ECLI:NL:RBNHO:2025:13265

Datum uitspraak
07-11-2025
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
11769919
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Pro forma beschikking wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Haarlem

Zaaknr.: 11769919 \ AO VERZ 25-81

Uitspraakdatum: 7 november 2025

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

Dnata B.V.

gevestigd te Schiphol

verzoekende partij

verder te noemen: Dnata

gemachtigde: mr. H. Senyuva

tegen

[verweerder]

wonende te [plaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius

De zaak in het kort

Pro forma beschikking wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

1 De procedure

1.1.

Dnata heeft een verzoek ingediend om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, welk verzoek is ontvangen op 27 juni 2025. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend op 4 augustus 2025.

1.2.

Op 31 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier. De gemachtigden van partijen hebben ook pleitaantekeningen overgelegd.

2 De beoordeling

2.1.

Het uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van Dnata is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond als vermeld in lid 1 van dat artikel. De kantonrechter dient die redelijke grond te onderzoeken op grond van artikel 7:671b lid 2 BW. De kantonrechter heeft geconstateerd dat partijen het eens zijn dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, dat de verstoring zodanig is dat van Dnata in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren, dat geen van de partijen hiervan een verwijt treft en dat er geen herplaatsing van [verweerder] in een andere passende functie binnen een redelijke termijn mogelijk is.

2.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is voorts onderzocht of een opzegverbod ingevolge art 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Dat is niet het geval.

2.3.

Op grond van hetgeen over en weer is aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen. Het verzoek wordt daarom ingewilligd.

2.4.

Omdat het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, moet het einde van de arbeidsovereenkomst worden bepaald. Er is geen wettelijk bezwaar de arbeidsovereenkomst te ontbinden per de datum die partijen zijn overeengekomen, te weten 1 april 2026.

2.5.

Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 75.000,00 bruto, waarin - zo begrijpt de kantonrechter - de wettelijke transitievergoeding is inbegrepen. Dnata zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.

2.6.

Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2026;

3.2.

veroordeelt Dnata om uiterlijk 1 mei 2026 aan [verweerder] een bedrag te betalen ter hoogte van € 75.000,00 bruto;

3.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

3.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkersen op 7 november 2025 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »