ECLI:NL:RBNHO:2022:12684

Datum uitspraak
08-12-2022
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
9907715 EL EXPL 22-14
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Effectenlease zaak

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 9907715 EL 22-14

vonnis van de kantonrechter d.d. 8 december 2022,

in de zaak van

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam, eisende partij,

gemachtigde: USG Legal Professionals B.V., tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 12 mei 2022 van Dexia; de conclusie van antwoord van [gedaagde] ; de conclusie van repliek van Dexia.

1.2.

[gedaagde] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek genomen.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:

Nr I Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Loootiid

Leasesom

1. I [nummer]

27-04-2000

Allround Effect

240 mnd

€ 43.562,88

(

zaaknummer 9907715 EL 22-14

2

2.2.

De overeenkomst is geëindigd op 18 augustus 2006. Daarbij is een restschuld ontstaan van E 451,04, die door [gedaagde] aan Dexia is betaald.

2.3.

Bij brief van 24 februari 2022 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. [gedaagde] heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, zal verklaren voor recht dat Dexia, na betaling aan [gedaagde] van een bedrag van E 300,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst met nummer [nummer] aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten. [gedaagde] heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen conclusie van dupliek genomen.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde] .

4.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH

2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:

2017:164) en 12 april 2019(ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak

·'

zaaknummer 9907715 EL 22-14

3

een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

A. er is sprake van huurkoop;

B. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wek;

C. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

D. [gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

E. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

4.4.

Dexia vordert een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd.

4.5.

[gedaagde] stelt dat nog niet te overzien is of er nog een vordering op Dexia resteert, omdat de jurisprudentie op een aantal onderwerpen nog niet is uitgekristalliseerd. Hij wenst de ontwikkelingen afte wachten. In elk geval meent hij nog een vordering te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999. Ook stelt [gedaagde] dat door Dexia onvoldoende buitengerechtelijke kosten zijn betaald.

4.6.

In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen, dan wel de vordering slechts voorwaardelijk toewijsbaar is.

afwachten ontwikkelingen in de jurisprudentie

4.7.

[gedaagde] voert aan dat hij de komende ontwikkelingen in de jurisprudentie wil afwachten, zodat de vordering van Dexia niet toegewezen kan worden zolang nog geen beslissingen in hoogste instantie zijn gegeven. Dit verweer wordt niet gevolgd. Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde] .

4.8.

Met de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken vast dat Dexia een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade, waarvoor Dexia in beginsel aansprakelijk is, moet worden vergoed en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is, vormt

geen belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is.

ve,jaring

4.9.

Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gedaagde] in verband met een schending van artikel 41 NR 1999 inmiddels verjaard is. Dit verweer kan niet worden gevolgd.

In de uitspraken van diverse rechtbanken in het recente verleden zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op (onder andere) de volmacht van Leaseproces, de klachtplicht en verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigde van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

tussenpersoon

4.10.

[gedaagde] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [tussenpersoon] . Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI :NL:HR:2022:862) is opnieuw geoordeeld dat indien de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens - naar de aanbieder wist of behoorde te weten- als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven, daarmee vaststaat dat de aanbieder heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999, dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995. De Hoge Raad heeft daarbij, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn.

Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.

4.11.

Dexia stelt in haar laatste akte dat op basis van de door de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen wet- en regelgeving, de vraag of een aanbeveling die een tussenpersoon als geschikt voor een afnemer heeft voorgesteld niet los kan worden gezien van het door de tussenpersoon verrichte onderzoek naar de financiële positie, kennis en ervaring en de beleggingsdoelstellingen. Dexia gaat er daarmee ten onrechte van uit dat het genoemde arrest van de Hoge Raad meebrengt, dat een afnemer dient aan te tonen dat de tussenpersoon een geschiktheidsonderzoek heeft uitgevoerd en op basis daarvan de betreffende overeenkomst als geschikt aan de afnemer heeft voorgesteld. Deze lezing van het arrest wordt niet gevolgd. Er kan immers, volgens het arrest, ook sprake zijn van een gepersonaliseerde aanbeveling als de aanbeveling is voorgesteld als geschikt voor de betreffende afnemer zonder dat deze berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden. Zelfs als in het geheel geen afweging is gemaakt, kan onder omstandigheden sprake zijn van een aanbeveling die - wellicht geheel ten onrechte - door de tussenpersoon is voorgesteld als geschikt voor de betreffende afnemer (het verkooppraatje).

4.12.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gedaagde] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [gedaagde] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagde] . Dat is immers degene die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia en de vergunningplichtige advisering beroept.

De door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.

Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee, dat beide partijen al zeer lange tijd - in elk geval sinds de opt-out door [gedaagde] in 2007 - weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

4.13.

[gedaagde] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

" [gedaagde] is de overeenkomst Allround Effect [nummer] aangegaan op advies van de heer [adviseur] van [tussenpersoon] (hierna: adviseur). De naam van de adviseur volgt uit de overeenkomst en het aanvraagformulier (zie productie 2 en 6 bij dagvaarding).

[gedaagde] is met de adviseur in contact gekomen nadat zijn ouders gebruik hadden gemaakt van de dienstverlening van [tussenpersoon] . [tussenpersoon] had de ouders gevraagd of zij nog andere geïnteresseerden kenden die gebruik zouden willen maken van de dienstverlening van [tussenpersoon] . De ouders hebben toen de gegevens van hun zoon [gedaagde] doorgegeven. [gedaagde] werd vervolgens gebeld door [tussenpersoon] om een afspraak te maken voor een financieel adviesgesprek. Daarvoor zou een financieel adviseur thuis bij [gedaagde] langskomen.

De adviseur is in totaal drie keer langs geweest. Het eerste gesprek duurde ongeveer een uur. De adviseur informeerde naar de financiële situatie- en wensen van [gedaagde] .

[gedaagde] maakte kenbaar dat hij de wens had om een huis te kopen. Hij was net afgestudeerd en begonnen aan zijn eerste baan. Hij woonde op dat moment nog met zijn vriendin in een huurhuis. De adviseur maakte duidelijk dat hij een goed advies had voor [gedaagde] om zijn doelstelling te realiseren.

De adviseur presenteerde zijn advies als een "eigenhuisspaarplan ". Volgens de adviseur kon [gedaagde] daarmee in vijf jaar een aanzienlijk bedrag aan vermogen opbouwen. Dat vermogen kon [gedaagde] dan gebruiken als hij een woning zou aankopen. [gedaagde] zag in dat het goed was als hij vermogen ging opbouwen met het "eigenhuisspaa,plan ". [gedaagde] wilde het geld dan gebruiken om een inrichting voor de woning bijeen te sparen. De adviseur gaf aan dat hij bij een nieuwe afspraak zijn advies concreet zou maken voor [gedaagde] .

Bij het tweede huisbezoek heeft de adviseur het Allround Effect van [bank] aan [gedaagde] geadviseerd als het geschikte product om zijn doelstelling te realiseren. De adviseur had een map bij zich met diverse rekenvoorbeelden welk vermogen opgebouwd kon worden met de overeenkomst Allround Effect. De adviseur benadrukte de zeer goede rendementen die [gedaagde] kon behalen met de overeenkomst waarbij een gemiddeld rendement van 12% werd aangehaald. Tussen de adviseur en [gedaagde] werd vastgesteld welk doe/vermogen [gedaagde] voor ogen had. [gedaagde] had een bedrag van ca 30.000 gulden in gedachte dat hij wilde opbouwen voor zijn doelstelling. Dat dacht hij ongeveer nodig te hebben. Daarbij was het wel de bedoeling dat hij dit bedrag in vijf jaar opgebouwd zou hebben. Op basis daarvan stelde de adviseur vast dat [gedaagde] dan voor -100 gulden per maand moest instappen in de overeenkomst Allround Effect. Met dat maandbedrag, dat [gedaagde] maandelijks uit zijn inkomen diende in te leggen, zou hij na vijf jaar het gewenste kapitaal hebben opgebouwd.

De adviseur lichtte toe dat het Allround Effect een spaarplan was dat met een belegging werkte. Het werd als veilig voorgehouden. Dat het in werkelijkheid een belegging met geleend geld betrof. heeft de adviseur niet duidelijk gemaakt. De adviseur bracht het naar voren dat de inleg die [gedaagde] deed zeker was. Dat [gedaagde] in werkelijkheid het risico liep zijn inleg geheel te verliezen en hij zelfs een restschuld kon overhouden, werd hem niet verteld door de adviseur.

De adviseur kwam deskundig op [gedaagde] over. [gedaagde] besloot het advies op te volgen. De adviseur is vervolgens vetrokken.

Het aanvraagformulier (productie 6 bij dagvaarding) heeft [gedaagde] nooit gezien. Deze is door de adviseur ingevuld en ''p/o" ondertekend en vervolgens naar [bank] gefaxt.

De adviseur is vervolgens een derde keer bij [gedaagde] langs gekomen om de overeenkomst te laten ondertekenen. Daarbij benadrukte de adviseur dat de overeenkomst voor vijfjaar zou worden aangegaan en [gedaagde] geen acht hoefde te slaan op de langere looptijd die erin stond. [gedaagde] heeft de overeenkomst vervolgens ondertekend. De adviseur nam de getekende overeenkomst mee en heeft deze naar [bank] doorgestuurd. "

4.14.

[gedaagde] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:

- een kopie van de overeenkomst van 27 april 2000 met contractnummer [nummer] , voorzien van het adviseursnummer [nummer 2] en een stempel met de tekst: [tussenpersoon] (...);

- een kopie van een brief van 8 mei 2000 gericht aan [gedaagde] , voorzien van het logo van

[tussenpersoon] , waarin te lezen is:

'(. ..)

Het doet ons genoegen II het AEX Plus Certificaat te mogen zenden met daarop onder andere uw beginkoers. U profiteert nu van de ontwikkeling van de belangrijkste Nederlandse ondernemingen. Wij ver=oeken II het Certificaat zorgvuldig bij 11111 Allround Effect overeenkomst te bewaren.

Indien II nog vragen heeft, kunt II contact opnemen met uw financieel adviseur op onderstaand telefoonnummer. Wij danken u voor het vertroznven en hopen II in de toekomst van dienst te mogen blijven. '.

4.15.

Dexia heeft betwist dat er een huisbezoek heeft plaatsgevonden en dat sprake is van schending van artikel 41 NR 1999. Dexia wijst er op dat de stellingen van [gedaagde] niet door de overgelegde stukken worden onderbouwd en evenmin op andere wijze blijkt dat er een huisbezoek is geweest en wat dan de inhoud van een eventueel gesprek met de tussenpersoon is geweest. [gedaagde] heeft na dit verweer zijn standpunten niet verder toegelicht of de stellingen verder onderbouwd. De enkele vermelding van de naam van de tussenpersoon op de overeenkomst is inderdaad onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering.

conclusie

4.16.

Uit het voorgaande volgt, dat [gedaagde] niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat Dexia meer (betalings)verplichtingen jegens hem heeft dan het bedrag van€ 300,69 (met rente) dat door Dexia erkend wordt. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

4.17.

De vordering Dexia zal daarom toegewezen worden. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer] niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van

€ 300,69, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf23 augustus 2006,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot en met vandaag worden vastgesteld op:

€ 127,42 dagvaardingskosten

€ 128,00 vast recht

€ 498,00 salaris van de gemachtigde,

5.3.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.

typ: ksf

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »