RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11635673 \ CV EXPL 25-1241
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. E.M. de Ruiter,
tegen
AANNEMERSBEDRIJF [de B.V.] B.V.,
te Den Helder,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de B.V.] ,
gemachtigde: mr. L.C. Dufour.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 januari 2026;- de nadere akte van [eiser] ;- de antwoordakte van [de B.V.] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
De kantonrechter heeft op 14 januari 2026 een tussenvonnis gewezen, op grond waarvan [eiser] in de gelegenheid is gesteld om de door hem als gevolg van het arbeidsongeval geleden schade te onderbouwen.
[eiser] heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt en een (nadere) akte ingediend. In deze akte heeft [eiser] zijn tot nu toe geleden schade inzichtelijk gemaakt, maar hij stelt daarbij voorop dat het gaat om een voorlopige schadebegroting. [eiser] voert aan dat hij nog altijd klachten en beperkingen ervaart en dat de schade pas definitief kan worden vastgesteld nadat er een beter beeld is over de toekomstige klachten en beperkingen en wat deze betekenen voor de verschillende schadeposten. Er moet daarom in ieder geval nog een orthopedisch expertise plaatsvinden, aldus [eiser] . [eiser] verzoekt de kantonrechter een deskundige te benoemen, zodat het onderzoek kan plaatsvinden.
[de B.V.] maakt bezwaar tegen het verzoek een deskundige te benoemen. [de B.V.] voert aan dat [eiser] zijn recht om een expertise te verzoeken heeft verwerkt, nu hij in de acht jaar tussen het ongeval en het moment van dagvaarden nooit heeft verzocht om een deskundigenbericht. Daarbij voert [de B.V.] aan dat het voor een deskundige welhaast onmogelijk is om na zo een lange tijd de gevolgen van het ongeval te bepalen.
De kantonrechter begrijpt het verzoek van [eiser] en is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat hij belang heeft bij een orthopedisch onderzoek. Het standpunt dat [eiser] zijn recht om een expertise te verzoeken zou hebben verwerkt deelt de kantonrechter niet. Het recht om een expertise door een (medisch) deskundige te vragen wordt niet verwerkt, zeker niet door slechts de omstandigheid dat er al geruime tijd is verstreken sinds de gebeurtenis als gevolg waarvan schade zou zijn ontstaan. De kantonrechter ziet daarbij geen aanleiding om aan te nemen dat een orthopedisch deskundige de gevolgen van een ongeval uit 2017 niet meer zou kunnen duiden. Het is aan de deskundige om dit – indien van toepassing – aan te geven. De kantonrechter zal te zijner tijd het onderzoek door een orthopedisch deskundige bevelen en een deskundige benoemen.
[eiser] heeft in zijn akte drie orthopedisch deskundigen genoemd die de expertise volgens hem zouden kunnen uitvoeren. De kantonrechter zal [de B.V.] in de gelegenheid stellen om op de door [eiser] voorgestelde deskundigen te reageren.
[eiser] verwijst onder randnummer 4.4. van zijn akte ook naar de vraagstelling die wat hem betreft aan de deskundige dient te worden voorgelegd. Het betreft de IWMD vraagstelling. De kantonrechter zal [de B.V.] in de gelegenheid stellen om zich over deze vraagstelling uit te laten.
In zijn antwoordakte doet [de B.V.] een verzoek aan de kantonrechter op grond van artikel 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] nog niet heeft kunnen reageren op dit verzoek. De kantonrechter stelt [eiser] daarom in de gelegenheid om zich over dit verzoek uit te laten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3 De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 juli 2026 voor het nemen van een akte door [de B.V.] over wat is vermeld onder 2.5. en 2.6.,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 juli 2026 voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 2.7.,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.