ECLI:NL:RBMNE:2026:7487

Datum uitspraak
16-09-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/16/613559
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Vonnis in incident. Partijen zijn allen erfgenamen van hun moeder. Eiser vordert veroordeling van een van gedaagden in haar hoedanigheid van executeur om bepaalde stukken aan hem te verstrekken. Deze stukken heeft hij volgens hem nodig om zijn erfdeel en legitieme portie te kunnen berekenen. De executeur heeft bij haar conclusie van antwoord in incident veel stukken verstrekt, zodat een veroordeling grotendeels niet meer nodig is. Eiser heeft hiervoor wel een procedure moeten starten. Omdat de executeur zich lang op het onjuiste standpunt heeft gesteld dat als eiser stukken wilde ontvangen, hij de kosten daarvan zelf moest dragen, wordt zij in privé (en dus niet in hoedanigheid van executeur) veroordeeld in de kosten van het incident.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/613559 / BE ZA 26-30

Vonnis in incident van 16 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende in [plaats 1] ,

hierna: [eiser] ,

eisende partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

advocaat: mr. A.H. de Jong, werkzaam in Doorn,

tegen

1 [gedaagde sub1] ,

in haar hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van [erflaatster] (hierna: moeder),

wonende in [plaats 2] (Frankrijk),

hierna: [gedaagde sub1] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

advocaat: mr. L.C. Griffioen-Wennekers, werkzaam in Utrecht,2. [gedaagde sub2],

wonende in [plaats 3] ,

hierna: [gedaagde sub2] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

niet verschenen,3. [gedaagde sub3],

wonende in [plaats 4] ,

hierna: [gedaagde sub3] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende incidentele vorderingen met producties 1 t/m 33,

- de verstekverlening tegen [gedaagde sub2] en [gedaagde sub3] ,

- de incidentele conclusie van antwoord met producties 1 t/m 22,

- de akte van [gedaagde sub1] met producties 23 t/m 27,

1.2.

Daarna is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan in het incident.

2 Waar dit incident over gaat

2.1.

[eiser] is de broer van [gedaagde sub1] , [gedaagde sub2] en [gedaagde sub3] . Hun moeder is op [datum van overlijden] 2024 overleden. Hun vader was al eerder overleden. In haar testament heeft moeder haar kinderen tot erfgenamen benoemd; [eiser] voor 1/8e deel, [gedaagde sub1] voor 3/8e deel en [gedaagde sub2] en [gedaagde sub3] ieder voor 2/8e deel. Zij hebben de nalatenschap (beneficiair) aanvaard. Verder heeft moeder [gedaagde sub1] tot executeur benoemd. [gedaagde sub1] heeft die benoeming aanvaard en een ruimschoots voldoende-verklaring afgelegd, zodat de nalatenschap niet hoeft te worden vereffend. [eiser] heeft een aanvullend beroep gedaan op zijn legitieme portie.

2.2.

[eiser] heeft in de hoofdzaak vorderingen ingesteld om te komen tot verdeling van de nalatenschap van moeder. [eiser] vordert in incident om [gedaagde sub1] in haar hoedanigheid van executeur te veroordelen om bepaalde stukken aan hem te verstrekken, die hij nodig heeft om de omvang van zijn erfdeel en zijn legitieme portie te kunnen bepalen, op straffe van een dwangsom. [eiser] heeft deze vordering primair gebaseerd op artikel 4:148 van het Burgerlijk Wetboek (BW), subsidiair op artikel 4:78 BW en meer subsidiair op de artikelen 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarnaast vordert [eiser] om hem op grond van artikel 3:299 BW te machtigen om zelf stukken op te vragen bij banken en de belastingdienst en te bepalen dat de kosten daarvan ten laste komen van de nalatenschap. Tot slot vordert [eiser] om [gedaagde sub1] in privé te veroordelen om de proceskosten te betalen en de wettelijke rente daarover, omdat zij niet aan zijn eerdere verzoeken om informatie te geven heeft voldaan.

2.3.

De rechtbank zal de vorderingen in incident grotendeels afwijzen. De stukken waarvan [eiser] naar het oordeel van de rechtbank afgifte kan verlangen van [gedaagde sub1] , heeft zij bij incidentele conclusie namelijk alsnog bijna allemaal overgelegd. Daarom heeft [eiser] grotendeels geen belang meer bij het gevorderde. De rechtbank zal [gedaagde sub1] in privé in de proceskosten veroordelen. Dit zal hierna worden toegelicht.

3 De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

3.1.

Omdat [gedaagde sub1] in Frankrijk woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De rechtbank stelt vast dat zij op grond van artikel 4 van de Erfrechtverordening bevoegd is om uitspraak te doen in dit geschil, omdat moeder op het tijdstip van overlijden haar gewone verblijfplaats in Nederland had. In haar testament heeft moeder Nederlands recht van toepassing verklaard op de erfopvolging en de afwikkeling van haar nalatenschap.

Stukken

3.2.

[gedaagde sub1] is als executeur op grond van artikel 4:148 BW verplicht om de erfgenamen alle door hen gewenste informatie over de uitoefening van haar taak te geven. Zij heeft onder meer als taak om de samenstelling en omvang van de nalatenschap in kaart te brengen. [eiser] moet over deze informatie kunnen beschikken zodat hij zijn erfdeel en zijn legitieme portie kan berekenen. Daarnaast heeft [eiser] op grond van het algemene inzagerecht van artikel 194 Rv als erfgenaam/legitimaris en daarmee deelgenoot in en schuldeiser van de nalatenschap recht op inzage in en afschrift van stukken waarover [gedaagde sub1] als executeur beschikt, mits hij daarbij voldoende belang heeft. Dat belang zal hij dus moeten stellen. Aan de hand van dit toetsingskader zal de rechtbank beoordelen of [gedaagde sub1] de gevorderde informatie en stukken aan [eiser] moet verstrekken.

a) Aangiften en aanslagen inkomstenbelasting

3.3.

[eiser] wil de laatste zeven definitieve aangiftes inkomstenbelasting van moeder en de bijbehorende aanslagen ontvangen. [gedaagde sub1] heeft niet betwist dat [eiser] hier recht op heeft. Volgens haar zijn deze stukken er echter niet, omdat moeder was vrijgesteld van de verplichting om aangifte inkomstenbelasting te doen. De beschikbare verklaringen van het geregistreerde inkomen van moeder over de jaren 2020 t/m 2024 heeft zij aan [eiser] verstrekt. Verder heeft zij de belastingdienst in een brief van 2 juli 2026 verzocht om schriftelijk te bevestigen dat moeder over de jaren 2017 t/m 2024 geen aangifte inkomstenbelasting hoefde te doen. Een afschrift van die brief heeft zij als productie 3 overgelegd. [gedaagde sub1] heeft toegezegd dat zij de schriftelijke reactie van de belastingdienst na ontvangst zal toesturen aan (de advocaat van) [eiser] . De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde sub1] dat zal doen. Als uit de reactie van de belastingdienst blijkt dat de gevorderde aangiften en aanslagen inkomstenbelasting er niet zijn, dan is duidelijk dat [gedaagde sub1] deze stukken niet kan verstrekken.

b) bankafschriften

3.4.

[eiser] wil de bankafschriften van alle bankproducten van moeder vanaf in ieder geval zeven jaar voor overlijden tot heden ontvangen. [gedaagde sub1] heeft verklaard dat zij alle bankafschriften waarover zij de beschikking heeft kunnen krijgen heeft overgelegd. Dat zijn:

- de bankafschriften van de betaalrekening van moeder bij de ING Bank over de periode van 1 januari 2017 t/m 1 juli 2026 (productie 4);

- de bankafschriften van de spaarrekening van moeder bij de ING Bank over de periode van 1 oktober 2017 t/m 2 juli 2026 (productie 5); en

- de bankafschriften van de bankrekening bij de ABN AMRO Bank (producties 6 en 27) en de bankrekening bij Triodos Bank (producties 8 en 27) over de periode dat moeder deze bankrekeningen gebruikte in verband met de verkoop van haar woning.

De rechtbank gaat er gezien de omvang van de genoemde producties van uit dat [gedaagde sub1] al deze bankafschriften heeft overgelegd. Hiermee heeft [gedaagde sub1] voldaan aan haar informatieplicht op dit punt.

c) overzicht banksaldi

3.5.

[eiser] wil een overzicht van de meest actuele banksaldi van alle bankproducten van moeder ontvangen. [gedaagde sub1] heeft toegelicht dat de bankrekeningen van moeder bij de ABN AMRO Bank en de Triodos Bank zijn opgeheven en dat de saldi van die rekeningen zijn bijgeschreven op een bankrekening van moeder bij ING Bank. De saldi van de bankrekeningen bij de ING Bank blijken uit de overgelegde bankafschriften. Hiermee heeft [gedaagde sub1] voldaan aan haar informatieplicht op dit punt.

d) overzicht van de vaste woonlasten van moeder

3.6.

[eiser] wil een overzicht ontvangen van de vaste woonlasten van moeder over de periode van 2011 tot aan de datum van verkoop van haar woning, in het bijzonder de kosten voor gas, water en elektriciteit. Dit deel van de vordering zal ook worden afgewezen. De informatieplicht van artikel 4:148 BW (zie 3.2.) gaat niet zo ver dat [gedaagde sub1] als executeur ook gehouden is een overzicht te verstrekken van uitgaven die moeder tijdens haar leven zelfstandig heeft gedaan. [eiser] heeft ook niet uitgelegd waarom hij dit overzicht nodig heeft. Hij kan dit deel van de vordering daarom ook niet baseren op artikel 194 Rv (zie ook 3.2.).

e) informatie over de verkoop van de woning van moeder

3.7.

[eiser] wil stukken en informatie ontvangen over de verkoop van de woning van moeder (die tijdens leven van moeder op 17 september 2024 heeft plaatsgevonden), waaronder een onafhankelijke waardebepaling van de woning en informatie over wie de verkoopopdracht heeft gegeven en wie bij de ondertekening van de koopovereenkomst aanwezig was. Als reden heeft [eiser] aangevoerd dat de woning voor € 632.500,- aan kennissen van [gedaagde sub1] is verkocht, terwijl de WOZ-waarde in dat jaar € 734.000,- was. Volgens [gedaagde sub1] heeft moeder tijdens haar leven zelfstandig besloten om de woning voor € 632.500,- te verkopen. [gedaagde sub1] heeft verklaard dat zij de relevante beschikbare stukken heeft overgelegd, te weten:

- de verkoopbrochure van de makelaar (productie 10);

- correspondentie van de makelaar (productie 12);

- de nota van afrekening van de notaris (productie 13);

- een taxatierapport van de woning van een andere makelaar (productie 23); en

- twee bouwkundige inspectierapporten van de woning (producties 24 en 25).

Aan de hand van deze stukken heeft zij toegelicht dat de woning volgens haar voor een marktconforme en redelijke prijs is verkocht. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde sub1] hiermee alle beschikbare stukken betreffende de waardebepaling van de woning heeft overgelegd. Zij heeft hiermee overigens meer informatie verstrekt dan zij op grond van haar informatieplicht als executeur moest doen. [gedaagde sub1] hoeft als executeur namelijk geen informatie te verschaffen over handelingen die moeder zelf heeft verricht, zeker niet als niet wordt toegelicht waarom dit nodig is. Waarom [gedaagde sub1] dit op grond van artikel 194 Rv (wél) zou moeten doen, is ook onduidelijk gebleven. Ook hiervoor geldt dat [eiser] niet heeft uitgelegd welk belang hij bij deze informatie heeft. Bovendien gaat het bij het inzagerecht op grond van artikel 194 Rv om bepaalde bestaande gegevens. Om een “uitleg” over hoe iets in het verleden is gegaan, kan niet worden gevraagd.

f) levensverzekeringen en polissen van moeder

3.8.

[eiser] wil informatie en stukken van de levensverzekeringen en polissen van moeder, waaronder in ieder geval de polisbladen en uitkeringsberichten van de polissen bij ASR met bepaalde polisnummers. [gedaagde sub1] heeft een brief overgelegd van ASR waaruit blijkt wat er door ASR is uitgekeerd op de genoemde polissen (productie 14). Volgens [gedaagde sub1] beschikte moeder niet over andere levensverzekeringen of polissen. Zij kan hierover dus niet meer informatie verstrekken.

g) facturen van de schulden aan Eneco, BGHU en Zilveren Kruis

3.9.

[eiser] wil de facturen zien van de schulden aan Eneco, BGHU en Zilveren Kruis, die zijn opgenomen in een overzicht van de omvang van de nalatenschap dat [gedaagde sub1] aan hem heeft verstrekt. [gedaagde sub1] heeft stukken overgelegd waaruit blijkt van een schuld aan Eneco van € 1.510,64 (productie 15), een schuld aan BGHU van € 77,82 (productie 16) en een schuld aan Zilveren Kruis van € 77,- (productie 17). Daarmee heeft zij voldaan aan haar informatieplicht op dit punt.

h) facturen van de uitvaartkosten, steenhouwer en notaris

3.10.

[eiser] wil ook de facturen zien van de uitvaartkosten, kosten van de steenhouwer en notariskosten, die in datzelfde overzicht zijn opgenomen. [gedaagde sub1] heeft facturen overgelegd van de kosten van de uitvaart en de notaris en een orderbevestiging waarin de kosten van de steenhouwer zijn vermeld (productie 18). Daarmee heeft zij ook wat dit betreft voldaan aan haar informatieplicht.

i) overzicht van de roerende zaken

3.11.

[eiser] wil een volledig overzicht ontvangen van de roerende zaken van moeder met de waardering daarvan, waaronder de aanwezige schilderijen, klokken, meubels en sieraden, serviesgoed, witgoed, fiets, gereedschap, tuinspullen en familiefoto’s. [gedaagde sub1] heeft toegelicht dat bij de ontruiming van de woning vanwege de verkoop een groot deel van de aanwezige roerende zaken is afgevoerd, omdat deze geen economische waarde hadden. Volgens [gedaagde sub1] behoren tot de nalatenschap van moeder geen waardevolle inboedelgoederen. Moeder had twee gouden ringen en zes schilderijen. Andere roerende zaken met enige waarde zijn er volgens haar niet. [gedaagde sub1] heeft alleen foto’s overgelegd van de ringen (productie 19). Informatie over de waarde van de gouden ringen en de schilderijen heeft zij niet verstrekt. Dat mag wel van haar als executeur worden verwacht. Zoals in 3.2. vermeld, behoort het tot haar taak om de omvang van de nalatenschap te bepalen en heeft [eiser] die informatie nodig om zijn erfdeel en legitieme portie te kunnen berekenen. De rechtbank zal [gedaagde sub1] daarom veroordelen om taxatierapporten aan [eiser] te verstrekken waaruit de waarde van de twee gouden ringen en de zes schilderijen blijkt. De rechtbank zal [gedaagde sub1] daarvoor een termijn geven van een maand na de datum van dit vonnis. De kosten hiervan zijn kosten van de executele en komen dus ten laste van de nalatenschap van moeder.

j) stukken over de koop van vier schilderijen

3.12.

[eiser] vordert afgifte van bewijsstukken van de (zoals hij het noemt: vermeende) koopovereenkomst die moeder en de echtgenoot van [gedaagde sub1] hebben gesloten, waarbij moeder vier schilderijen heeft gekocht voor € 15.000,-. Daarnaast wil [eiser] stukken waaruit de waarde van die schilderijen blijkt en stukken waaruit blijkt dat moeder die schilderijen daadwerkelijk heeft willen kopen. [gedaagde sub1] heeft een handgeschreven verkoopbewijs overgelegd (productie 21). Meer bewijsstukken van deze transactie zijn er volgens haar niet. Alleen daarom al kan zij niet worden veroordeeld om meer stukken te verstrekken. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat [gedaagde sub1] aan [eiser] een taxatierapport zal moeten verstrekken, waaruit de waarde van de schilderijen blijkt.

k) overzicht schenkingen en/of giften

3.13.

[eiser] wil een opgave ontvangen van alle schenkingen en/of giften die moeder heeft gedaan. [gedaagde sub1] heeft verklaard dat moeder op 20 september 2024 een schenking aan haar heeft gedaan van € 6.633,-. Deze schenking is vermeld in de aangifte erfbelasting (productie 22). Andere schenkingen en/of giften van moeder zijn haar niet bekend. Hiermee heeft [gedaagde sub1] voldaan aan haar informatieplicht op dit punt.

Dwangsom

3.14.

De rechtbank zal geen dwangsom opleggen, zoals [eiser] heeft gevorderd. De relevante stukken waarover [gedaagde sub1] beschikte heeft zij bij incidentele conclusie alsnog overgelegd en voorzien van een toelichting. Gelet op deze meewerkende proceshouding gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde sub1] de veroordeling in dit vonnis zal nakomen door de gouden ringen en schilderijen zo spoedig mogelijk te laten taxeren en de taxatierapporten na ontvangst en binnen de daarvoor gegeven termijn aan [eiser] te verstrekken.

Machtiging

3.15.

Omdat [gedaagde sub1] alle beschikbare bankafschriften heeft overgelegd en de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting er volgens haar niet zijn, is er geen grond om [eiser] te machtigen deze stukken zelf op te vragen. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.

Proceskosten

3.16.

De rechtbank zal [gedaagde sub1] in privé veroordelen om de proceskosten van dit incident te betalen. Hoewel [gedaagde sub1] uiteindelijk bijna alle gevraagde stukken heeft overhandigd, was hiervoor wel deze procedure nodig. Voordat haar advocaat haar liet weten dat zij als executeur verplicht was om informatie te verschaffen, heeft [gedaagde sub1] zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij met het verstrekken van een summier overzicht van de nalatenschap kon volstaan. Zij liet [eiser] daarbij weten dat als hij stukken wilde ontvangen, hij de kosten voor het opvragen daarvan zelf maar moest dragen. Het zou gezien deze weigerachtige houding niet terecht zijn om de proceskosten van [eiser] als kosten van de executele aan te merken en daarmee ten laste van de nalatenschap van moeder te laten komen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 653,- aan salaris advocaat en

€ 189,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals is vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

veroordeelt [gedaagde sub1] in haar hoedanigheid van executeur om binnen een maand na de datum van dit vonnis aan [eiser] taxatierapporten te verstrekken waaruit blijkt wat de waarde is van de twee gouden ringen en de zes schilderijen die tot de nalatenschap van moeder behoren en bepaalt dat de kosten van deze taxaties kosten zijn van de executele,

4.2.

veroordeelt [gedaagde sub1] in privé in de kosten in het incident, aan de zijde van [eiser] begroot op € 842,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 89,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3.

veroordeelt [gedaagde sub1] in privé tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.4.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

4.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 28 oktober 2026 voor het indienen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak door [gedaagde sub1] .

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »