft zich onvoldoende ingespannen om labeling en taxatie van de woning binnen de gestelde termijn te bewerkstelligen. Van overmacht is geen sprake. Van de vrouw kon niet worden verwacht mee te werken aan uitstel van de termijnen. Het proces rondom de echtscheiding en de verdeling loopt al bijna vier jaar, zodat de man voldoende tijd en ruimte heeft gekregen om het voorwerk te doen. Als er vervolgens op zitting afspraken worden gemaakt over de verdeling en termijnen worden afgesproken, zijn die afspraken niet optioneel. De man wist bovendien al in februari 2026 dat zij niet akkoord ging met verlenging van de termijnen maar koos ervoor om stil te zitten. Pas nadat zij aankondigde over te gaan tot verkoop van de vermogensbestanddelen in Marokko, en zij de man drie opties gaf voor een mogelijke makelaar is hij het kort geding opgestart. Niet de man, maar de vrouw wordt financieel benadeeld bij een nieuwe taxatie, omdat de man dan profiteert van de waardestijging van de afgelopen zes maanden. Verder heeft de vrouw de man (uit goodwill) in de gelegenheid gesteld om de vermogensbestanddelen in Marokko over te nemen, terwijl de marktwaarde daarvan een stuk hoger ligt dan de taxatiewaarde, aldus de vrouw.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 Het geschil in reconventie
De vrouw vordert - samengevat - vervangende toestemming voor de levering en verdeling van de woning in Nederland aan de vrouw tegen de taxatiewaarde uit 2024.
Daarnaast vordert de vrouw voor de vermogensbestanddelen in Marokko te bepalen dat:
-
de vakantiewoning in [plaats 3] en het stuk grond te [plaats 4] aan een derde moeten worden verkocht en de vrouw daartoe te machtigen;
-
de Volkswagen T2 bus aan een derde moet worden verkocht, de man te gelasten om hieraan mee te werken op straffe van een dwangsom bij gebrek aan medewerking van de man de vrouw te machtigen om de bus te gelde te maken,
dat het vonnis ten aanzien van vordering i en ii in de plaats komt van de medewerking van de man. Ten slotte vordert de vrouw de man te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling opgenomen in de beschikking op straffe van een dwangsom.
De vrouw legt aan de vorderingen ten grondslag wat zij in conventie heeft aangevoerd en stelt dat het geregeld voorkomt dat de man het kind niet komt ophalen tijdens zijn zorgmomenten. De vrouw moet hem er continu op wijzen dat hij zich moet houden aan de afspraken c.q. vastgestelde zorgregeling.
De man betwist dat de zorgregeling niet zou nakomen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De beoordeling
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Rechtsmachten toepasselijk recht
Omdat partijen zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit hebben, heeft het geschil een internationaal karakter. Omdat partijen ten tijde van het aanbrengen van deze zaak beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over de gevraagde voorziening. Omdat de gevraagde voorziening ziet op medewerking aan de verdeling van een eenvoudige gemeenschap na echtscheiding, partijen in Nederland zijn gehuwd en hun verblijfplaats na sluiting daarvan in Nederland hadden en hebben, is Nederlands recht van toepassing.
Spoedeisend belang
Tussen partijen speelt een geschil over de uitvoering van de afspraken over de verdeling van de voormalige echtelijke woning in Nederland en enkele vermogensbestanddelen in Marokko. Door discussie over de taxatie van de woning in Nederland, in samenhang met de waardering van de zaken in Marokko, heeft toedeling van de zaken zoals overeengekomen nog niet plaats gevonden en zijn partijen in een impasse beland. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vorderingen van de man in conventie als die van vrouw in reconventie.
Taxatie woning in Nederland
De vrouw meent dat het van haar niet kan worden verlangd mee te werken aan taxatie van de woning na 4 februari 2026, omdat de man dan profiteert van de waardestijging van de afgelopen zes maanden, terwijl de man ook al profiteert - zo begrijpt de voorzieningenrechter - van de taxatiewaarde waartegen hij de zaken in Marokko mag overnemen. Die is volgens de vrouw een stuk lager dan de marktwaarde.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de man te laat was met een onderdeel van de afspraken over de taxatie van de woning in Nederland en dat de vrouw vervolgens heeft geweigerd om mee te werken aan de taxatie. De vrouw stelt dat het proces rond de echtscheiding al bijna vier jaar loopt en zij na meerdere pogingen van haar kant om tot een minnelijke oplossing te komen mocht verwachten dat de man de op zitting afgesproken datum zou nakomen. De afspraken in de beschikking bepalen echter niets over het gevolg van het niet tijdig taxeren. Dat overschrijding van de termijn voor risico van de man komt en betekent dat partijen terugvallen op de taxatie uit 2024 valt daar niet uit af te leiden. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam1 die de vrouw in dat verband aanhaalt, ziet op een wezenlijk andere situatie, namelijk op overschrijding van de termijn om financiering rond te krijgen waarbij niet was gebleken van enige inspanning om daaraan te voldoen. Het gevolg daarvan was dat partijen de volgende fase van het spoorboekje moesten inzetten, te weten verkoop aan een derde. In het onderhavige geval is de taxatie slechts een tussenstap waarna de vrouw twee maanden de tijd krijgt om de financiering rond te krijgen. Dat zij de financiering voor het overnemen van de huidige hypotheek al rond heeft doet daar niet aan af. Bij overname van de hypotheek en toedeling van de woning aan haar, zal de overwaarde van de woning tussen partijen verrekend moeten worden. Juist daarvoor is een taxatie van belang, ook al bepaalt die volgens de vrouw vooral het bedrag dat de man uiteindelijk aan haar wegens overbedeling zal moeten vergoeden. De voorzieningenrechter volgt de vrouw dus niet in haar standpunt dat overschrijding van de termijn tot gevolg heeft dat taxatie niet meer behoeft te worden uitgevoerd en dat wordt teruggevallen op een taxatie van twee jaar geleden. De verwijzing van de vrouw naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland West-Brabant2 maakt dat evenmin anders. Afgezien van de vraag of een termijn bindend is, overschrijding daarvan brengt niet mee dat plotseling niet meer naar actuele waarde zou moeten worden gewaardeerd. De vordering van de vrouw in reconventie om de oude taxatiewaarde aan te houden, zal dus worden afgewezen.
In het kader van de afspraken hebben partijen de verwachting uitgesproken (zie citaat r.o. 3.7) dat de man na verrekening van de waarde van de aan hem toe te delen zaken in Marokko met de waarde van de aan de vrouw toe te delen woning in Nederland, nog een bedrag aan de vrouw moet betalen. Gelet op de termijnen die zijn afgesproken, zullen partijen daarbij rekening hebben gehouden met een taxatiedatum van de woning rond 4 februari 2026, twee maanden na de zittingsdatum. Omdat de man pas een maand na de zittingsdatum taxateurs heeft benaderd, wat hij zoals de vrouw terecht stelt eerder had kunnen doen, en deze pas op 23 januari 2026 aan de vrouw heeft voorgelegd, kan het de vrouw niet worden verweten dat taxatie niet binnen de afgesproken termijn heeft plaatsgevonden. Door echter vervolgens haar medewerking te weigeren, heeft de vrouw taxatie onmogelijk gemaakt, terwijl niet is gesteld of gebleken dat taxatie binnen enkele weken na 4 februari 2026 tot een wezenlijk andere taxatiewaarde zou hebben geleid. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de vrouw de afspraak moet nakomen en moet meewerken aan de taxatie van de woning in Nederland. Omdat de vertraging in beginsel is ontstaan door toedoen van de man, heeft de vrouw terecht betoogt dat zij van die vertraging geen nadeel mag ondervinden door tussentijdse waardestijging. Dat maakt het immers moeilijker om overname van de woning te financieren. Om die reden zal worden bepaald dat taxatie plaatsvindt per datum 1 maart 2026. In die zin, en met de hierna te vermelden dwangsom, zal de vordering van de man in conventie worden toegewezen. De overige vorderingen in conventie worden afgewezen, omdat niets er op wijst dat de vrouw geen medewerking wil verlenen aan toedeling van de woning aan haar. Van enig belang van een veroordelend vonnis voor het geval de vrouw de financiering toch niet rond zou krijgen en de woning volgens de vastgelegde afspraken verkocht moet worden is op dit moment niet gebleken.
Niet valt aan de andere kant in te zien waarom de man niet zou meewerken aan de toedeling van de woning aan de vrouw na taxatie, zodat de vordering van de vrouw in reconventie om vervangende toestemming zal worden afgewezen. Bovendien zal de vrouw na de taxatie eerst moeten nagaan of zij overname van de woning kan financieren. Het is aan beide partijen om de afspraken die begin december 2025 zijn gemaakt, nu ook echt tot uitvoering te brengen, zodat zij de onverdeeldheid die tussen hen bestaat kunnen afwikkelen.
Gelet op de weigerachtige houding van de vrouw en haar overtuiging dat zij financieel benadeeld wordt door (de uitwerking van) de afspraken, zal de voorzieningenrechter, zoals gevorderd, wel een dwangsom verbinden aan de veroordeling tot medewerken aan taxatie van de woning. De gevorderde dwangsom zal echter worden beperkt tot € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,00.
Het vorenstaande oordeel wordt niet anders door de stelling van de vrouw dat de man profiteert van de waarde waartegen hij de zaken in Marokko mag overnemen. De voorzieningenrechter licht dat hierna toe.
Taxatieproces in Marokko
De voorzieningenrechter begrijpt de stelling van de vrouw zo dat zij door de vertraging die sinds de woning in Nederland eigenlijk had moeten worden getaxeerd, van haar niet langer verwacht kan worden dat de vermogensbestanddelen in Marokko, met name de vakantiewoning in [plaats 3], tegen taxatiewaarde aan de man worden toebedeeld. Op zitting heeft zij toegelicht dat de taxatie door een taxateur die door de Marokkaanse rechtbank is benoemd, te vergelijken is met de executiewaarde in Nederland en aanzienlijk lager ligt dan de marktwaarde. De woning is getaxeerd op € 180.000, wat volgens haar niet kan kloppen omdat de woning twee jaar eerder ook voor die executiewaarde is getaxeerd, terwijl de woning is gesitueerd op een populaire (surf)plek in Marokko waar de waardes stijgen. Volgens de vrouw is ook een bod van € 250.000 gedaan en komt een taxatie die zij zelf in mei 2026 heeft laten doen uit op € 231.000. Daarnaast stelt zij dat vanwege het niet halen van de afgesproken termijnen, de man moet meewerken aan de vervolgstap te weten verkoop van de bestanddelen in Marokko.
De man stelt zich op het standpunt dat de verkoopfase aan een derde nog niet is ingetreden, omdat de woning in Nederland nog niet is getaxeerd. Daarnaast voert de man aan dat hij al het nodige heeft gedaan en dat de benodigde taxaties in Marokko zijn uitgevoerd. Alle waardes voor de financiële afrekening zijn volgens hem bekend met uitzondering van de taxatiewaarde van de woning in Nederland. De taxatie van de woning in Marokko voor € 180.000 heeft volgens afspraak en in aanwezigheid van de advocaten van partijen in Marokko plaatsgevonden en moet daarom als waarde worden gehanteerd, aldus de man.
De voorzieningenrechter heeft op zitting aangegeven dat hij meer informatie van partijen nodig heeft om zich een oordeel over het taxatieproces van de woning in Marokko te kunnen vormen, waaronder een toelichting van beide Marokkaanse advocaten op dat proces. Partijen hebben vervolgens stukken in het geding gebracht, maar niet de toelichting over en weer op de wijze waarop de taxatie van de woning in Marokko is gelopen, althans niet op zodanige wijze dat partijen zich over het stuk van de ander hebben kunnen uitlaten zoals hen op zitting was opgedragen. De voorzieningenrechter heeft daarom geen kennis genomen van de ingezonden stukken. Dat brengt mee dat de vrouw onvoldoende heeft betwist dat de taxatie van de woning in Marokko volgens de regelen der kunst en in overeenstemming met de in de beschikking neergelegde afspraken heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat van de door de Marokkaanse rechtbank aangestelde taxateur vastgestelde taxatiewaarde moet worden uitgegaan.
Het vorenstaande betekent ook dat de man terecht aanspraak maakt op nakoming van het verdelingsproces zoals dat is overeengekomen en in de beschikking vastgelegd, te weten de verkoop van de woning waarin de vrouw thans woont, indien en voor zover zou komen vast te staan dat de vrouw die woning niet kan overnemen.
Dat betekent vervolgens ook dat taxatie van de woning aan de orde is. Zoals hiervoor in 5.9 en 5.10 is overwogen heeft de vrouw ontoereikende gronden aangevoerd om daaraan niet mee te werken. Vervolgens kan de vrouw, uitgaande van die taxatiewaarde en van de waarden van de vermogensbestanddelen in Marokko en het daaruit voor haar voortkomende bedrag, nagaan of zij in staat is de overname van de woning te financieren. In dat geval is het aan de vrouw om die financiering rond te maken, uitgaande van de waarden van de overige vermogensbestanddelen zoals die dan bekend zijn.
Indien mocht blijken dat de vrouw de woning niet kan overnemen, moet deze worden verkocht. Het is daarnaast aan de man om binnen twee maanden na taxatie van de woning in Nederland, zoals afgesproken, de financiering te regelen van het bedrag dat hij mogelijk nog aan de vrouw moet betalen.
De argumenten die de vrouw in haar pleitnota over de termijnoverschrijding van de taxatie in Nederland heeft aangedragen maken een en ander niet anders. Verwezen wordt naar de overwegingen hiervoor in 5.9 en 5.10. De vrouw heeft haar stelling dat de man ook in Marokko niet tijdig heeft meegewerkt aan de handelingen die daar moesten plaatsvinden, onvoldoende onderbouwd. Weliswaar had de taxatie van de woning in Marokko voor 4 januari 2026 moeten plaatsvinden, maar partijen hadden afgesproken dat hun advocaten in Marokko zich voor de benoeming van de taxateur tot de rechtbank zouden wenden. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat het aan de man te wijten is dat dit niet tijdig is gelukt. Daarnaast geldt, als gezegd, dat overschrijding van een termijn niet meebrengt dat niet meer volgens de overeengekomen wijze van taxeren zou moeten worden gewaardeerd.
Gelet op het vorenstaande worden de vorderingen van de vrouw in reconventie ten aanzien van de vermogensbestanddelen in Marokko afgewezen.
Zorgregeling
De vrouw heeft gesteld dat het geregeld voorkomt dat de man [minderjarige] niet komt ophalen tijdens zijn zorgmomenten en de zorgregeling dus niet nakomt. De man betwist dat.
Hoewel de vrouw haar stelling niet nader heeft toegelicht, volgt uit de e-mail correspondentie waar zij naar verwijst, dat zij de man in de periode van februari tot en met juli 2026 er meerdere keren op heeft gewezen dat hij [minderjarige] in weekenden of vakantieperiodes niet (op tijd) is komen ophalen. Er volgt niet uit dat dit enkel was ingegeven door de wens van [minderjarige]. De man heeft eerder aangegeven flexibel met de regeling om te willen gaan en de wens van [minderjarige] leidend te laten zijn, maar de rechtbank heeft daarop aangegeven dat enige flexibiliteit goed is, maar de vastgestelde regeling in beginsel leidend dient te zijn. De man heeft zich daar dus ook naar te gedragen.
De voorzieningenrechter geeft de man dit mee, maar acht – mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] – de emailcorrespondentie alleen onvoldoende om een veroordeling tot nakoming van de zorgregeling uit te spreken, laat staan om daar een dwangsom aan te verbinden. De vordering van de vrouw in reconventie tot nakoming van de zorgregeling wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten, zowel in conventie als reconventie, tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beslissing
in conventie
De voorzieningenrechter
veroordeelt de vrouw tot medewerking aan de gemaakte afspraken over de taxatie van de woning aan de [adres] te [plaats 2] zoals vastgelegd in de beschikking van 26 januari 2026 van deze rechtbank met dien verstande dat de taxatie dient plaats te vinden per taxatiedatum 1 maart 2026,
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van de vrouw af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026. |
||
1621