ECLI:NL:RBNHO:2026:11000

Datum uitspraak
21-08-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
HAA 26/1509
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BPM naheffingsaanslag; taxatierapport van belanghebbende is bruikbaar; niet méér ‘meer dan normale gebruiksschade’ aannemelijk gemaakt dan reeds door verweerder geaccepteerd; geen waardevermindering wegens ‘geen oordeel km-stand’ of verhuurverleden; beroep op vertrouwensbeginsel (wegens onjuiste tekst u.o.b.) faalt; forfaitair waardeverminderingspercentage van 31% van de herstelkosten is niet in strijd met artikel 110 VWEU (tegenbewijsregeling is niet illusoir); geen schending artikel 110 VWEU want niet aannemelijk dat de referentieauto gelijksoortig is; afschrijving terecht berekend volgens tabel; beroep ongegrond, toekenning IMSV; bijzonder geval voor PKV aannemelijk gemaakt; geen vergoeding griffierecht.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/1509

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: R.M.T.C. van Maarssen-Bolsenbroek),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 2 augustus 2024 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ter hoogte van € 6.122.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende zijn verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en mr. [naam 3] .

Overwegingen

Feiten

1. Belanghebbende handelt in auto’s. Zij heeft op 26 maart 2024 aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie in het Nederlands kentekenregister van een personenauto van het merk [merknaam] en type [type 1] (hierna: het voertuig). Het voertuig stond eerder in Denemarken geregistreerd. De datum eerste toelating van het voertuig is 7 september 2020.

2. Tot de gedingstukken behoort de inkoopfactuur van het voertuig van 14 februari 2024, waaruit volgt dat belanghebbende het voertuig in Denemarken heeft gekocht voor € 27.087.

3. Op 18 maart 2024 is het voertuig voor keuring bij de Rijksdienst voor Wegverkeer (hierna: RDW) geweest. De kilometerstand was op dat moment 91.707 km.

4. Belanghebbende heeft het voertuig als gebruikt in de zin van artikel 10 van de Wet BPM aangemerkt en daarom de verschuldigde BPM berekend met inachtneming van een vermindering. Het te betalen bedrag aan BPM bedraagt volgens de aangifte € 9.928 en is door belanghebbende op 26 april 2024 voldaan.

5. In haar aangifte BPM vermeldt belanghebbende onder meer een historische nieuwprijs van het voertuig van € 91.880, een netto-catalogusprijs inclusief accessoires en opties van € 52.964, een handelsinkoopwaarde van het voertuig in onbeschadigde staat van € 49.353, een bedrag aan schade van € 17.852 (met een waardeverminderingspercentage van 100%), een overig waardeverminderingsbedrag van € 7.301, bestaande uit een correctie van € 3.701 vanwege het huurverleden en een correctie van € 3.600 wegens ‘geen oordeel km-stand’ en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 24.200. De waardebepaling is gebaseerd op een waarderapport met dagtekening 18 maart 2024 dat is opgesteld door [taxateur] , als taxateur verbonden aan [taxatiebedrijf] B.V. te [gemeente] , die op 12 maart 2024 tussen 10.50 uur en 11.10 uur een fysieke opname heeft gedaan van het voertuig. De kilometerstand was op dat moment 91.707 km.

6. De aangifte BPM van het voertuig is door verweerder geselecteerd voor een nader onderzoek. Het voertuig is op 16 april 2024 gecontroleerd door een medewerker van het Domein Roerende Zaken (DRZ). Hiervan is met dagtekening 17 april 2024 een rapport opgemaakt, waarin een consumentenprijs van het voertuig is vermeld van € 72.591 inclusief accessoires en opties, een netto-catalogusprijs inclusief accessoires en opties van € 39.145, een CO₂-uitstoot van 218 gr/km op basis van WLTP, een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 36.978, en een bruto schadecalculatie van € 513 die voor 31% in aanmerking is genomen en leidt tot een waardevermindering van € 159. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 36.819. De kilometerstand was op dat moment 91.770 km.

7. Op basis van de door DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde in beschadigde staat heeft verweerder de verschuldigde BPM berekend op € 16.314. De volgens de forfaitaire tabel verschuldigde BPM bedraagt € 16.050. De tabel is toegepast omdat dit voordeliger is voor belanghebbende. Het verschil van € 6.122 met het aangegeven bedrag aan BPM (€ 9.928) is bij belanghebbende nageheven.

8. In de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2024 is onder meer het volgende opgenomen:

“Met u ben ik van mening dat de door DRZ gehanteerde HNP inderdaad niet de juiste is. In de naheffing is daarom niet van het door DRZ gehanteerde HNP uitgegaan. De HNP in de naheffing is – ten opzichte van de gegevens van het DRZ rapport – herrekend:

- Netto catalogusprijs: € 39.145

- Btw 21%: € 8.221

- Bruto bpm: € 37.695

- Herrekende HNP: € 85.061

Zoals te zien is de HNP in de naheffing inderdaad drastisch verhoogd t.o.v. de door

DRZ gehanteerde HNP. Het verschilt daarentegen van de door belanghebbendes

taxateur vermelde HNP: het verschil zit m.n. in de netto catalogusprijs. Daar waar

de taxateur uitgaat van een netto catalogusprijs ad. € 50.799 (incl. opties € 52.964) wordt in de naheffing uitgegaan van een netto catalogusprijs ad. € 39.145. Het bruto bpm bedrag is € 37.695, conform de aangifte en belanghebbendes taxatierapport. Er dient dus geen correctie m.b.t. de CO2 uitstoot plaats te vinden, in de naheffing is reeds uitgegaan van de door u bedoelde jurisprudentie. […]

Ten overvloede wijs ik er op dat het inmiddels vaste jurisprudentie is van de Hoge Raad dat het aan u is om de juiste gegevens aan te dragen om de door u verdedigde waarde

aannemelijk te maken en dat de stelplicht en de bewijslast voor een vermindering van de bpm op u rust. Zie daarvoor de arresten van de Hoge Raad met ECLI:NL:HR:2016:421, rechtsoverweging 2.4.3. en ECLI:NL:HR:2022:640, rechtsoverweging 3.2.2. Deze bewijslastverdeling geldt voor alle elementen, dus ook voor deverwerking van de gecalculeerde herstelkosten van de schade in de handelsinkoopwaarde.

Een ander punt is het volgende: de door de taxateur vastgestelde HIW van € 24.200 (inclusief BTW en bpm) in beschadigde staat wijkt behoorlijk af met het betaalde bedrag bij aankoop. Zo is bij de aankoop van het motorrijtuig € 42.703 (inclusief BTW en bpm) betaald en zou er nog voor € 17.852 aan schadeherstel benodigd zijn. Dit maakt de gehanteerde HIW in het taxatierapport niet aannemelijk.

Uw beroep op de korting vanwege ex-rental treft daarentegen wel doel. Dit op basis van het arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2023:1499 d.d. 17-11-2023. De waardevermindering op de HIW ad. € 3.701 wordt geaccepteerd. […]

Uitspraak op uw bezwaar

Gelet op vorenstaande verklaar ik uw bewaar ongegrond. De naheffingsaanslag blijft in stand. De uitstel van betaling die aan belanghebbende is verleend wordt ingetrokken.

Proceskostenvergoeding

In uw bezwaarschrift verzoekt u om een vergoeding van de kosten die u heeft moeten maken inzake de behandeling van dit bezwaar. Op grond van artikel 7:15, tweede lid Awb worden de proceskosten die u heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar, uitsluitend vergoed op uw verzoek voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Gelet op het feit dat het besluit niet zal worden herroepen, komt u niet in aanmerking voor de vergoeding op grond van het

Besluit proceskosten bestuursrecht.”

Geschil

9. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.

10. Belanghebbende vindt dat ten onrechte is nageheven en verwijst daartoe naar het door haar overgelegde taxatierapport. Volgens belanghebbende dient rekening gehouden te worden met de volgende waardedrukkende aspecten: de door de taxateur van belanghebbende geconstateerde meer dan normale gebruiksschade, waaronder de afwezigheid van een Nederlandstalig boekenpakket, het ontbreken van een oordeel van de RDW ten aanzien van de kilometerstand, het verhuurverleden en de begrote herstelkosten.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade ter zake van overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van het geschil en veroordeling van verweerder in de proceskosten en het griffierecht.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en heeft alle standpunten van belanghebbende weersproken. Daarbij stelt verweerder zich primair op het standpunt dat de afschrijving op de waarde van het voertuig niet kan worden bepaald aan de hand van het taxatierapport van belanghebbende, omdat deze onbetrouwbaar is. Verder stelt verweerder dat belanghebbende schadeposten ten onrechte en voor te hoge bedragen in aanmerking heeft genomen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

12. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

13. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet bpm 1992) wordt het bedrag aan belasting voor gebruikte personenauto’s berekend met inachtneming van een vermindering.

14. Artikel 10, tweede lid, van de Wet bpm 1992 bepaalt dat deze vermindering de afschrijving is, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie manieren waaruit kan worden gekozen om de reële waardedaling van een gebruikt motorvoertuig als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet bpm 1992 aannemelijk te maken.

15. Op grond van artikel 10, achtste lid, van de Wet bpm 1992 in samenhang gelezen met artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling) kan de opgaaf van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van die waardedaling, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet bpm 1992, bestaan uit (1) een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, of (2) uit een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige niet gebruikmaakt van een van de hiervoor bedoelde opgaven wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de (3) in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling voorziene afschrijvingstabel (zie HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, rechtsoverweging 3.2.2).

16. Bij de waardering van een gebruikt voertuig voor de heffing van BPM wordt uitsluitend rekening gehouden met schade die normale gebruiksschade te boven gaat. Normale gebruiksschade is in artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet bpm 1992 gedefinieerd als ‘slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig.’

Handelsinkoopwaarde en historische nieuwprijs

17. Ter zitting hebben partijen verklaard dat zij uitgaan van een handelsinkoopwaarde van het voertuig in onbeschadigde staat van € 36.978 en een historische nieuwprijs van € 85.061. De rechtbank ziet geen reden om anders te oordelen en volgt partijen hierin. Het bedrag van de in aanmerking genomen bruto BPM ten bedrage van € 37.695 is evenmin in geschil. Dat betekent dat uitsluitend de hoogte van de waardeverminderingen (waaronder die door meer dan normale gebruiksschade) in geschil zijn.

Bruikbaarheid taxatierapporten

18. Verweerder stelt dat het taxatierapport van belanghebbende niet bruikbaar is omdat daaraan formele en materiële gebreken kleven en het daardoor niet aan de wettelijke eisen voldoet. Daarbij wijst verweerder erop dat de fysieke opname voor het uitvoeren van de taxatie heeft plaatsvonden in een tijdsbestek van twintig minuten, en dat is volgens verweerder te kort voor een gedegen fysieke opname van het gehele voertuig, vooral nu er ook nog 145 foto’s van het voertuig zijn gemaakt en krijtstrepen zijn gezet om de schade te markeren.

19. De rechtbank overweegt dat de wettelijke eisen waaraan een taxatierapport moet voldoen te vinden zijn in artikel 8, lid 4, en in bijlage I van de Uitvoeringsregeling). Voor zover hierin objectieve concrete normen zijn gesteld, voldoet het taxatierapport van belanghebbende daaraan. Verweerder stelt dat de fysieke opname van het voertuig door de taxateur van belanghebbende binnen een te kort tijdsbestek plaatsvond, maar laat daarbij na aan te geven wat hij als gebruikelijke duur en minimale duur van een dergelijke opname beschouwt. Daarnaast gaat verweerder er zonder nadere onderbouwing van uit dat het de taxateur was die de schade aan het voertuig met krijtstrepen heeft gemarkeerd. Het is denkbaar dat het de belanghebbende was die zijn taxateur met krijtstrepen heeft willen wijzen op schade aan het voertuig. Daarnaast acht de rechtbank het aannemelijk dat een deel van de werkzaamheden van de taxateur, zoals het uitwerken van het rapport, op kantoor zijn verricht en geen onderdeel uitmaken van de twintig minuten die zijn besteed aan de fysieke opname. Ook is het mogelijk dat de foto’s niet tijdens de fysieke opname zijn gemaakt. Het feit dat verweerder het niet eens is met de in het taxatierapport in aanmerking genomen schade maakt het taxatierapport niet onbruikbaar. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder aangevoerde argumenten onvoldoende zijn om het taxatierapport van belanghebbende geheel terzijde te schuiven.

Meer dan normale gebruiksschade

20. Op belanghebbende rust het bewijsrisico ter zake van feiten en omstandigheden die de waarde van het voertuig verminderen. Belanghebbende heeft bij het doen van aangifte voor het vaststellen van de afschrijving gebruik gemaakt van een taxatierapport, waarin onder meer een bedrag aan schade van € 17.852 wordt gerapporteerd.

21. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de foto’s van DRZ en de bevindingen die zijn vastgelegd in het rapport van DRZ, de door belanghebbende gestelde schade weersproken en naar voren gebracht dat de in aanmerking te nemen herstelkosten niet meer dan € 513 bedragen. Veel van de door belanghebbende in het taxatierapport opgegeven schadeposten zijn niet aangetroffen of kunnen als normale gebruikssporen worden aangemerkt, aldus verweerder.

22. In tegenstelling tot wat belanghebbende meent, kan het betoog van verweerder naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een gemotiveerde betwisting van de door belanghebbende gestelde schade. In dat geval is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de herstelkosten hoger zijn dan het bedrag van € 513 dat reeds door verweerder is geaccepteerd (zie het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, rechtsoverweging 3.2.6).

23. Belanghebbende stelt dat overduidelijk te zien is op de foto’s bij haar taxatierapport dat er meer schades aanwezig zijn die niet kwalificeren als normale gebruikssporen. Belanghebbende wijst erop dat er onder meer schade is aan de carrosserie en diverse interieurdelen, zo zijn de wielen, wieldoppen en banden in slechte staat. Belanghebbende voert daarbij aan dat het voertuig onderdeel uitmaakt van het luxe segment, waarbinnen auto’s alleen verkoopbaar zijn als zij zich in een nagenoeg vlekkeloze toestand bevinden en dat de geconstateerde schade dus anders moet worden gewogen.

24. De rechtbank acht de door belanghebbende gestelde schade niet aannemelijk. Op de foto’s bij het taxatierapport is de gestelde schade veelal niet te zien. Voorts is aannemelijk dat de schade die wel zichtbaar is op de foto’s bij het taxatierapport van belanghebbende en op de foto’s van DRZ niet meer dan normale gebruikssporen betreffen. Het gaat om sporen die normaal te verwachten zijn van een tweedehands voertuig van drie en een half jaar oud dat meer dan 50.000 kilometer heeft gereden. Er is geen sprake van een dermate exclusieve auto waarbij minder snel sprake zou zijn van normale gebruiksschade. Het taxatierapport biedt onvoldoende aanknopingspunten om de gestelde schade in aanmerking te nemen. De rechtbank volgt verweerder in de door hem in aanmerking genomen schadeherstelkosten.

25. De rechtbank volgt belanghebbende evenmin in haar stelling dat het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket een waardevermindering van € 85 wegens schade tot gevolg heeft. Zoals verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft aangevoerd, is het ontbreken van een fysiek instructieboekje, als hiervan al een waardeverminderende werking uitgaat, te verwaarlozen. Voorts is de informatie digitaal of online beschikbaar. Daarnaast heeft verweerder onweersproken gesteld dat het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket een factor is die is verdisconteerd in de koerslijsten. Aangenomen kan worden dat de transacties waarop de koerslijstwaarde is gebaseerd eveneens auto’s betreffen waarbij door de fabrikant geen instructieboekje is meegeleverd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk dat het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket een waardevermindering oplevert.

26. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van de auto sprake is van meer schade dan waarmee verweerder bij de berekening van de naheffingsaanslag reeds rekening heeft gehouden. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat uit de inkoopfactuur volgt dat het voertuig door belanghebbende is gekocht voor een bedrag van € 27.087 en dat inclusief BPM een bedrag van € 37.015 voor de auto is betaald, terwijl de taxateur van belanghebbende aangeeft dat de auto maar € 24.200 (inclusief BPM en schade) waard is, hetgeen een indicatie is dat de taxateur van belanghebbende bij de waardering een te hoog bedrag aan schade heeft getaxeerd en dat de door verweerder in aanmerking genomen herstelkosten berusten op een realistische inschatting.

Overige waardeverminderingen

Geen oordeel over kilometerstand

27. Belanghebbende stelt dat het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand als zodanig een waardedrukkende factor is. Belanghebbende stelt expliciet niet dat er sprake is van fraude met de kilometerteller, maar dat de onzekerheid daarover de verhandelbaarheid van het voertuig vermindert en dat dit gegeven op zichzelf dus van negatieve invloed is op de waarde van het voertuig. In dit geval is het voertuig daardoor € 3.600 minder waard, aldus belanghebbende.

28. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar betoog. Van een waardevermindering vanwege de mogelijkheid van tellerstandfraude kan slechts worden uitgegaan als er met betrekking tot het specifieke voertuig concrete aanwijzingen zijn die wijzen in de richting van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1905, rechtsoverweging 5.3 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 november 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3649, rechtsoverweging 4.10). Niet in geschil is dat daarvan in dit geval geen sprake is. Door middel van enige inspanning van de koper of diens taxateur kan onzekerheid over de (on)juistheid van de kilometerstand worden weggenomen. De enkele onzekerheid over de kilometerstand van buitenlandse auto’s, en het door belanghebbende gestelde stigma dat daaraan kleeft, heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom niet als zodanig een waardedrukkend effect. Er is in dat opzicht ook geen sprake van met EU-recht strijdige discriminatie. Artikel 110 VWEU biedt bescherming tegen discriminerende geldelijke lasten die voortvloeien uit een algemeen systeem van binnenlandse belastingen. De onzekerheid over of vrees voor naheffing is niet zo'n geldelijke last (vgl. HR 17 juli 2026, ECLI: NL: HR:2026: 1244, rechtsoverweging 4.4.3). Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de door belanghebbende gestelde onzekerheid over de (on)juistheid van de kilometerstand en het door haar genoemde stigma dat op buitenlandse auto’s zou rusten.

Verhuurverleden (en vertrouwensbeginsel)

29. Belanghebbende stelt dat een waardevermindering van € 3.701 in aanmerking moet worden genomen omdat het voertuig voor de verhuur is gebruikt. Volgens verweerder heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een huurverleden en in hoeverre dat leidt tot waardevermindering.

30. De rechtbank overweegt dat een verhuurverleden van invloed kan zijn op de waarde van een auto, maar dat een verhuurverleden niet zonder meer een waardevermindering meebrengt. Of sprake is van een waardevermindering wegens een verhuurverleden zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een verhuurverleden. De ter zitting gegeven verklaring – dat belanghebbende de auto heeft gekocht van [bedrijf 1] , dat volgens belanghebbende een agent is van [bedrijf 2] – is daartoe onvoldoende. Ook is niet aannemelijk dat sprake is van meer schade dan verweerder in aanmerking heeft genomen. In dat verband verwijst de rechtbank op hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van de (normale gebruiks)schade.

31. Belanghebbende beroept zich subsidiair op het vertrouwensbeginsel, gelet op de tekst van de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2024 (zie hierboven onder 8). Volgens verweerder is in de overwegingen van de uitspraak op bezwaar per abuis een verkeerde zinssnede opgenomen, maar zijn daaraan terecht geen gevolgen verbonden, zodat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard.

32. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet sprake zijn van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging of mededeling aan de belanghebbende door de bevoegde autoriteit. Onder omstandigheden kan ook de indruk van een bewuste standpuntbepaling zijn ontstaan en kan dit een te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel opleveren. De rechtbank overweegt dat de motivering en het dictum van de uitspraak op bezwaar innerlijke tegenstrijdigheden bevatten. In zoverre kan er niet worden gezegd dat er aan belanghebbende een ondubbelzinnige of ongeclausuleerde toezegging is gedaan door verweerder. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin de indruk zijn ontstaan dat verweerder belanghebbende op genoemd punt tegemoet heeft willen komen. De rechtbank kent in dit geval meer gewicht toe aan het dictum van de uitspraak op bezwaar en oordeelt dat belanghebbende dit ook zo heeft moeten begrijpen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat, indien er een waardevermindering in aanmerking zou zijn genomen vanwege het huurverleden van het voertuig, de naheffing volgens de afschrijvingstabel niet de voor belanghebbende meest gunstige methode zou zijn geweest en de naheffingsaanslag zou zijn verminderd. Daaruit leidt de rechtbank af dat verweerder, zoals hij heeft gesteld, in tegenstelling tot wat er in de motivering van de uitspraak op bezwaar is opgenomen, niet de bedoeling heeft gehad om een dergelijke waardevermindering in aanmerking te nemen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve niet.

Waardeverminderingspercentage begrote herstelkosten

33. Belanghebbende meent dat de geraamde herstelkosten voor 100% in aanmerking moeten worden genomen. De norm die volgt uit onderdeel 3.5. van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling, dat herstelkosten maar voor 31% meetellen, zorgt volgens belanghebbende voor een structurele overwaardering van importvoertuigen. Volgens belanghebbende is het percentage van 31 gebaseerd op onjuiste onderzoeksdata en foutieve aannames. Meer specifiek heeft belanghebbende aangevoerd dat de mediaan van 31% niet representatief is, omdat het onderzoek is gebaseerd op data van voertuigen die economisch total loss zijn en dat zulke voertuigen niet of zelden worden geïmporteerd, omdat die niet door de keuring van de RDW komen.

34. Voorts is belanghebbende van mening dat de tegenbewijsregeling onrealistisch is en in de praktijk niet haalbaar. Hoewel er weliswaar een mogelijkheid bestaat om een hoger percentage toe te passen, namelijk als de getaxeerde waarde van het voertuig hoger is dan de inkoopprijs van het voertuig inclusief BPM, is die tegenbewijsmogelijkheid in feite illusoir. Het resultaat van een taxatie voor de BPM is immers volgens belanghebbende niet bedoeld om de inkoopprijs te weerspiegelen en de inkoopprijs is in dit kader derhalve ook niet relevant. Bovendien worden taxateurs in hun werk belemmerd omdat zij het tegenbewijs niet mogen onderbouwen met belangrijke factoren namelijk het autosegment, de leeftijd van het voertuig of het aantal gereden kilometers. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de 31%-regeling buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met artikel 110 van het VWEU.

35. De rechtbank overweegt als volgt. Genoemd onderdeel 3.5. van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling, luidt als volgt:

“De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar inclusief de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.”

36. De rechtbank stelt voorop dat niet iedere euro aan begrote herstelkosten eenzelfde waardevermindering impliceert. Aangenomen moet worden dat herstelkosten slechts ten dele tot een in aanmerking te nemen waardevermindering leiden. De totstandkoming van de huidige 31%-regeling is uitgebreid toegelicht en is gebaseerd op onafhankelijke onderzoek van het onderzoeksbureau VMS | Insight (Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2022 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen (Eindejaarsregeling 2022), 2 december 2022, Stcrt. 2022, 33377, Nota van Toelichting onderdeel 2.10 en artikelsgewijze toelichting, Artikel XIV, onderdeel E). Uit dat onderzoek volgt dat met het waardeverminderingspercentage van 31 van de getaxeerde herstelkosten in de helft van de waarnemingen recht wordt gedaan aan de waardevermindering als gevolg van schade. De besluitgever heeft blijkens genoemde Nota van Toelichting bewust aansluiting gezocht bij deze mediaan door een waardevermindering van 31% als uitgangspunt te nemen. Het gekozen forfaitaire percentage sluit aldus aan op de werkelijkheid en is in dat opzicht ook EU-rechtelijk houdbaar. De rechtbank kan belanghebbende niet volgen in haar stelling dat het onderzoek waarop het percentage van 31 is gebaseerd onbetrouwbaar is of onvoldoende representatief is. Belanghebbende gaat ervan uit dat voertuigen die economisch total loss zijn ook technisch total loss zijn en daarom niet geïmporteerd worden en niet door de keuring van de RDW zouden komen. Belanghebbende miskent hiermee naar het oordeel van de rechtbank dat een voertuig dat economisch total loss is, niet onbruikbaar en onverkoopbaar is, zoals dat bij voertuigen die technisch total loss zijn in de regel wel het geval is. Belanghebbende heeft ook niet met een eigen onderzoek of met behulp van andere data gesteld dat het percentage van 31 onjuist is.

37. De tegenbewijsregeling stelt belastingplichtigen voldoende in de gelegenheid om in hun voordeel af te wijken van het forfaitaire waardeverminderingspercentage. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur, mits het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. De waardevermindering als gevolg van schade wordt aldus in aanmerking genomen tot het bedrag van de inkoopprijs. De inkoopprijs fungeert in zoverre als bodemwaarde. De rechtbank kan belanghebbende niet volgen in haar betoog dat deze tegenbewijsmogelijkheid illusoir, irreëel of onredelijk is. De rechtbank acht het juist reëel om voor het bepalen van de schade meer dan indicatieve betekenis toe te kennen aan de (tussen onafhankelijke derden) tot stand gekomen inkoopprijs en zonder meer aan te nemen dat het tegenbewijs is geleverd als sprake is van een lagere inkoopprijs. Dat in veel gevallen, zoals ook in dit geval, de inkoopprijs van het voertuig de door belanghebbende verdedigde taxatiewaarde overstijgt, maakt de tegenbewijsregeling evenmin illusoir en hoeft belastingplichtigen er niet van te weerhouden om met ander bewijs (zoals verkoopfacturen of facturen van de reparaties) aannemelijk te maken dat de herstelkosten in hogere mate dan 31% in mindering dienen te komen op de waarde van het voertuig. De eis dat het tegenbewijs niet in algemene zin betrekking kan hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk bezwarend en maakt de tegenbewijsregeling evenmin illusoir, irreëel of onredelijk. Uit genoemd onderzoek volgt dat het waardeverliespercentage niet of nauwelijks wordt beïnvloed door autosegment, leeftijd of kilometrage van het motorrijtuig. De besluitgever heeft deze beperking van de tegenbewijsmogelijkheid in algemene zin dan ook voldoende onderbouwd en de beperking doet geen noemenswaardige afbreuk aan de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren van de werkelijke schade. De rechtbank acht de forfaitaire regeling en de tegenbewijsmogelijkheid ook niet strijdig artikel 110 VWEU. De rechtbank ziet derhalve geen reden om de Uitvoeringsregeling buiten toepassing te laten. Belanghebbende heeft niet voldaan aan het vereiste tegenbewijs, dus is er geen reden een hoger percentage dan 31 van de door verweerder begrote herstelkosten in aanmerking te nemen.

Strijd met artikel 110 VWEU, gelet op referentievoertuigen?

38. Belanghebbende heeft een [merknaam] [type 2] als referentievoertuig aangedragen, waarop volgens haar een BPM van € 14.560 heeft gedrukt. Belanghebbende wijst erop dat de voertuigen dezelfde RDW code, hetzelfde merk, dezelfde brandstofsoort, dezelfde motorinhoud, hetzelfde motorvermogen en dezelfde CO₂-uitstoot hebben. Daarmee is volgens belanghebbende sprake van een concreet voertuig dat in de ogen van de consument naar objectieve kenmerken met het onderhavige voertuig concurreert en dat is genoeg om te spreken van gelijksoortigheid. Op basis daarvan meent belanghebbende dat de heffing strijdig is met artikel 110 VWEU.

39. De rechtbank overweegt dat de wettelijke bepalingen belastingplichtigen in staat stellen voor gebruikte personenauto’s, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto’s aan de hand van alle door hen relevant geachte gegevens de in artikel 10, lid 1, van de Wet BPM bedoelde vermindering te berekenen op een wijze die waarborgt dat in alle gevallen – in overeenstemming met artikel 110 VWEU – de verschuldigde BPM niet meer bedraagt dan de BPM die nog rust op de zogenoemde referentieauto (zie ook HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:421, rechtsoverweging 2.4.2). Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat op het tijdstip van de registratie van het voertuig er in Nederland gebruikte motorrijtuigen in de handel waren (de zogenoemde referentievoertuigen) die gelijksoortig zijn aan de auto en waarop minder (rest-)BPM rust dan de door belanghebbende verschuldigde BPM.

40. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Met name op het punt van het type voertuig en het uitrustingsniveau is onduidelijk gebleven of en in hoeverre het voertuig en het referentievoertuig soortgelijk zijn. Belanghebbende heeft op dit punt gesteld dat het voertuig en het referentievoertuig qua type en model hetzelfde zijn en verweerder heeft dit betwist en heeft daaraan toegevoegd dat het aantal personen dat met het voertuig vervoerd kan worden verschilt per voertuig (7 personen vs. 9 personen). De rechtbank acht de onderbouwing van belanghebbende, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, onvoldoende om het referentievoertuig als gelijksoortig te beschouwen en belanghebbende te volgen in zijn betoog dat de door haar verschuldigde BPM dus te hoog is. Het beroep op artikel 110 VWEU faalt dan ook in zoverre.

Afschrijvingstabel

41. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de afschrijving terecht door verweerder is bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Belanghebbende heeft tegen die berekening op zichzelf geen grieven ingebracht. De naheffingsaanslag is dus ook in zoverre niet te hoog.

Conclusie

42. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Vergoeding van immateriële schade

43. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt dat voor een dergelijke vergoeding aanleiding is als de rechtbank niet binnen twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift uitspraak doet. Daarbij geldt voor de bezwaarfase een redelijke termijn van een half jaar en voor de beroepsfase van anderhalf jaar. Is sprake van een overschrijding dan bestaat recht op schadevergoeding van € 500 per halfjaar, waarbij een gedeelte van een halfjaar naar boven wordt afgerond op een half jaar (zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

44. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 6 augustus 2024, verweerder heeft op 3 februari 2025 uitspraak op het bezwaar gedaan, het beroepschrift is bij de rechtbank ontvangen op 2 maart 2025 en de rechtbank doet heden uitspraak. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. Gelet hierop is de redelijke termijn naar boven afgerond met 1 maand overschreden en is deze overschrijding toe te rekenen aan de beroepsfase. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 500 die voor rekening komt van de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Proceskosten

45. De rechtbank ziet wegens de toekenning van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase moet worden bepaald aan de hand van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM (hierna: WHpkv) omdat de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt na 1 januari 2024. De stelplicht en de bewijslast dat het geval van belanghebbende met het oog op de proceskostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46) rust op belanghebbende (zie ook HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670). De rechtbank overweegt dat belanghebbende heeft gesteld dat van een bijzonder geval sprake is en dat ter onderbouwing daarvan facturen van de gemachtigde en betalingsbewijzen zijn overgelegd. De totale gefactureerde kosten in bezwaar en beroep bedragen € 795 exclusief btw (€ 961,95 inclusief btw). Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard geen zaken aan te nemen op ‘no cure no pay’-basis en dat de klant de procedure betaalt, ongeacht de uitkomst daarvan. Belanghebbende heeft er daarnaast op gewezen dat in de volmacht is opgenomen dat alle proceskostenvergoedingen naar de rekening van belanghebbende worden overgemaakt. Verweerder heeft hiertegen niets ingebracht, behalve de blote stelling dat geen sprake is van een bijzonder geval. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ‘bijzonder geval’.

45. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de proceskosten met inachtneming van de WHpkv (artikel 19a, tweede lid, van de Wet bpm), het Besluit proceskosten bestuursrecht en het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1526) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor van 0,25). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de proceskostenvergoeding slechts strekt tot vergoeding van de kosten die zijn gemaakt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten dienen te worden vergoed door de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid).

47. Nu het beroep ongegrond zal worden verklaard en belanghebbende het verzoek om immateriële schadevergoeding heeft gedaan ná 31 mei 2024 bestaat geen aanleiding tot vergoeding van het griffierecht (zie HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rechtsoverweging 7.1.1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500, en

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van

mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »