RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1687
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar
(gemachtigden: mr. B. Schellingerhout en mr. J.H. Moraal).
Inleiding
1. Eisers hebben op 20 september 2025 een omgevingsvergunning gevraagd voor het realiseren van een bed & breakfast in hun appartement aan de [adres] (hierna: het appartement) in [plaats] .
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 november 2025 geweigerd.
Met het bestreden besluit van 23 februari 2026 op het bezwaar van eisers is het college bij de weigering van de aanvraag gebleven.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres [eiseres] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
Het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht
2. Alvorens in te gaan op de inhoudelijke standpunten aangaande het bestemmingsplan en de mogelijke uitzonderingen daarop, overweegt de rechtbank het volgende over twee andere door eisers aangevoerde beroepsgronden. Eiseres stellen dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. In hetgeen eisers daarvoor hebben aangevoerd ziet de rechtbank echter daarvoor geen grond. Het college heeft gemotiveerd betwist dat met betrekking op de door eiseres aangevoerde adressen omgevingsvergunningen zouden zijn verleend voor de exploitatie van een bed & breakfast. In het licht van deze gemotiveerde betwisting hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval zou zijn en hen daarom een beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt. Verder zou het eigendomsrecht zijn geschonden. Ook dat standpunt volgt de rechtbank niet. De wet, noch de rechtspraak bieden steun voor dit laatste standpunt. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
Het bestemmingsplan
3. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Alkmaar. Dat omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Graft en De Rijp ’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op grond van dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemmingen ‘Centrum’, ‘Waarde Archeologie-3’, ‘Waarde Cultuurhistorie’ en ‘Waterstaat-Waterkering’.
Zelfstandige woonruimte?
4. Volgens het college moet het appartement worden aangemerkt als een zelfstandige woonruimte en kan het niet worden aangemerkt als een bed & breakfast, omdat een bed & breakfast niet ondergeschikt is aan de woonfunctie, maar wordt gevestigd in een zelfstandige woning. Eisers betwisten dit, maar de rechtbank volgt eisers niet in hun betoog. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Voorop staat dat in dit geval in het bestemmingsplan een definitie is opgenomen van ‘zelfstandige woonruimte’. De rechtbank volgt het college erin dat aan die definitie wordt voldaan. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het feit dat nummer [huisnummer] eerder als zelfstandige woonruimte werd verhuurd en dat er sindsdien geen bouwkundige wijzigingen hebben plaatsgevonden en ook dat [adres] voor de WOZ als zelfstandige woonruimte wordt aangemerkt. Omdat het appartement waarvoor de omgevingsvergunning is gevraagd als een zelfstandige woonruimte moet worden aangemerkt, wordt niet voldaan aan het vereiste van ondergeschiktheid, zoals volgt uit de definitie van ‘bed & breakfast’ uit het bestemmingsplan. Een uitzondering binnen het bestemmingsplan behoort dus niet tot de mogelijkheden. Het verlenen van een omgevingsvergunning op deze gronden ligt dan niet in de rede.
Andere uitzondering?
5. De vraag is vervolgens of een omgevingsvergunning onder andere voorwaarden, buiten het bestemmingsplan, kan worden verleend. Daarvoor is van belang of sprake is van een zogeheten ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
Standpunt college
Het college vindt, en hierbij wordt een beroep gedaan op een advies van bij de gemeente werkzame economische adviseurs, dat dit niet het geval is. Op basis van een hotelmarktonderzoek van 9 november 2020 wordt namelijk geconcludeerd dat er geen behoefte is aan het toevoegen van nieuwe toeristische bedden. Verder stelt het college dat er veel waarde wordt gehecht aan het behoud van woonruimte vanwege de schaarste op de woningmarkt. Met de gevraagde activiteit wordt een goed verhuurbare woning onttrokken aan de woningmarkt. Het college heeft in de Huisvestingsverordening opgenomen dat het onwenselijk is om woningen met een WOZ-waarde tot en met € 381.000,00 aan de woningvoorraad te onttrekken en voor andere doeleinden te gebruiken. Daarbij speelt ook mee dat er in het dorp maar weinig mogelijkheden zijn voor woningbouw en dat geldt ook buiten het bestaande bebouwde gebied vanwege het regime van het Bijzonder Landschap van de provincie. Ook de precedentwerking die uitgaat van het verlenen van medewerking aan dit initiatief heeft het college meegewogen.
Hotelmarktonderzoek en advies
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het college het hotelmarktonderzoek en het daarop gebaseerde advies van de bij het college werkzame economische adviseurs om meerdere redenen niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Allereerst kan de rechtbank niet vaststellen dat de economische adviseurs beschikken over deskundigheid ten aanzien van de vraag naar toeristische bedden, nu enige onderbouwing daarvan ontbreekt. Daarnaast is van belang dat het - door een externe partij uitgevoerde - hotelmarktonderzoek betrekking heeft op een periode die loopt tot en met 2024, terwijl de onderhavige aanvraag om een omgevingsvergunning dateert van 20 september 2025. Bovendien wilden eisers pas in 2026 starten met de aangevraagde activiteit. Het college heeft niet onderbouwd waarom nu nog steeds van de conclusies van dit onderzoek kan worden uitgegaan. Tot slot heeft het college de ruimtelijke relevantie van het hotelonderzoek voor deze zaak niet onderbouwd, nu het ging om een brancheonderzoek.
Schaarste in woonruimte
Het argument van het college, ter zitting gegeven, dat de ongewenste onttrekking van een woning aan de woningvoorraad is op zichzelf beschouwd voldoende zou zijn om de weigering van de omgevingsvergunning te dragen, volgt de rechtbank ook niet.
Ten eerste volgt uit het bestreden besluit dat dit argument onderdeel uitmaakt van het door de economisch adviseurs gegeven advies. De rechtbank wijst in dit verband op wat zij over de deskundigheid van hen heeft overwogen.
Ten tweede volgt de rechtbank ook inhoudelijk dit argument niet. Naar het oordeel van de rechtbank dient het college dit argument deugdelijk te onderbouwen. Dat is nu niet het geval. Zoals het nu wordt voorgesteld door het college lijkt het woningtekortargument generiek en gemeentebreed (inclusief de bij de gemeente Alkmaar behorende dorpen) te zijn. Voor de rechtbank is, bij gebreke van enige concrete onderbouwing, niet te volgen of de door het college gestelde schaarste in woonruimte in het concrete geval ongedifferentieerd en op objectieve gegevens is gebaseerd is, dus toegepast met een specificatie naar het woningtype of segment waar het concrete bed & breakfast initiatief betrekking op heeft. In dit geval kan worden gedacht aan cijfers over het aantal woningen van het type waar de bed & breakfast in zou komen, afgezet tegen het aantal woningzoekenden voor precies dat type, actueel en specifiek voor De Rijp .
Belangenafweging
6. Verder constateert de rechtbank dat het college heeft verzuimd om alle bij het besluit betrokken belangen in kaart te brengen en tegen elkaar af te wegen.1 In die belangenafweging had het college ook aandacht moeten besteden aan het Partcipatieverslag en de daarin opgenomen mededeling van de, naar te zitting is gebleken, heer [naam] , van onder meer de VVV in De Rijp , beheerder van Raadhuis de Rijp en organisator van rondvaarten en andere toeristische activiteiten in De Rijp , dat sprake is van een groeiende vraag naar recreatieve verblijven in het dorp. Verder hebben eisers aangegeven de bed & breakfast slechts voor een beperkt aantal jaren zal worden geëxploiteerd. Het college dient ook dit aspect te betrekken bij de uit te voeren belangenafweging.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op bovenstaande overwegingen is de conclusie dat in de besluitvorming sprake is van zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
8. Om het gebrek te herstellen, dient het college alsnog alle bij het besluit betrokken belangen in kaart brengen en tegen elkaar afwegen en als het daarbij een zwaarder gewicht toekent aan het onttrekken van een woning aan de woningvoorraad, nader te onderbouwen waarom [adres] een onmisbare woning is voor de woningvoorraad binnen de Rijp .
9. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
10. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.