ECLI:NL:RBMNE:2026:7178

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/16/616411 / HL ZA 26-237
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Onteigening oud Ow. Tussenvonnis. Verweer tegen de onteigening. Incident tussenkomst en pleidooi hoofdzaak.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/616411 / HL ZA 26-237

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 7 oktober 2026

in de zaak van

GEMEENTE WOERDEN,

te Woerden,

eisende partij in de hoofdzaak,verweerder in het incident,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. C.M.E. Verhaegh,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

te [plaats] ,gedaagde partij in de hoofdzaak,verweerder in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,advocaten: mrs. J.W.M. Hagelaars en P.J. Berndes,

en

2 [gedaagde sub 2] ,

te [plaats] ,eisende partij in het incident,hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,advocaten: mrs. J.W.M. Hagelaars en P.J. Berndes,

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:- de akte van depot van 15 juli 2026;- de dagvaarding van 24 juli 2026 met producties 1 tot en met 12; - het exploot van 24 juli 2026, waarbij de dagvaarding is overbetekend aan [gedaagde sub 2] ;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst van [gedaagde sub 2] ;

- de conclusie van antwoord in het incident van de Gemeente;- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van [gedaagde sub 1] met producties 1 tot en met 8;

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van [gedaagde sub 2] met producties 1 en 2.

1.2

De dagvaarding is niet overbetekend aan derde belanghebbende Stedin Netbeheer B.V., omdat de Gemeente met Stedin een regeling heeft getroffen.

1.3

Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2 De vordering en de beoordeling in het incident

Het oude recht is van toepassing

2.1

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Onteigeningswet (Ow) is komen te vervallen. Op grond van artikel 4.4 Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet is de Onteigeningswet in deze zaak nog van toepassing, omdat vóór 1 januari 2024 een verzoek tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 72a Onteigeningswet is ingediend.

Inleiding

2.2

In de hoofdzaak heeft de Gemeente de vervroegde onteigening gevorderd van de aan [gedaagde sub 1] in eigendom toebehorende onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [letter] , nummer [nummer] , groot 985 m2 en van de aan [gedaagde sub 2] in eigendom toebehorende onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [letter] , nummer [nummer] , groot 4.745 m2.

2.3

Perceel [letter] [nummer] is belast met een zakelijk recht als bedoeld in artikel 5 lid 3 onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht ten name van Stedin Netbeheer B.V.

2.4

Perceel [letter] [nummer] is ook belast met een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van het heersend erf zijnde het perceel [letter] 92.

2.5

Van het bestaan van andere zakelijk gerechtigden of belanghebbenden in de zin van artikel 3 en 4 Ow is niet gebleken.

[gedaagde sub 2] wordt toegelaten als tussenkomende partij

2.6

In het incident vordert [gedaagde sub 2] dat hem als eigenaar van perceel [letter] [nummer] wordt toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen.

2.7

De Gemeente verzet zich niet tegen de gevorderde tussenkomst van [gedaagde sub 2] [gedaagde sub 1] heeft niet op de gevorderde tussenkomst gereageerd. De rechtbank gaat ervan uit dat hij geen bezwaar heeft tegen de tussenkomst van [gedaagde sub 2]

2.8

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3 lid 2 Ow kan eenieder die beweert eigenaar te zijn en die niet is gedagvaard, zolang de eindconclusies door partijen niet zijn genomen, aan de rechter verzoeken in het geding van onteigening te mogen tussenkomen. Niet ter discussie staat dat [gedaagde sub 2] eigenaar is van perceel [letter] [nummer] . Hij heeft dan ook voldoende belang bij tussenkomst. De Gemeente en [gedaagde sub 1] hebben zich hiertegen ook niet verzet, zodat [gedaagde sub 2] zal worden toegelaten als tussenkomende partij.

2.9

De beslissing over de gevorderde proceskosten verbonden aan de tussenkomst zal worden aangehouden, totdat over de aan [gedaagde sub 2] ter zake de onteigening te betalen (definitieve) schadeloosstelling wordt beslist.

3 De vordering en de beoordeling in de hoofdzaak

3.1

De Gemeente vordert samengevat:

  1. de vervroegde onteigening als bedoeld in artikel 54f Ow uit te spreken van de hiervoor genoemde aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in eigendom toebehorende onroerende zaken;

  2. het aan [gedaagde sub 1] te betalen voorschot op de schadeloosstelling te bepalen op € 50.000,-;

  3. het aan [gedaagde sub 2] te betalen voorschot op de schadeloosstelling te bepalen op € 94.000,-;

  4. te bepalen dat de Gemeente geen zekerheid hoeft te stellen;

  5. de definitieve schadeloosstellingen nader bij vonnis vast te stellen en de Gemeente te veroordelen tot betaling daarvan voor zover deze niet reeds als voorschot zijn voldaan en voor zover de aanbiedingen in de dagvaarding niet worden aanvaard;

  6. te gebieden dat de Gemeente het aanbod uit randnummer 11 en 12 van de dagvaarding tot vier weken na het onteigeningsvonnis gestand zal doen;

  7. te bepalen dat het oordeel van de aangestelde rechtbankdeskundige in de verzoekschriftprocedure C/16/600864 / HL RK 25-48 heeft te gelden als (concept)deskundigenrapport in de onderhavige dagvaardingsprocedure;

  8. op grond van artikel 54j lid 2 Ow – indien nodig – een datum vast te stellen waarop de indiening van het deskundigenrapport moet plaatsvinden;

  9. het nieuws- of advertentieblad aan te wijzen waarin het vonnis door de griffier zal worden geplaatst.

3.2

In hun conclusies van antwoord voeren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verweer tegen de gevorderde vervroegde onteigening en tegen de hoogte van (het voorschot op) de aangeboden schadeloosstelling.

3.3

De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen voor de meervoudige kamer om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat de mondelinge behandeling enkel ziet op de vervroegde onteigening en dus (nog) niet op de begroting van de (definitieve) schadeloosstelling.

3.4

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3.5

Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van spreekaantekeningen.

3.6

Voor de behandeling van de zaak wordt een dagdeel (ochtend of middag) uitgetrokken.

3.7

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1

staat [gedaagde sub 2] toe in de hoofdzaak tussen te komen;

4.2

houdt de beslissing over de kosten van het incident aan;

in de hoofdzaak

4.3

beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door de meervoudige kamer van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Lelystad, Stationsplein 15, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;

4.4

bepaalt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat de Gemeente dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen;

4.5

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 4 november 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari 2027 tot en met mei 2027, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald;

4.6

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen;

4.7

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;

4.8

wijst partijen erop, dat voor de mondelinge behandeling een dagdeel (ochtend of middag) zal worden uitgetrokken;

4.9

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op

7 oktober 2026.

5274

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »