RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/372783 / JU RK 25-1784
Datum uitspraak: 1 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
-
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
-
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
[de pleegouders] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1 Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 3 maart 2026 en de daarin vermelde stukken;
-
de schriftelijke update van 21 augustus 2026, ontvangen op 27 augustus 2026;
-
de rapportage van Levvel van 21 augustus 2026, ontvangen op 27 augustus 2026.
Op 1 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. F. Pool (waarnemend voor mr. A.L. Witteveen);
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen is de vader niet ter zitting verschenen. De pleegouders hebben zich afgemeld voor de zitting.
2 De feiten
De moeder heeft de Franse nationaliteit. De vader en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven in het pleeggezin van de pleegouders.
Bij beschikking van 18 december 2023 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling vervolgens definitief
is uitgesproken op 12 maart 2024 en daarna steeds verlengd.
Bij beschikking van 18 december 2023 heeft de kinderrechter ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging is vervolgens steeds verlengd.
Bij beschikking van 3 maart 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor het laatst verlengd tot 12 september 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden om te toetsen of voortvarend aan de doelen wordt gewerkt. Daartoe is onder meet het volgende overwogen:
“[..] De kinderen hebben vanwege hun belaste verleden trauma sensitieve opvoeding en verdere individuele hulpverlening nodig. Verder laten zij tijdens en na de omgang met de moeder zorgelijk gedrag zien en hebben een paar dagen nodig om daarvan te herstellen. Daarnaast is het nog onduidelijk waar het opgroeiperspectief van de kinderen ligt, meer specifiek of de moeder in staat is om de zorg en opvoeding van de kinderen zelfstandig te dragen (al dan niet met hulpverlening en begeleiding). Het perspectiefonderzoek is gestopt zonder een advies over het toekomstperspectief uit te spreken. Gedurende het perspectiefonderzoek is gebleken dat de moeder zich welwillend inzet om het contact met de kinderen te onderhouden, te behouden en op een positieve manier te laten verlopen. De voorwaarden om de bezoeken tussen de moeder en de kinderen uit te breiden en een volledig perspectiefonderzoek uit te voeren, vraagt echter draagkracht van zowel de moeder als de kinderen. De conclusie is dat de veer- en draagkracht op dit moment bij de kinderen onvoldoende hiervoor is. De focus ligt eerst op traumaverwerking/-behandeling. Als traumabehandeling een positief effect heeft en de moeder haar eigen behandeling succesvol doorloopt dan wel afrondt, kan een perspectiefonderzoek opnieuw overwogen worden en kan gewerkt worden aan uitbreiding van de omgang.
Gelet op de kwetsbaarheid van de kinderen, de duur van de uithuisplaatsing (anderhalf jaar) en de vaststelling van de Raad dat de kinderen duidelijkheid moeten krijgen over waar ze mogen opgroeien, is het namelijk van groot van belang dat er voortvarend aan de doelen gewerkt wordt. Een toetsmoment halverwege is dan ook noodzakelijk, zodat kritisch wordt bekeken of voortvarend aan de doelen wordt gewerkt. [..]”
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft bij beschikking van 18 november 2024 het perspectiefbesluit van de GI van 10 oktober 2024, inhoudende dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet meer bij de ouders ligt, niet onderschreven.
3 Het (nadere) standpunt van de GI
De GI handhaaft het resterende (aangehouden) verzoek, te weten de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de resterende duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft daartoe schriftelijk en op de zitting het volgende naar voren gebracht.
De afgelopen periode is ingezet op Video Interactie Begeleiding gericht op gehechtheid (VIB-G), Sherborne Samenspel (bij het pleeggezin), traumagerichte diagnostiek en het in kaart brengen van de voorwaarden voor het starten van traumabehandeling. De kinderen laten een positieve ontwikkeling zien binnen het pleeggezin. Tegelijkertijd zijn zij nog kwetsbaar en in belangrijke mate afhankelijk van de structuur, voorspelbaarheid en co-regulatie die het pleeggezin hen biedt. Bij met name [de minderjarige 1] zijn daarbij signalen van spanning en traumabelasting zichtbaar. Het contact tussen de kinderen en de moeder ontwikkelt zich ook positief, maar vraagt nog om begeleiding en een zorgvuldig opgebouwd tempo. Verder zijn de voorwaarden voor het starten van traumabehandeling nog onvoldoende aanwezig. Uit de analyse met de Slapende Honden-methode komen barrières rondom veiligheid, duidelijkheid over hechtingsfiguren, stabiliteit en beschikbaarheid van een gezamenlijk en voldoende compleet traumaverhaal naar voren. Daarbij is van belang dat [de minderjarige 1] steeds meer in een fase komt waarin hij vragen stelt over zijn identiteit en levensverhaal. Zo vraagt hij waarom hij niet bij zijn moeder woont, waar hij vandaan komt en bij wie hij hoort. Het Words & Pictures dat momenteel door Team Hecht wordt opgesteld, kan helpen om zijn levensverhaal op een begrijpelijke en veilige manier met hem te delen. De vader is de afgelopen periode helaas niet betrokken geweest bij de kinderen en de GI krijgt geen contact met hem.
De komende periode zal gebruikt worden om de ingezette ontwikkelingen verder te bestendigen, de voorwaarden te creëren voor verdere behandeling en de noodzakelijke verdere hulpverlening in te zetten, zoals Words & Pictures en Sherborne samenspel bij de moeder. Hierbij zal voortvarend toegewerkt worden naar meer duidelijkheid over het perspectief van de kinderen.
4 Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek. Zij wil het beste voor de kinderen en zij ziet (inmiddels) in dat terugplaatsing van de kinderen binnen afzienbare tijd niet realistisch is en niet in het belang van de kinderen is. Dit inzicht en deze erkenning brengt echter heel veel verdriet met zich mee. Zij staat open voor de door de GI voorgestelde EMDR-therapie ter verwerking van de gebeurtenissen (ook van het verleden). Verder wil zij enerzijds dat de kinderen duidelijkheid krijgen over waar ze mogen opgroeien, maar vindt zij het anderzijds ook nog te vroeg om die duidelijkheid nu te geven gelet op de hulpverlening die nog gaande is dan wel ingezet zal worden. De komende periode wil zij graag een grotere rol in het leven van de kinderen, door meer omgang met hen te hebben. Zij verzoekt de GI om kritisch te kijken of, en zo ja, wanneer er een perspectiefbesluit moet worden genomen, en deze afweging samen met een gedragsdeskundige te maken. Zij hoopt uiteindelijk een zo groot mogelijke moederrol te kunnen vervullen, bijvoorbeeld in de vorm van co-ouderschap. De moeder is daarnaast een procedure gestart om eenhoofdig gezag te verkrijgen. Later deze maand vindt hierover een zitting plaats.
5 De (verdere) beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Door de omstandigheid dat moeder de Franse nationaliteit heeft en de vader en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het onderhavige verzoek. Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van rechtsmacht toe en kan de rechter een oordeel geven over dit verzoek.1
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het verzoek van toepassing is. Het Nederlands recht is op het verzoek van toepassing.2
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden is voldaan.3 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de duur van zes maanden noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.4 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd.
De kinderen hebben een belaste voorgeschiedenis. Zij kampen daardoor met traumagerelateerde problematiek en hechtingsproblematiek, waardoor zij een verzwaarde opvoed- en zorgbehoefte hebben. Het pleeggezin biedt de kinderen de stabiele en veilige opvoedsituatie die past bij deze verzwaarde opvoed- en zorgbehoefte. De kinderen profiteren zichtbaar van de geboden structuur, voorspelbaarheid en co-regulatie. De noodzakelijke traumabehandeling is echter nog niet gestart, omdat eerst nog moet worden gewerkt aan een aantal basisvoorwaarden, zoals het geven van duidelijkheid aan de kinderen over het verleden. Ook andere hulpverlening gericht op het versterken van de gehechtheidsrelatie en emotionele beschikbaarheid van de moeder richting de kinderen, moet nog worden ingezet. Daarnaast is therapie voor de moeder zelf nodig vanwege haar eigen trauma’s. Verder is het opgroeiperspectief van de kinderen op dit moment nog onduidelijk, wat leidt tot spanning en onzekerheid bij de moeder en pleegouders. Inmiddels stelt [de minderjarige 1] hier ook vragen over. Hoewel een positieve ontwikkeling zichtbaar is in het contact tussen de moeder en de kinderen, zijn de omgangsmomenten nog beperkt (eenmaal per twee weken) en daardoor onvoldoende om een perspectiefonderzoek te kunnen verrichten. Bovendien wordt niet verwacht dat er op korte termijn mogelijkheden zijn voor een wezenlijke uitbreiding van de omgang, gelet op de hulpverlening die nog lopende is en nog moet worden ingezet. Een andere zorg is dat de vader helemaal niet in beeld is, terwijl hij (nog) wel gezag heeft en daarmee in juridische zin zeggenschap heeft over belangrijke beslissingen die genomen moeten worden over de kinderen.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Regievoering van de GI blijft nodig om de ingezette hulpverlening voort te zetten, aanvullende hulpverlening in te zetten, de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen en duidelijkheid te krijgen over hun opgroeiperspectief.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en machtiging uithuisplaatsing gelet op al het voorgaande voor de resterende duur van zes maanden.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.5
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 12 maart 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 12 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Smolders als griffier, en op schrift gesteld op 11september 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.