ECLI:NL:RBNHO:2026:10930

Datum uitspraak
13-08-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
AWB - 24 _ 7022
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Forensenbelasting terecht opgelegd. De woning was in 2023 98 dagen beschikbaar voor eigen gebruik en daarmee meer dan de wettelijke grens van 90 dagen. Dat de woning via Airbnb/Booking.com werd verhuurd, maakt het eigen gebruik alleen tijdens daadwerkelijk geboekte periodes onmogelijk. De beroepen op het gelijkheids-, zorgvuldigheids-, vertrouwens-, evenredigheids- en motiveringsbeginsel slagen niet. Ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 24/7022

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Texel, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag forensenbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.083,73.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026 te Alkmaar.

Namens belanghebbende is verschenen haar gemachtigde [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Belanghebbende heeft haar hoofdverblijf in [woonplaats] . Belanghebbende is sinds 2014 eigenaar van de woning [adres] .

Geschil

2. In geschil is of de aanslag forensenbelasting terecht is opgelegd.

3. Belanghebbende stelt dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat sprake was van het voor zichzelf beschikbaar houden van de woning in de zin van artikel 223 Gemeentewet. Belanghebbende stelt dat uit de boekingskalenders, automatische en niet-annuleerbare boekingen en hotelovernachtingen volgt dat de woning feitelijk niet meer dan 90 dagen voor eigen gebruik beschikbaar was of door haar beschikbaar werd gehouden. De recreatiewoning dient primair als pensioenvoorziening en is in 2023 slechts 8 dagen recreatief en 5 dagen voor onderhoud door haarzelf gebruikt, terwijl de woning 275 dagen was bezet door verhuur. Belanghebbende stelt dat de woning via professionele verhuurplatforms werd verhuurd en dat deze wijze van verhuur het eigen gebruik feitelijk sterker beperkt dan de in de jurisprudentie aanvaarde 90-dagenovereenkomsten. Daarnaast doet belanghebbende een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de aanslag forensenbelasting en vergoeding van de proceskosten.

4. Verweerder stelt dat belanghebbende terecht is aangeslagen voor de forensenbelasting, omdat de woning in 2023 meer dan 90 dagen voor haar beschikbaar was. Volgens verweerder is niet het feitelijke gebruik, maar de beschikbaarheid voor eigen gebruik bepalend. Ook de mogelijkheid van last minute verhuur en gedwongen hotelovernachtingen door belanghebbende maken dit volgens verweerder niet anders. Van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is volgens verweerder geen sprake.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Rechtmatigheid aanslag

5. Uit artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet volgt – voor zover hier van belang – dat gemeenten een forensenbelasting kunnen heffen “van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden”. De gemeente Texel heeft voor het belastingjaar 2023 van die mogelijkheid gebruik gemaakt met de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2023 van De raad van de gemeente Texel (de Verordening).

6. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening staat dat onder de naam ‘forensenbelasting’ een directe belasting wordt geheven van natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een woning binnen de gemeente beschikbaar houden. De hoogte van de forensenbelasting bedraagt op grond van artikel 5, eerste lid jo. artikel 4 van de Verordening 0,2867% van de WOZ-waarde van het belastingobject, met een minimum van € 557.

7. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van24 juli 1995, ECLI:HR:1995:AA1657) moet worden aangenomen dat, indien een gemeubileerde woning weliswaar is bestemd voor verhuur, maar ook in enige mate door de eigenaar zelf wordt gebruikt anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, die woning door de eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden voor het gedeelte van het jaar dat eigen gebruik niet in verband met verhuur of aan derden toegekende rechten tot verhuur is uitgesloten.

8. De Hoge Raad heeft in het arrest van 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4972, overwogen dat slechts dan geen aanslag in de forensenbelasting mag worden opgelegd aan een eigenaar die zijn woning (vrijwel) het gehele jaar aan een derde ter beschikking stelt voor verhuur, (a) indien die eigenaar in het geheel geen gebruik maakte van zijn woning, althans geen ander gebruik dan nodig was om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, ofwel (b) (ingeval de woning ook in enige mate door die eigenaar zelf werd gebruikt, anders dan nodig was om deze voor verhuur gereed te maken en te houden), indien de som van het aantal dagen van eigen gebruik en van het aantal dagen waarop de woning niet werd gebruikt, maar waarop deze moet worden geacht door die eigenaar beschikbaar te zijn gehouden voor zich of zijn gezin, niet meer dan 90 is.

9. Belanghebbende is het niet eens met de opgelegde aanslag forensenbelasting. Belanghebbende stelt dat zij op verzoek alle gevraagde bewijsstukken heeft verstrekt, waaronder een nachtregister, boekingskalenders en bewijs van professionele verhuur, waaruit blijkt dat de woning het gehele jaar voor verhuur beschikbaar stond. Belanghebbende stelt dat de woning via professionele verhuurplatforms zoals Booking.com en Airbnb werd verhuurd en dat deze wijze van verhuur het eigen gebruik feitelijk sterker beperkt dan de in de jurisprudentie aanvaarde 90-dagenovereenkomsten. Een dergelijke 90-dagenovereenkomst is voor belanghebbende via de reguliere verhuurpartij echter niet beschikbaar. De woning was 365 dagen per jaar opengesteld voor automatische, niet-annuleerbare boekingen, waarbij belanghebbende zich contractueel verplichtte iedere reservering te honoreren. Hierdoor werd het genotsrecht van belanghebbende feitelijk en juridisch ondergeschikt aan het vooraf verleende verhuurrecht van derden. Hierdoor moest belanghebbende soms tijdens haar verblijf uitwijken naar een hotel, waardoor niet kon worden gesproken van het voor zichzelf beschikbaar houden van de woning.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het door belanghebbende bijgehouden en verstrekte bezettingsoverzicht volgt dat de woning van belanghebbende voor 275 dagen is gebruikt, waarvan 8 dagen recreatief voor eigen gebruik. Dit betekent dat de woning gedurende 275 – 8 = 267 dagen niet ter beschikking stond aan belanghebbende. Hieruit volgt dat de woning 365 – 267 = 98 dagen wel beschikbaar stond aan belanghebbende. De omstandigheid dat de woning, zoals belanghebbende stelt, gedurende geheel 2023 last minute kon worden geboekt, waarbij een boeking automatisch werd geaccepteerd, maakt niet dat het eigen gebruik van de woning voor belanghebbende was uitgesloten. Alleen indien daadwerkelijk sprake is van een (last minute) boeking, wordt het eigen gebruik van de woning verhinderd. Op alle overige momenten kon belanghebbende de woning als eigenaar gebruiken (vgl. rechtbank Noord-Holland 17 december 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:12591, r.o. 5.2). Dat belanghebbende en haar echtgenoot er soms voor hebben gekozen om tijdens een verblijf alsnog in een hotel te overnachten, maakt dit niet anders.

11. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat de verhuur via online platforms een verdergaande beperking oplevert dan de door haar genoemde 90-dagenovereenkomst. Bij de in de jurisprudentie aan de orde zijnde 90-dagenovereenkomsten was het gebruik van de eigenaar in de overeenkomst met de verhuurorganisatie daadwerkelijk beperkt tot maximaal 90 (of 89) dagen per jaar en was gebruik op meer dan 90 dagen per jaar contractueel uitgesloten (vgl. Hoge Raad, 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:222). In de situatie van belanghebbende is gebruik op meer dan 90 dagen per jaar niet uitgesloten.

Gelijkheidsbeginsel

12. Belanghebbende voert aan dat haar geen reële mogelijkheid wordt geboden om tegenbewijs te leveren. Volgens belanghebbende zijn de door verweerder genoemde alternatieven, zoals een 90-dagenovereenkomst of verhuur van meer dan 275 dagen per jaar, niet haalbaar of niet beschikbaar. Belanghebbende stelt dat een dergelijke bezettingsgraad voor een recreatiewoning op Texel niet realistisch is. Belanghebbende nodigt de gemeente uit om cijfers te verschaffen waaruit blijkt welk percentage van de woningen met een 90-dagenovereenkomst een hogere bezetting hebben dan haar woning. In haar optiek zijn daar geen voorbeelden van en dragen deze andere eigenaren minder toeristenbelasting af en zijn zij gevrijwaard van forensenbelasting. Belanghebbende doet in dit verband een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

13. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Belanghebbende voert geen concrete situaties aan van vergelijkbare gevallen. De opvatting van belanghebbende dat de gemeente cijfers zou moeten verstrekken over het verhuurpercentage van eigenaren met een 90-dagenovereenkomst volgt de rechtbank niet. Het is aan belanghebbende die een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om dit te onderbouwen. Bovendien is de situatie van een verhuurder met een 90-dagenovereenkomst niet vergelijkbaar met die van belanghebbende.

Zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel

14. Belanghebbende stelt dat zij zich na het vervallen van de samenloopregeling per 1 januari 2023 overeenkomstig de gemeentelijke instructies als verhuurder heeft aangemeld en daarbij heeft gemeld de woning niet langer dan 90 dagen voor eigen gebruik beschikbaar te houden. De gemeente heeft vervolgens bevestigd dat geen verdere actie nodig was. Desondanks ontving belanghebbende een aanslag forensenbelasting, terwijl zij niet was uitgenodigd tot het doen van aangifte toeristenbelasting. Belanghebbende stelt dat de gemeente daarmee tegenstrijdig heeft gehandeld door enerzijds te bevestigen dat de aanmelding was verwerkt en anderzijds later te stellen dat geen verhuurmelding was gedaan.

15. Verweerder stelt dat niet op voorhand is bevestigd dat belanghebbende de woning in 2023 niet langer dan 90 dagen voor eigen gebruik beschikbaar hield. Volgens verweerder kan de e-mail van 12 januari 2023, waarin is aangegeven dat de melding van belanghebbende voor dat moment voldoende was en in de administratie zou worden verwerkt, niet worden opgevat als een toezegging dat geen forensenbelasting verschuldigd zou zijn. De belastingplicht voor de forensenbelasting wordt immers pas na afloop van het kalenderjaar vastgesteld. Dat belanghebbende uiteindelijk niet is uitgenodigd voor het doen van aangifte toeristenbelasting is volgens verweerder onhandig, maar heeft geen gevolgen voor de verschuldigdheid van de forensenbelasting. Verweerder stelt dat de latere informatie-uitvraag niet in strijd is met de eerdere e-mail, nu daarin slechts was meegedeeld dat de verstrekte informatie op dat moment voldoende was.

16. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aan de e-mail van 12 januari 2023 niet het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat zij geen forensenbelasting verschuldigd zou zijn. Uit deze e-mail blijkt slechts dat de door belanghebbende verstrekte informatie op dat moment voldoende was voor de verwerking in de administratie. Daaruit volgt niet dat verweerder een definitief standpunt heeft ingenomen over de belastingplicht van belanghebbende. Of forensenbelasting verschuldigd is hangt immers af van de feitelijke situatie gedurende het gehele kalenderjaar. Dat belanghebbende vervolgens niet is uitgenodigd voor het doen van aangifte toeristenbelasting, maakt niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel.

Evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel

17. Belanghebbende stelt dat de aanslag forensenbelasting in strijd is met het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel, omdat de regeling onvoldoende rekening houdt met eigenaren met beperkt eigen gebruik en leidt tot een onevenredige lastenverzwaring door de samenloop met de toeristenbelasting. Volgens belanghebbende sluit de heffing niet aan bij het doel van de forensenbelasting en heeft bij de invoering van de regeling geen voldoende zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden. Ter onderbouwing verwijst zij naar jurisprudentie van de Hoge Raad van 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1297, alsmede de conclusie van A-G Wattel, die benadrukt dat bij substantiële lastenverzwaringen een zorgvuldige, toetsbare belangenafweging vereist is, expliciet bij niet-gerepresenteerde groepen (“taxation without representation”) (ECLI:NL:PHR:2025:98).

18. Verweerder wijst erop dat de gemeenteraad een ruime bevoegdheid heeft bij het vaststellen van belastingverordeningen en dat van een willekeurige of onredelijke belastingheffing geen sprake is. De verwijzing van belanghebbende naar de conclusie van A-G Wattel over de forensenbelasting in Gulpen-Wittem is volgens verweerder niet vergelijkbaar met de situatie op Texel. Verweerder benadrukt daarbij dat het tarief van de forensenbelasting in 2023 juist met 10% is verlaagd vanwege de samenloop met de toeristenbelasting. Volgens verweerder kan de proportionaliteit van de aanslag niet worden beoordeeld aan de hand van het aantal nachten dat belanghebbende zelf in de woning verblijft, omdat ook het beschikbaar houden van de woning zonder feitelijk gebruik onder de heffing valt. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt.

Motiveringsbeginsel

19. Belanghebbende stelt dat de gemeente de aangeleverde stukken niet inhoudelijk heeft beoordeeld in de uitspraak op bezwaar. Voor zover belanghebbende daarmee en beroep wil doen op het motiveringsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht dient de beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering die uiterlijk bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Tussen belanghebbende en verweerder heeft per e-mail overleg plaatsgevonden voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar, maar deze correspondentie is niet overgelegd. De rechtbank weet derhalve niet wat tussen partijen in de voorfase is besproken en in hoeverre verweerder haar positie heeft toegelicht. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt voldoende op welke gronden verweerder het bezwaar heeft afgewezen. De rechtbank acht de motivering van de uitspraak op bezwaar, hoewel summier, in dit geval toereikend. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van het motiveringsbeginsel geen sprake.

Slotsom

20. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Brons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »