RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/3417
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder(gemachtigde: [naam 2] ).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde belanghebbende] ,vergunninghouder.
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het na sloop, bouwen van een restaurant op het adres [adres] 1 te [woonplaats] .
Op 26 augustus 2021 heeft verzoekster tegen dit besluit bezwaar ingediend. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 september 2021 op zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 3] Vergunninghouders zijn verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vergunninghouder heeft schriftelijk verklaard dat hij in afwachting van de bodemzaak geen gebruik zal maken van de vergunning. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Dat wordt door verzoeker niet betwist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
2. Verzoeker verzoekt ondanks de afwijzing van het verzoek een proceskostenveroordeling. Omdat de toezegging is gedaan door de vergunninghouder is er echter geen sprake van tegemoetkoming door verweerder als bedoeld in artikel 8:84, vierde lid, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten wordt daarom afgewezen.1
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2021 door mr. J.J. Maarleveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: