ECLI:NL:RBNHO:2026:11017

Datum uitspraak
04-08-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
AWB - 23 _ 4034
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Douanekamer. Invoer vaartuig. utb is vernietigd. Geen procesbelang bij beoordeling van gewijzigd besluit. Beroep gegrond. Geen recht op vergoeding van integrale proceskosten. Verzoek immateriële schadevergoeding.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 23/4034

uitspraak van de enkelvoudige douanekamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. R. Vos),

en

de inspecteur van de Douane, verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of belanghebbende een belang heeft bij de beoordeling van het inmiddels gewijzigde besluit van 5 februari 2025, of belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van de integrale proceskosten en geeft de rechtbank een oordeel over een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Verweerder heeft aan belanghebbende met dagtekening 19 augustus 2022 een uitnodiging tot betaling (utb) opgelegd ten bedrage van € 28.875 aan omzetbelasting (btw) voor het in Nederland brengen van een vaartuig vanuit een derdelandsgebied.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2023 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard en de utb gehandhaafd.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 8 april 2024 meegedeeld dat gemachtigde van belanghebbende en verweerder overeenstemming hebben verkregen over het afdoen van het geschil. De uitkomst is dat verweerder de utb niet in stand zal laten.

Bij brief van 14 juni 2024 heeft belanghebbende meegedeeld het beroep niet in te trekken omdat zij verzoekt om een integrale proceskostenvergoeding. Zij verzoekt voorts om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Bij brief van 15 november 2024 heeft belanghebbende een overzicht overgelegd van de integrale proceskosten van in totaal € 13.500. Daarbij heeft belanghebbende aangegeven dat een zitting achterwege kan blijven.

Verweerder heeft hierop bij brief van 10 december 2024 gereageerd.

Belanghebbende heeft hierop bij brief van 24 december 2024 gereageerd en de rechtbank verzocht om toch een zitting in te plannen.

De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 15 januari 2025 verweerder verzocht het besluit waarbij de utb wordt ingetrokken, over te leggen.

Bij brief van 29 januari 2025 heeft verweerder het besluit van 5 februari 2025 waarbij verweerder de utb heeft vernietigd, aan de rechtbank overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026 te Haarlem.

Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door [naam 1] (adviseur) alsmede mr. [naam 2] en mr. [naam 3] , kantoorgenoten van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 4] en [naam 5] LL.M.

Overwegingen

Feiten

1. Belanghebbende koopt op 19 augustus 2021 het pleziervaartuig genaamd “ [X] ” (het vaartuig). Zij brengt vervolgens het vaartuig met een schip naar Nederland. Blijkens het formulier T2L heeft het vaartuig de douanestatus Uniegoed.

2. Op 29 september 2021 ontvangt verweerder van LSA Shipping Agencies (LSA) het bericht dat op 3 oktober 2021 het schip met daarbij het vaartuig, Nederland zal binnenkomen. Gelet op de afdracht van de btw en het beroep op de vrijstelling van terugkerende goederen verzoekt verweerder op 8 oktober 2021 aan LSA om bescheiden waaruit blijkt dat over het vaartuig binnen het fiscale gebied van de Europese Unie de btw is betaald en niet is teruggevraagd.

3. Belanghebbende heeft vervolgens diverse bescheiden overgelegd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze bescheiden niet volstaan om aan te tonen dat btw is afgedragen en niet is terugbetaald. Naar aanleiding van dit standpunt van verweerder is de utb aan belanghebbende uitgereikt.

4. In de beroepsfase heeft verweerder bij de Italiaanse autoriteiten informatie opgevraagd over de afdracht van btw over het vaartuig.

In de e-mail van 4 oktober 2023 van [naam 6] , Coördinator/Technisch coach van het Landelijk Team Jachten van het ministerie van Financiën/Douane aan verweerder staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“Verzoek naar Italië om te onderzoeken of er bescheiden zijn die aantonen dat de BTW in Italië is afgedragen heb ik dinsdagmiddag verstuurt.”

In de e-mail van 23 november 2023 van [naam 6] aan verweerder staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“Deze nog een reminder gestuurd naar twee collega’s van de “Guardia di Finanza.

Helaas nog geen reactie terug.”

Geschil5.Tussen partijen is de utb niet langer in geschil omdat verweerder in beroep de utb heeft vernietigd.

6. Tussen partijen is wel in geschil of belanghebbende recht heeft op toekenning van een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en de beroepsfase.

7. Belanghebbende voert aan dat zij recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding omdat verweerder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan door in de bezwaarfase geen navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten over de btw die op het vaartuig drukt. Als verweerder dat wel had gedaan, dan was de procedure overbodig geweest. Belanghebbende verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011.1 Daar komt bij dat verweerder in de bezwaarfase en de fase voorafgaand aan het opleggen van de utb in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld omdat zonder motivering steeds het standpunt is ingenomen dat de door belanghebbende overgelegde bewijsstukken niet voldoende zijn.

8. Verweerder voert aan dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding omdat verweerder niet in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Omdat het gaat om een begunstigende regeling, ligt de bewijslast om aan te tonen dat op terugkerende goederen omzetbelasting drukt, op belanghebbende. Ondanks dat op verweerder niet de bewijslast rustte, heeft verweerder in de beroepsfase toch navraag gedaan bij de Italiaanse autoriteiten over de afdracht van btw over het vaartuig. Dat verweerder belanghebbende in beroep te hulp is geschoten, kan uiteraard niet als in verregaande mate onzorgvuldig worden gezien, omdat dit volgens haar eerder had moeten gebeuren.

Beoordeling van het geschil

9. Verweerder heeft hangende het beroep de utb vernietigd die bij de uitspraak op bezwaar van 20 april 2023 nog gehandhaafd was. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 20 april 2023 is dus gegrond.

Procesbelang, nieuw besluit en artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

10. De utb is kwijtgescholden. In zoverre bestaat geen geschil meer tussen partijen. Het kwijtscheldingsbesluit van 5 februari 2025 wijzigt de materiële rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 20 april 2023, op grond waarvan wél btw ter zake van het vaartuig verschuldigd was. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. De rechtbank dient dus te onderzoeken of het besluit van 5 februari 2025 in het beroep dient te worden betrokken.

Bezwaar tegen de motivering van het kwijtscheldingsbesluit

11. Belanghebbende stelt dat zij belang heeft bij de beoordeling van het besluit van

5 februari 2025 omdat de motivering van dit besluit slechts rust op waardering door verweerder van proceskansen in beroep, terwijl belanghebbende, in het kader van een eventuele toekomstige verkoop van het vaartuig, zekerheid wil hebben of verweerder van opvatting is dat, zoals belanghebbende betoogt, al btw is betaald voor het vaartuig.

Op het vaartuig drukt btw 12. Thans is tussen partijen niet meer in geschil of de btw voor het vaartuig is betaald. Ter zitting heeft verweerder namelijk meegedeeld dat uit de informatie die is verkregen van de Italiaanse douaneautoriteiten blijkt dat in 1998 een bedrag van 300 miljoen lire aan btw verschuldigd was en dat verweerder ervan uitgaat, de verschuldigde btw voor het vaartuig is voldaan en dat er dus btw op het vaartuig drukt. Dit is de door belanghebbende gewenste vaststelling door verweerder en ook het enige punt waar belanghebbende klachten over had. Ter zitting heeft verweerder ingestemd met het voorstel om het standpunt van verweerder dat btw drukt op het vaartuig, in de beschikking op te nemen. Nu partijen het erover eens zijn dat btw drukt op het vaartuig, heeft belanghebbende geen belang meer bij een nadere beoordeling van de motivering van het besluit van 5 februari 2025.

13. Dat de motivering van het besluit in de loop van de procedure is aangevuld, zal de rechtbank passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Weliswaar is belanghebbende verdergegaan met procederen (zij heeft haar beroep niet ingetrokken omdat zij de motivering van het besluit van 5 februari 2025 ondeugdelijk vond) maar de rechtbank acht niet aannemelijk dat zij daardoor in haar belang is geschaad omdat het besluit van 5 februari 2025 in de al aanhangige beroepsprocedure betrokken is. De uiteindelijke (lange) duur van de procedure wordt betrokken in de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade.

Slotsom

14. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 20 april 2023 gegrond is (zie overweging 9). De uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd. Het besluit van 5 februari 2025 kan, ondanks aanvulling van de motivering, in stand blijven met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Over vergoeding van de proceskosten oordeelt de rechtbank hierna.

Proceskosten

15. Nu het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 20 april 2023 gegrond is en de motivering van het besluit van 5 februari 2025 in de beroepsfase is aangevuld, welke aanpassing wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, komt belanghebbende in aanmerking voor een proceskostenvergoeding.

De rechtbank overweegt dat de hoogte van de kostenvergoeding in beginsel wordt bepaald met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb is van toepassing.

16. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit kan in bijzondere omstandigheden bij een veroordeling in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een van de in de bijlagen bij het Besluit opgenomen forfaitaire tarief afwijkende vergoeding worden vastgesteld. Daarvoor is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking neemt of een uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden.2 Daarnaast kan ook in andere gevallen aanleiding bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit. Een dergelijke situatie kan zich voordoen indien verweerder bij het opleggen van een naheffingsaanslag in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.3 Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763) gaat het daarbij om uitzonderlijke gevallen, waarbij strikte toepassing van de hoofdregeling onrechtvaardig uitpakt.

17. Op grond van artikel 7:26, tweede lid van de Algemene douaneregeling, wordt vrijstelling van omzetbelasting voor terugkerende goederen slechts verleend, indien wordt aangetoond dat op terugkerende goederen omzetbelasting drukt. De bewijslast dat aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan, rust dus op belanghebbende. Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raad van 4 februari 20114, verschilt met de casus van belanghebbende omdat in dat arrest een navorderingsaanslag in geschil was, en niet, zoals in de casus van belanghebbende, een onderbouwing van een verzoek om vrijstelling. Bij een navorderingsaanslag rust de bewijslast op verweerder.

18. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder verregaand onredelijke eisen heeft gesteld aan het overleggen van bewijs. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat in dit soort zaken standaard wordt gevraagd naar een btw-verklaring waaruit blijkt dat over het vaartuig btw is betaald, of de originele aankoopfactuur waar het btw-bedrag op staat vermeld. Deze stukken zijn naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek geschikt als bewijs dat op het vaartuig btw rust. De aard van deze stukken is zodanig dat aangenomen mag worden dat een eigenaar dergelijke stukken goed zal bewaren. Dat deze documenten niet meer beschikbaar zijn, ligt in de risicosfeer van belanghebbende.

19. Verweerder was niet gehouden bij de Italiaanse douaneautoriteiten navraag te doen naar de btw-status van het vaartuig omdat de bewijslast niet op verweerder rust. Verweerder heeft echter wel navraag gedaan, zoals volgt uit de stukken van bijlage 18 van het verweerschrift. Uit een e-mail van woensdag 4 oktober 2023 van het Landelijk Team Jachten van de Douane aan verweerder blijkt dat het Landelijk Team Jachten een dag eerder aan de Italiaanse autoriteiten heeft verzocht te onderzoeken of er bescheiden zijn die aantonen dat de btw in Italië is afgedragen. Uit de e-mail van 23 november 2023 van het Landelijk Team Jachten aan verweerder blijkt dat er een reminder is gestuurd naar de Italiaanse autoriteiten. Ook zijn nog nadere contacten geweest. Dat verweerder zich deze inspanningen heeft getroost in de beroepsfase en niet eerder, betekent niet dat verweerder in verregaande mate onzorgvuldig gehandeld.

20. Belanghebbende voert aan dat in de bezwaarfase en de fase voorafgaand aan het opleggen van de utb in verregaande mate onzorgvuldig is gehandeld door het Landelijk Team Jachten dan wel de bezwaarbehandelaar omdat zonder motivering steeds het standpunt is ingenomen dat de bewijsstukken niet voldoende zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van verregaand onzorgvuldig handelen. Voor belanghebbende was immers duidelijk welke stukken er werden gevraagd door verweerder om aan te tonen dat op het vaartuig btw rust. Dat om deze stukken werd gevraagd, is niet in verregaande mate onredelijk (zie overweging 18).

21. Voor zover belanghebbende zou menen dat het in verregaande mate onzorgvuldig is dat verweerder pas tijdens de zitting het standpunt heeft ingenomen dat verweerder ervan uitgaat dat voor het vaartuig btw is betaald, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Verweerder heeft, zonder daartoe gehouden te zijn, in de beroepsfase navraag gedaan bij de Italiaanse autoriteiten en heeft vervolgens de eigen beroepskansen ingeschat. Een dergelijke inschatting is aan verweerder. Verweerder had zich weliswaar eerder dan op de zitting uit kunnen laat over de materiële kant van het geschil, namelijk of er omzetbelasting rust op het vaartuig of niet, maar dat verweerder ter zitting daarover een standpunt inneemt, is niet in verregaande mate onzorgvuldig.

22. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de door belanghebbende gevraagde afwijkende (hogere) veroordeling in de kosten.

De rechtbank stelt de proceskosten daarom op basis van het forfait op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Immateriële schadevergoeding

23. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

24. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 20165 wordt indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.

25. De duur van de redelijke termijn in eerste aanleg (de bezwaarfase inbegrepen) is in beginsel twee jaar. Belanghebbende heeft op 26 augustus 2022 een bezwaarschrift ingediend. De behandeling in eerste aanleg eindigt volgens vaste jurisprudentie met de uitspraak van de rechtbank. Deze is op 4 augustus 2026 uitgesproken. De totale duur van de procedure in eerste aanleg is dan 48 maanden geweest. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn met 24 maanden. Daarmee zou een schadevergoeding corresponderen van (afgerond) € 2.000 (4 maal € 500).

26. Er zijn echter bijzondere omstandigheden op grond waarvan de rechtbank niet voor de gehele duur van 24 maanden een vergoeding van immateriële schade toekent.

Uit de aard van de vergoeding van immateriële schade vanwege de duur van de procedure vloeit voort dat op het moment dat tegemoet wordt gekomen, geen spanning en frustratie vanwege de duur van de procedure meer kan worden aangenomen6. In dit geval heeft verweerder bij brief van 8 april 2024 aangegeven dat hij de utb niet in stand zal laten. Echter omdat verweerder nog geen officieel besluit hierover had genomen en belanghebbende het beroep niet heeft ingetrokken omdat op punten nog werd gediscussieerd tussen verweerder en belanghebbende, gaat de rechtbank ervan uit dat nog geen einde was gekomen aan de spanning en frustratie bij belanghebbende. Daarvan was wel sprake op 5 februari 2025 omdat verweerder toen een besluit heeft genomen om de utb niet in stand te laten. De voor het toekennen van vergoeding van immateriële schade in aanmerking te nemen periode, loopt niet door als de rechter nog moet beslissen over proceskosten of het verzoek om vergoeding van immateriële schade7.

Omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn zou moeten worden verlengd, zijn niet gebleken.

27. De totale duur van de procedure in eerste aanleg is dan 30 maanden geweest. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn met 6 maanden (30 – 24). Daarmee correspondeert een schadevergoeding van (afgerond) € 500 (1 maal € 500). De termijnoverschrijding van 6 maanden is voor (afgerond) 2 maanden aan de bezwaarfase toe te rekenen en voor het overige aan de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid). Van het bedrag van € 500 dient verweerder dus (2/6 x € 500 =) € 167 en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) (4/6 x € 500 =) € 333 te betalen.

28. Op grond van het hiervoor onder 24 genoemde arrest van de Hoge Raad (r.o. 3.4.6) dient de rechtbank binnen een jaar na de datum waarom de spanning en frustratie is geëindigd, uitspraak te doen. In dit geval is dit binnen een jaar na 5 februari 2025. Nu de rechtbank op 4 augustus 2026 uitspraak doet, is die termijn met (afgerond) zes maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van € 500. Deze is geheel toe te rekenen aan de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).

29. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 167 en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 833.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 april 2023 gegrond;

- vernietigt deze uitspraak op bezwaar;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 februari 2025 ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 3.200;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toe te rekenen immateriële schade van € 167;

- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toe te rekenen immateriële schade van € 833;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »